We drinken prik en bladeren door boeken en krantenarchieven die ik heb opgeduikeld. Mijn bezoek is niet alledaags: een 82-jarige man die als kind jarenlang in alle uithoeken van Nederland werd verstopt. Letterlijk. In kruipruimten, kelders en kasten. Als gevaar dreigde: door naar een volgend, onbekend adres bij onbekende mensen. Terwijl we praten, borrelt af en toe een scène op uit zijn geheugen. Korte mededelingen met de inslag van een vatenbom. Vader en moeder worden op Amsterdam CS opgepakt. Vader op de trein naar Sobibor, moeder een tijdje later richting Auschwitz. Vier jonge kinderen uit elkaar gehaald en in de onderduik.

We bladeren verder. The New York Times van 14 november 1938: ‘Jews on knees beg Netherlands entry. […] Netherland frontier guards have been doubled and strict orders have been given to prevent any refugee invasion.’

Een regeringsverklaring op de voorpagina van De Telegraaf, drie dagen later: ‘Afgekeurd moet worden het gedrag van Nederlanders die per auto of trein Joodsche kinderen naar Nederland proberen over te brengen. Een dergelijke ongeordende aanvoer van vluchtelingen kan uiteraard niet worden geduld. Alleen een geordende toevoer is toelaatbaar en dan nog in zeer beperkte mate.’

Mijn gast en ik praten over een boek uit 2009, dat de internationale samenhang van grensbeleid vlak voor de Tweede Wereldoorlog in kaart bracht. Daaruit bleek dat de beslissing van het ene Europese land direct effect had op de beslissing van het andere. Op 17 december 1938 sloot ook Nederland de grenzen.

Een vonk bij kerosine

De volgende ochtend dreunt de ontmoeting na, door koffie en deadlines heen; ik besluit er iets over op sociale media te zetten. Ik open Twitter en zie het voorstel van de VVD, over de strafbaarstelling van mensen die migranten op zee redden. Het criminaliseren van migranten is geslaagd, het criminaliseren van helpers is de volgende stap.

Lees ookMacht op vrijdag: Celstraf voor het redden van levens, de zoveelste proefballon van de VVD5 juli 2019

Hoewel de situaties toen en nu niet te vergelijken zijn en ik de complexiteit ervan nooit met simpele parallellen zou fnuiken, weet ik: alles wat ik vandaag zeg over grenzen of mensen in nood rondom de Duitse bezetting zal verkeerd geïnterpreteerd worden.

Ik kan de commentaren inmiddels uittekenen. ‘Hoe durf je een vergelijking te maken tussen de Jodenvervolging en hedendaagse migrantenstromen’ – ook als ik dat niet doe. ‘Ziek dat je opgejaagde mensen gelijktrekt met gelukszoekers’ – hoewel ik dat nooit schrijf. Maar ook: ‘De geschiedenis herhaalt zich’ – terwijl ik nergens die suggestie wek. Elke opmerking over de oorlog is als een vonk bij kerosine, ook als het een feitelijke constatering is en ik niets over de actualiteit zeg.

Toch weiger ik zelfcensuur. Het móét mogelijk zijn interessante vondsten en gesprekken over de oorlog te delen, ook – of misschien wel juist – in een tijd waarin die bijna dagelijks doen denken aan hedendaagse politiek. Het móét mogelijk zijn bepaalde patronen te bestuderen en bespreken, zonder te impliceren dat we weten hoe het afloopt. Wat we er in elk geval van kunnen leren, is dat ingewikkelde vraagstukken altijd op systeemniveau worden opgelost en alleen leiders met een te grote broek aan hun toorn op individuen richten.

Dus blijf ik opschrijven wat ik zie, lees en hoor over de geschiedenis. Niet om als een Baudetiaanse schaduwprediker simplistische doemconclusies te trekken, maar omdat zwijgen over het verleden nog nooit iets goeds heeft gebracht.