Dit verhaal wordt voorgelezen door hoofdredacteur Ward Wijndelts.
‘De maatschappij. Dat ben jij.’ Even voor de eeuwwisseling, in 1998, lanceerde Stichting Ideële Reclame SIRE een grote landelijke campagne waarin deze slogan centraal stond. Het doel: tegenwicht bieden aan de algehele maatschappelijke verharding, de vervaging van normen en waarden en de sterker wordende individualisering. Een publieke poging om het zwaartepunt weer meer bij het collectieve belang te leggen.
Zelf was ik destijds hoogstens twee jaar oud, maar ik ken ’m wel, die spreuk.
Ondertussen zijn we ruim twintig jaar verder. De sociale verschillen van toen vallen haast in het niet bij wat we vandaag zien. Academisch en praktisch geschoolden leven vaak letterlijk mijlenver uit elkaar, (extreem)rechts groeit verder door en stad en periferie lijken elkaars taal steeds minder te spreken. Het vertrouwen in de overheid is in 2021 op een all time low beland. Volgens onderzoekers van de Erasmus Universiteit heeft Nederland het karakter van een ‘laag-vertrouwensamenleving’ gekregen.
We moeten iets, dat is duidelijk. Maar opper je vervolgens dat je, bijvoorbeeld, een maatschappelijke dienstplicht wel ziet zitten, dan loop je de kans menige gesprekspartner te laten steigeren. Dienst-plícht? Wij? Dat is toch iets van vroeger? We moeten al genoeg in Nederland!
Die weerzin tegen plicht is op meer plaatsen in de samenleving voelbaar. Kijk maar naar de discussies over vaccinatieplicht, zorgplicht en zelfs belastingplicht. De onderliggende gedachte: ik neem toch zelf verantwoordelijkheid voor mijn eigen leven, waarom zou ik de samenleving dan iets verschuldigd zijn?
Het is niet zo dat we egoïsten zijn geworden, maar we willen geen plichten meer, zegt Monique Kremer, bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Al vanaf de jaren zestig zette die ontwikkeling in, waarbij steeds meer mensen streefden naar steeds meer vrijheid. Met de liberale wind die vanaf de jaren negentig is gaan waaien, kwam de nadruk nog meer te liggen op eigen keuzes en eigen verantwoordelijkheid. Plichten pasten niet meer in dat plaatje. Kijk naar de participatiesamenleving. De meeste mensen vinden het mooi dat er iets dergelijks is, als je het definieert als “iets voor een ander betekenen”. Maar als je de participatiesamenleving ziet als een bezuinigingsoperatie, waarbij je wordt geacht om voor je buurvrouw te zorgen, dan gaan de nekharen overeind staan.’
Dat wil overigens niet zeggen dat we niks voor elkaar doen, zegt Kremer. In november 2020 gaf ze de Marie Kamphuis Lezing voor de gelijknamige stichting, vernoemd naar een van de grondleggers van het moderne maatschappelijk werk. De hamvraag: is er nog wel voldoende solidariteit? Uit haar pleidooi: ‘Het optimistische antwoord is ja. Er wordt in Nederland veel vrijwilligerswerk gedaan, meer dan in veel andere Europese landen.’
Maar, zet ze daar tegenover, de scheidslijnen in onze samenleving verdiepen zich wel steeds verder. ‘We ontmoeten “elkaar” steeds minder. Met name lager opgeleiden en hoger opgeleiden komen vaak weinig buiten hun eigen bubbel en leven haast afgezonderd van andere groepen. Ze werken op andere plekken, ze kijken andere tv-programma’s en hun kinderen gaan naar andere scholen. Het gevaar daarvan is dat men zich steeds minder in elkaar herkent, en elkaar daarmee minder vertrouwt.’
Contacthypothese
De afname van de sociale cohesie is in volle gang en het ziet er niet naar uit dat die op een natuurlijke manier gestuit zal worden. Veel maatschappelijke discussies verzanden al in een modderstroom van vooroordelen voor ze überhaupt van start gaan. En de grote pijnpunten bevinden zich op steeds meer uiteenlopende assen: opleidingsniveau, etniciteit, sociaal-economische positie en stedelijkheid. Niet zo gek dat we ons steeds minder goed lijken te kunnen inleven in anderen, nu we die ‘anderen’ niet eens hoeven te kennen, zelfs niet te hoeven tegenkomen. Is dat de individuele burger nog te verwijten, of ligt het aan ons sociaal gesegregeerde systeem?
Waar vooroordelen verdwijnen, ontstaat ruimte voor begrip.
In zijn boek The Nature of Prejudice (1954) beschrijft Harvard-psycholoog Gordon Allport hoe contact tussen groepen een positief effect kan hebben op heersende vooroordelen. Hij bestudeerde en bundelde daarvoor eerdere onderzoeken over de effecten van contact tussen verschillende groepen (‘intra-groepscontact’). Zo net na de Tweede Wereldoorlog lag vooral een sterke focus op interraciaal conflict. Allport ging na welke factoren op welke manier bijdragen aan stereotypering, vooroordelen en discriminatie tussen groepen.
Op basis van zijn bevindingen ontwikkelde hij de zogeheten contacthypothese, die binnen de sociale psychologie nog altijd wordt gezien als een toonaangevende theorie: interpersoonlijk contact tussen groepen kan vooroordelen verminderen, tolerantie versterken en daarmee conflicten in de kiem smoren.
Waar vooroordelen verdwijnen, ontstaat ruimte voor begrip. Of: waar zich wederzijds begrip ontwikkelt, nestelen vooroordelen zich minder venijnig. Immers: assumption is the mother of all fuck-ups.
Allport zag vier voorwaarden voor zijn contacthypothese: gelijke status, gemeenschappelijke doelen, samenwerking en institutionele steun. Hij schrijft: ‘Alleen het soort contact dat mensen ertoe aanzet om dingen samen te doen, zal waarschijnlijk resulteren in een veranderde houding.’
Was er maar een systeem te bedenken waarop we mensen uit alle lagen van de samenleving op een laagdrempelige manier zouden kunnen samenbrengen, ze een gezamenlijk doel zouden kunnen geven en dat overkoepelend institutioneel zouden kunnen begeleiden.
Gelijke monniken, gelijke kappen
Denkt u wat ik denk?
Juist. Het basisidee is eigenlijk simpel: zet mensen na de middelbareschooltijd, wanneer het einde van de adolescentie in zicht is (biologisch dan), gedurende een bepaalde periode structureel in voor een nader in te vullen sociaal doel of project. Iedereen. Gelijke monniken, gelijke kappen. Geen strafkamp, geen heropvoedingscursus en geen corvee, maar gewoon de start van je volwassen bestaan. Je geeft er het signaal mee: wie je bent, maakt niet uit, wat je samen doet des te meer.
De mogelijkheden zijn eindeloos. En het fundament ligt al klaar. De christendemocraten − toen nog onder leiding van Sybrand Buma − maakten er tijdens de verkiezingscampagne van 2017 namelijk al een van hun speerpunten van. ‘Het leert jongeren dat een sterke samenleving betrokkenheid van alle burgers vraagt,’ zo leest het CDA-partijprogramma, ‘en versterkt daarnaast de verbinding met de maatschappij en het besef van normen en waarden.’
Blije gezichten
Het CDA-plan kwam er niet helemaal doorheen, maar de Rijksoverheid tuigde wel een vrijwillige light-variant op: de Maatschappelijke Diensttijd (MDT) − het p-woord werd er vakkundig uitgesloopt. Die MDT kwam enigszins moeizaam op gang, maar loopt nu aardig door. ‘Doe je mee met MDT, dan ontdek je je talenten en doe je tegelijkertijd iets voor een ander,’ is te lezen op de website. Dat kan vanaf een paar uur tot een paar dagen per week: ‘Dat is jouw keuze’. Slim, zo’n liberale touch.
Online kun je een sneltest doen om ‘jouw’ MDT-project te vinden. Ik vul de vragen over mijn interesses, de tijd die ik eraan wil besteden en wat ik er zelf hoop uit te halen zo breed mogelijk in. Honderden opties rollen zich uit. Van seniorcoach worden bij project Jong + oud = goud tot Zuid voor Zuid Feyenoord, waar je door een professional van de club begeleid wordt om als rolmodel iets te doen voor je wijk. Veelal bestaande landelijke of lokale projecten, maar dan ondergebracht onder de paraplu van Maatschappelijke Diensttijd. Onder het tabblad ‘Zij gingen je voor!’ kijken tientallen jonge, blije gezichten me aan.
Iets terug verwachten
Toegegeven: de mensen die zich aanmelden voor zo’n traject of uit zichzelf een dag helpen bij de Voedselbank of taallessen geven in azc’s, zijn vaak juist al een stap verder in hun burgerschapsdenken.
De zelfselectie maakt het principe van vrijwilligheid ingewikkeld. Hoe beweeg je de meute ertoe om zich in te zetten voor zoiets abstracts als ‘je land’, zeker nu dat narratief voornamelijk wordt geclaimd en geframed door extreemrechts?
‘Het gaat niet om het woord plicht, het gaat om het woord dienen. Jij dient de samenleving.’
Ik leg mijn overpeinzingen voor aan generaal in ruste Peter van Uhm, voormalig commandant der Strijdkrachten. Ook hij spreekt zich de laatste tijd vaker en feller uit voor een dienstplicht voor alle jongeren in Nederland. Maatschappelijk, welteverstaan, van militaire dienstplicht is hij allang geen voorstander meer.
‘Kijk, ik ben een positivo, ik zie heel mooie dingen gebeuren. Maar ik zie ook een generatie die niet goed weet wat hun rol is als burger, omdat dat ook steeds lastiger is om je vinger op te leggen. Juist die rol moeten we weer meer gaan benadrukken. Het gaat niet om het woord plicht, het gaat om het woord dienen. Jij dient de samenleving. En daar krijg je iets voor terug.’
En dat is waar het tegelijkertijd ook schuurt. Iets als ‘de samenleving dienen’ laat zich niet makkelijk terugbetalen in iets snels, concreets of zichtbaars, terwijl we als individuen wel geprogrammeerd zijn om te vragen: what’s in it for me?
Bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap Monique Kremer: ‘Burgerschap, en ook solidariteit, is bij uitstek gestoeld op wederkerigheid. Maar daarbij gaat het vaak over uitgestelde wederkerigheid. Dat vergt vertrouwen: in elkaar en in de overheid. Dat je weet dat de ander zijn best doet, de boel niet belazert. Dat je er op den duur iets voor terug kunt verwachten.’
Nieuw perspectief
MDT heeft in eerste instantie een tamelijk individuele focus: leren over jezelf, trainingen volgen die jij interessant vindt, een officieel certificaat aan jouw muur, handig voor het optimaliseren van je eigen toekomst. Ergens voelt dat scheef. Je steentje bijdragen zou toch intrinsiek gemotiveerd moeten zijn, en niet instrumenteel?
Van Uhm: ‘Het gaat er eerder om dat je inzet op het creëren van een nieuw perspectief. Kun je het jongeren kwalijk nemen dat ze niet intrinsiek gemotiveerd zijn als ze zich niet kunnen voorstellen wat ze er aan zouden kunnen hebben? Daarom moet je dat laten zien. En laat daarbij de gedeelde ervaring het werk maar doen. Bedenk dat het voor sommige jongeren misschien wel de eerste keer is dat ze zich realiseren dat ze werkelijk iets kunnen bijdragen.’
Waar de militaire dienstplicht onder oudste zonen dwarsverbanden tussen leefwerelden creëerde vanuit de barakken, kan een moderne Maatschappelijke Diensttijd dat over de gehele breedte van de samenleving teweegbrengen, meent Van Uhm.
Een belangrijke pijler van zo’n Maatschappelijke Diensttijd is juist dat generieke samenwerken, vertelt Erik Noordam, luitenant-ter-zee en medeverantwoordelijk voor de MDT-trajecten bij Defensie. ‘Een diensttijd zonder militaire poespas, maar wel met daadkracht en leiderschap. Het kan van extreme meerwaarde zijn voor de Nederlandse samenleving als je jongeren buiten hun eigen sociaal-economisch-culturele bubbel met elkaar successen laat vieren. Zie het als een maatschappelijk middel om de verkokering in de samenleving tegen te gaan en jongeren een eerste zetje te geven niet meer enkel te willen leven tussen mensen die in veel opzichten op hen lijken.’
‘Als je dit halfslachtig doet, dan kun je het beter niet doen.’
Gelijke status, gemeenschappelijke doelen, samenwerking én institutionele steun: in de voorwaarden die Allport stelde, ligt dus ook een grote rol voor de overheid. Die moet willen uitstralen dat je de erkenning krijgt die je verdient als je je structureel inzet voor de samenleving. Dat je cv dan een streepje voor heeft bij potentiële werkgevers.
Juist daar zit ook een opening, ziet Noordam. ‘Waar het vroeger goed stond op je cv om bij je studentenvereniging een bestuursjaartje te hebben gedaan, komt er in die plaats nu ruimte voor iets anders, iets maatschappelijks. Slowly but steady, op een tempo waarin we kwaliteit kunnen garanderen. Het moet geen simpel afvinklijstje worden. Als je dit halfslachtig doet, dan kun je het beter niet doen. En als succesverhalen zich opstapelen, is verplichtstelling van een diensttijd niet eens nodig.’
Heb je laten zien dat een zinvolle invulling van burgerschap iets oplevert, dán kun je ook verwachten dat mensen zich willen blijven inzetten voor de maatschappij, denkt Noordam. ‘In feite creëer je een soort nieuw collectief vangnet, dat niet alleen in tijden van crisis, maar altijd kan opschalen.’
Lobbyen voor empathie
Van conservatief rechts (‘Oranje boven!’) tot progressief links (‘Verbinding is key!’) kun je een frame bedenken waarbinnen een maatschappelijke dienstperiode zou passen. Maar alles staat of valt bij daadkracht, dat is duidelijk. Van Uhm: ‘Heel Den Haag knikt instemmend als je voorstelt dat we iets moeten met de segregatie onder jongeren. Maar als je dan vraagt: wat ga jíj doen, dan blijft het stil.’
Uit angst voor gezichts- en zetelverlies lijken de meeste partijen tot nu toe huiverig om zich daadkrachtig uit te spreken voor Maatschappelijke Diensttijd. Diezelfde aarzeling werkt door in de bekostiging, want stel je voor dat je honderden miljoenen zou investeren in iets dat ‘niet zou werken’.
Net als veiligheid is sociale cohesie een gepolitiseerd onderwerp geworden. Maar wie durft er te lobbyen voor empathie?
Noordam: ‘Als je hiervoor gaat, dan ga je voor het lange commitment. En dan kun je inderdaad niet over een half jaartje zeggen: het werkt, of het werkt niet. Dat ga je over twintig jaar kunnen zeggen. En dat vinden we lastig, tegenwoordig. Maar over twintig jaar heb je dan wel mensen die kunnen terugkijken op hun diensttijd, trots zijn dat ze dat gedaan hebben en het hebben meegenomen in de rest van hun leven. Dat is dan je inzet. Maar voor dat langetermijndenken lijkt binnen de overheid weinig plaats.’
Sinds 2020 krijgen alle jongens én meisjes die zeventien jaar worden de dienstplichtbrief op de mat. Afzender van de brief: de minister van Defensie. In de brief wordt uitgelegd dat de militaire dienstplicht niet is afgeschaft, maar de opkomstplicht sinds 1997 wel is opgeschort. ‘Die brief zou een mooi middel zijn om de maatschappelijke diensttijd bij jongeren onder de aandacht te brengen,’ vindt Noordam. ‘Zo breng je naast een historische duiding van de militaire dienstplicht − die er vrij droog in staat beschreven − ook een moderne invulling van het dienen van de samenleving onder de aandacht. Niet als werving voor Defensie, of als nationalistische propaganda, maar als een kennismaking met burgerschap die meer tot de verbeelding spreekt en jongeren ook bewust kan maken van het palet aan keuzes.’
Segregatie en polarisatie alleen maar blijven hekelen, gaat de kloven niet dichten. Een diensttijd is verre van een totaaloplossing, maar misschien wel een ondergewaardeerde troef. Je plant een zaadje. De maatschappelijke oogsttijd verschilt voor iedereen, maar het is wel de eerste kiem van burgerschap. Streef je naar meer gelijkheid, dwing die dan ook institutioneel af.
‘Het is erg makkelijk “de” maatschappij de schuld te geven,’ leest de SIRE-campagne uit 1998 verder. ‘Wij vormen die maatschappij zelf. En wij moeten er dus zelf verantwoordelijkheid over nemen.’ Naar de woorden van generaal Van Uhm: verbinden doe je niet door je hand uit te steken, dat doe je door voor iemand je nek uit te steken.



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.