Tot de geneugten van het atheïsme behoort dat de aandacht voor wat zich op aarde afspeelt diepgaander en vruchtbaarder is dan de aandacht die wordt besteed aan de hemel. Dat leert het nieuwe Atheïstisch woordenboek.

Wat zouden Matisse, Tsjechov, Philip Roth, Amos Oz, Kafka, Man Ray en Sempé met elkaar gemeen hebben? Dat ze een levendige, kleurrijke en interessante kijk op alles hebben, en géén geloof aanhangen. Volgens menig hedendaags filosoof (Jürgen Habermas, Slavoj Zizek, Roger Scruton, Susan Neiman, Alain de Botton) zou hun wereldbeeld daarom ‘mager’ zijn, zonder iets dat groter is dan zij zelf. Het ontbreken van iets groters dan jezelf is kenmerkend voor ‘het seculiere vertoog’, schrijft Hans Boutellier in zijn boek Het seculiere experiment. Ook al vindt hij dat onze seculiere tijd, met zijn geprivatiseerde geloof, er geen ‘zooitje’ van heeft gemaakt, Boutellier heeft toch heimwee naar ‘een bezielend gedeeld verhaal.’

Daarover staat natuurlijk niets in Het atheïstisch woordenboek dat Paul Cliteur en Dirk Verhofstadt hebben samengesteld. Een echt woordenboek is het eigenlijk niet, eerder een kleine encyclopedie van zo’n driehonderdvijftig pagina’s met lemma’s die kleine essays zijn. Nu religie in een heel vage gedaante weer op sympathie kan rekenen, dreigt het atheïsme de bête noir te worden die het feest van verzoening en begrip tussen allerlei informele religieuze richtingen, van ietsisme tot spiritualisme, komt bederven. Hoe dun ook, het is alsof er weer zo’n gedeeld bezield verhaal aan het ontstaan is, alleen nu niet gesteund door kerkelijke organisaties.

Dirk Verhofstadt, 2005. Foto: Tim Dirven/panos/HH

Er komt natuurlijk het nodige in het boek voor dat niet zo gunstig is voor de monotheïstische religies: Luther die het anti-joodse pamflet Over de joden en hun leugens schrijft, Thomas van Aquino die de ketters gedood wil zien, of dat Theo van Gogh werd vermoord in de geest van Deuteronomium 13:6-13. Er komt ook een aardig rijtje notoir ongelovigen langs, met Multatuli, Guus Kuijer, Rudy Kousbroek, Ayaan Hirsi Ali en Karel van het Reve. Er zijn lemma’s over godslastering, de goddelijke bevelstheorie (als God het zegt is het goed), islamofobie, creationisme, haatzaaien, koningin Beatrix die in een kersttoespraak geen verschil maakt tussen extremisme in woord en daad. Je doet ook ontdekkingen: ik had nooit eerder gehoord van Jean Meslier, ‘de grootste en meest consistente atheïst van de achttiende eeuw’, die de jaloezie van Voltaire opwekte.

Over het aantrekkelijke van niet geloven gaat het natuurlijk niet speciaal in Het atheïstisch woordenboek, dat zou wat al te subjectief worden. Maar daar zou wel iets over te zeggen zijn. Tot de geneugten van het atheïsme behoort dat de aandacht voor wat zich op aarde afspeelt diepgaander en vruchtbaarder is dan de aandacht die wordt besteed aan de hemel. Het enige dat de hemel kan bieden is de troost dat je er na je dood misschien in mag belanden. Dat men in de zeventiende eeuw de vinger gods zag in de wonderen der natuur, zoals in het oog van een vlieg, wil niet zeggen dat het wonder van het oog minder wordt als je de vinger gods er nu niet in ziet. Het oog van de vlieg heeft zijn eigen autonome wonderstatuur. Zo is God ook niet nodig voor de moraal. Wie niet gelooft, heeft ook zo zijn geboden, zei Pierre Bayle: ‘atheïsme hoeft niet noodzakelijk tot zedenbederf te leiden.’ Over het algemeen hoeft iets niet door God gesanctioneerd te worden om bestaansrecht te hebben. Beter niet zelfs: zonder goddelijke sanctie komt de intrinsieke betekenis van iets beter tot zijn recht. God is dan eerder een hinderlijke bemoeial.

Het Atheïstisch Woordenboek is uitgegeven door Uitgeverij Houtekiet.