Het had zo mooi kunnen zijn, een satirische roman over de Franse filosofen (Michel Foucault, Gilles Deleuze, Roland Barthes) die alomtegenwoordig waren in het laatste kwart van de vorige eeuw. Maar Laurent Binet maakt er een potje van.
Vijf jaar verdiepte Laurent Binet zich in het werk van de Franse filosofen Roland Barthes, Michel Foucault, Julia Kristeva, Philippe Sollers, Hélène Cixous, Jacques Lacan, Gilles Deleuze en Jacques Derrida om zijn roman De zevende functie van taal te kunnen schrijven. Het zijn bepaald filosofen waar wel een roman over te schrijven valt. Ze waren de meest spraakmakende denkers van de vorige eeuw, op wereldschaal gezien zelfs. Van China tot de Verenigde Staten, van Afrika tot Denemarken werden ze gelezen. Er was zware kritiek op hun vaak ondoorzichtige werk, maar dat maakte lange tijd weinig indruk omdat ze vanaf de jaren zestig de tijdgeest mee hadden. Ze hielden er globaal dezelfde manier van denken op na, of ze nu poststructuralist, neo-marxist, deconstructivist, semioticus of een husseltje van dit alles waren.

Het genre van satirische sleutelroman die zich afspeelt in literaire, filosofische of academische kringen is, mits in goede handen, een aantrekkelijk genre, denk maar aan Malcolm Bradbury’s History Man en David Lodge’ Changing Places. Mits in goede handen, en dat zijn niet de handen van Laurent Binet. Hij gebruikt de ideeën en seksuele escapades van zijn slachtoffers louter als lollig materiaal. Ze worden allemaal als even onzinnig behandeld. Deze grote namen, die Binet in interviews huichelachtig zegt te bewonderen, treffen we vooral aan in snel vervelende seksuele situaties. Het is dat ze alle standjes overal beoefenen, anders zou je denken dat Parijs één matras was.
Dat Roland Barthes, rond wiens dood zich alles afspeelt, vaak op zoek ging naar jongens, dat Michel Foucault in dark rooms te vinden was, dat Judith Butler een macho lesbienne is: het zijn allemaal ‘verlangensmachines’ die zich het liefst uitleven tijdens kolderieke filosofencongressen waar Jacques Derrida wordt doodgebeten door een hond, Judith Butler het met een dildo om doet met de politiecommissaris (‘I am a man and I fuck you!’), Michel Foucault masturbeert voor een poster van Mick Jagger, Julia Kristeva bijna wordt verkracht, Noam Chomsky en Camille Paglia staan te tongzoenen. Het Anatomisch Theater in Bologna wordt gebruikt voor een potje neuken. Bij een seance van een esoterisch genootschap worden voor straf vingers afgehakt. Op een kerkhof wordt een van de hoofdpersonen ritueel gepijpt en kaalgeschoren, begeleid door vervaarlijk blaffende honden. In het boek wordt zoveel gefuckt, en valt woord ‘fuck’ nog vaker: er zou inmiddels een boete moeten worden uitgeschreven voor diegene die dat woord gebruikt. De plot is een imitatie van De naam van de roos en De Da Vinci Code. Zoals bij Eco een geheim manuscript en bij Brown een geheime code gevonden moet worden, zo moet bij Binet een verdwenen manuscript van Roland Barthes weer in goede handen komen.
Na zestig pagina’s bekropen werd door de demonische gedachte dat ik nog meer dan driehonderd pagina’s te gaan had.
Het gaat over de zevende, ‘performatieve’ functie van de taal: dat het uitspreken van een bepaalde zin tegelijk al een daad is: ‘zeggen is doen’. Binet maakt van deze absurdistische detective een farce wanneer hij als auteur van tijd tot tijd komt opdraven om commentaar te leveren, bijvoorbeeld dat een van zijn personages zich beklaagt dat hij ‘in handen is van een perverse, wispelturige romanschrijver.’ Elke beroemde naam (Bernard Henri Lévy, Monica Vitti, Michelangelo Antonioni, Antonio Gramsci, John Searle) wordt als uithangbord en merk gebruikt. Van de uitsmijter van een club wordt vermeld dat hij een Gucci-zonnebril draagt, een Prada-horloge, een Versace-kostuum en een Armani-stropdas. Het zou me niet verbazen als de schrijver zijn rekeningnummer bij die merken had achtergelaten. Het knapste van Binet is dat hij het schrijven van deze meligheid 437 pagina’s heeft volgehouden, terwijl ik na zestig pagina’s bekropen werd door de demonische gedachte dat ik nog meer dan driehonderd pagina’s te gaan had. Ik moest denken aan wat een van de personages zegt: ‘Ik geloof dat ik klemzit in een kloteroman.’
De zevende functie van taal van Laurent Binet is uitgegeven door Meulenhoff. Bestel het hier.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.