Hoeveel minderheidsmartelaarschap valt er voor de atheïst nog op te eisen, nu hij met zo velen is?

Het is volbracht. Ik zie meteen dat mannetje voor me van tekenaar Opland, die een rotschop geeft tegen een kruisraket. Dat was in de jaren tachtig, de tijd dat je bij sommige gemeenten wanneer je daar binnenreed pontificaal ‘kernwapenvrije zone’ kon lezen, net onder het plaatsnaambord. Ik begreep dat toen al niet zo goed: zou zo’n kruisvluchtwapen (de correcte term, alleen gebruikt door slechteriken en voorstanders) een sierlijke zwenking naar rechts maken, om vooral maar niet in de verkeerde zone te belanden? Het leek me nogal wishful thinking.

Maar nu, ruim dertig jaar later, is het dan echt volbracht. Een meerderheid van de Nederlanders geeft God een rotschop, zodat Hij pardoes buiten onze landsgrenzen belandt. Over de schutting bij België. Opgeruimd staat netjes.

Het Sociaal Cultureel Planbureau kwam met het rapport ‘God in Nederland’, dat vanaf 1966 om de tien jaar uitkomt, en wat blijkt nu, in dit jubeljaar: voor het eerst maken de niet-gelovigen de meerderheid uit in dit land, atheïsten en agnosten samen komen op 59 procent, en wie blijft zeuren dat dit een onverbeterlijk calvinistische kikkerlandje is, zit er naast: dit zijn de harde cijfers. Wie niets ziet in God, of, om met Karel van het Reve te spreken, ten diepste overtuigd is van ‘de ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’, slaakt nu een zucht van verlichting. Misschien zelfs van de Verlichting – dan is de eeuw waarin alleen de Rede nog telt eindelijk aangebroken, en nu definitief. Althans in Nederland. Er zijn nog missiegebieden aan te wijzen in Europa (Polen, Italië, Portugal) waar God het waagt Zijn mombakkes nog steeds boven het maaiveld uit te steken, maar ook dat zal veranderen.

Wat opvalt: de ontzagwekkende massaliteit waarmee het ongeloof om zich heen heeft gegrepen. Waren wij in de jaren vijftig en zestig nog een christelijke natie waar het merendeel van de mensen braaf ter kerke ging, tegenwoordig komt 82 procent van de Nederlanders nooit of bijna nooit in de kerk. Ja, per ongeluk stommelen we dat pittoreske abdijtje binnen in Zuid-Frankrijk.

Er wordt wel gezegd: die ontkerkelijking en dat ongeloof hebben zo’n opmars kunnen maken dankzij de individualisering. Dankzij het non-conformisme, waardoor we ons niet zomaar voegen naar de gewoonten of zeden van onze voorouders. Wij zijn samen in collectief verband hartstikke individueel geworden. We bepalen zelf wat we doen en geloven. Maar bij al de vreugde die zo’n groeiend ik-besef oproept, moet toch één kanttekening worden gemaakt. In zo’n veertig, vijftig jaar tijd zijn we allemaal toegekomen aan onze zelfontplooiing, maar het gekke is dat al die verschillende en hoogst individuele Zelven een en dezelfde kant zijn uitgerend. Weg uit de kerk. Als een kudde die massaal door de omheining breekt, zonder op- of om te kijken.

Dat kuddeachtige gedrag laat zich moeilijk rijmen met die toegenomen individualisering. Ik bedoel: hoe non-conformistisch ben je nog, als iedereen tezelfdertijd – ergens in de jaren zestig – besluit in die waanzinnige werkmansbroeken te gaan lopen, ook wel jeans genoemd. Hoeveel minderheidsmartelaarschap valt er voor de atheïst nog op te eisen, nu hij met zo velen is? Moet je nog spreken van vrijgevochtenheid, of toch van het soort non-conformisme dat zich alleen zeer groepsgewijs weet te manifesteren, alsof er toch weer collectief iets gehaald moet worden. Conform de maatschappelijke norm. De communis opinio, die wil wat in Nederland. Vroeger massaal naar de kerk, nu massaal niet naar de kerk. Wat blijft is de volgzame houding van Nederlanders, de consensuspolitiek waardoor wij op een afgesproken tijdstip allemaal eenzelfde eigen mening koesteren.

Stoottroepers zijn we van het individualisme, en wat hebben we die troepen om ons heen hard nodig.

De non-conformist vind je inmiddels in de kerk.