Opnieuw relevant, want
De PVV bestaat 15 jaar en de partij van sterke man Geert Wilders ligt richting de verkiezingen opnieuw op ramkoers met het establishment – ongeacht onthullingen over wangedrag en fraude door Kamerlid Graus. Thijs Broer stelde in 2017 de vraag hoe fascistisch de partij is.
Voor critici van Geert Wilders was de timing van een sublieme ironie: uitgerekend tijdens het Catshuisberaad in maart 2012, toen VVD, CDA en PVV het eerste wankele kabinet van Mark Rutte overeind probeerden te houden, publiceerde filosoof en VVD-senator Sybe Schaap zijn boek Het rancuneuze gif. De opmars van het onbehagen. In een van de hoofdstukken in zijn doorwrochte studie betoogde Schaap dat het rechts-populisme van de Partij voor de Vrijheid in menig opzicht deed denken aan de jaren ’30. ‘Ten tijde van de NSB bleken de instituties nog zo sterk te zijn dat deze beweging kon worden geïsoleerd en gemarginaliseerd,’ schreef Schaap. ‘Dit zou thans weleens problematischer kunnen zijn.’
‘De VVD ziet helemaal níéts in vergelijkingen tussen de PVV en de jaren ’30.’
Prompt regende het bedreigingen via internet. Dat vond Schaap nog tot daaraan toe, zegt hij achteraf, thuis in Emmeloord waar hij zijn loopbaan als akkerbouwer begon: ‘Zulke verwensingen zijn tegenwoordig normaal, die krijgt iedere politicus om zijn oren.’ Wat hem wél in het verkeerde keelgat schoot, is dat de top van de VVD hem kort voor de publicatie zwaar onder druk zette: hij moest het boek niet uitbrengen, of publicatie op zijn minst uitstellen tot ná het Catshuisberaad. ‘Ik zei: daar ben ik níét toe genegen. Dit is geen politiek boek, het is een puur filosofisch werk.’ Even later kreeg Schaap bovendien bericht van de uitgever dat zijn boek al van de drukpersen was gerold. Daarop nam VVD-leider Mark Rutte meteen openlijk afstand van zijn geleerde partijgenoot: ‘Wij zien helemaal níéts in vergelijkingen tussen de PVV en de jaren ’30 en daar filosofisch van alles van te vinden,’ verklaarde hij voor de camera van de NOS. ‘Wij zien die link niet. Ik ben het daar niet mee eens, en werp dat ook van mij.’
Tegendraadse senator
Tussen Rutte en Schaap kwam het al snel weer goed: ‘Ik moest toch wát?’ sprak de premier laconiek toen ze elkaar kort daarna op het Binnenhof tegenkwamen, gevolgd door een klap op de schouder. ‘Zo is Mark: niks aan de hand, even goede vrienden.’ Maar in september afgelopen jaar was het wéér raak, toen Sybe Schaap in zijn nieuwe boek Rechtsstaat in verval. Over de lange mars door de instituties de vergelijking tussen de PVV en de jaren ’30 verder uitdiepte aan de hand van het gedachtengoed van PVV-ideoloog Martin Bosma.
In een van de hoofdstukken betoogde de tegendraadse senator dat de NSB indertijd tenminste nog tegengas kreeg van andere partijen met een sterke eigen ideologie, in tegenstelling tot de PVV nu. En dat het nationaal-socialisme, het fascisme en het communisme aanvankelijk nog partijorganisaties en daardoor tegenspraak kenden, terwijl de PVV als vereniging met één oppermachtig lid – Geert Wilders – elke vorm van interne democratie en tegenspraak systematisch buiten de deur houdt. In dat opzicht, schreef hij, leidt Wilders zijn partij ‘als een alleenheerser die zelfs het nationaal-socialisme niet heeft gekend’.
Toen Schaap die analyse naar voren bracht in een interview met Trouw, waarbij hij er voor de zekerheid nog eens op wees dat Wilders niet oproept tot geweld en natuurlijk géén massamoordenaar zoals Hitler is, werd hij eerst gecomplimenteerd vanuit de partijtop: ‘Geweldig man, mooi stuk!’ Maar kort daarop bleek het toch anders te liggen, toen VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra de vergelijking voor de camera’s ‘idioot’ noemde: ‘Daarmee zet je niet alleen de PVV weg, maar al die mensen die zich zorgen maken om de ontwikkelingen in dit land. Wat de heer Schaap feitelijk doet, is mensen die zich zorgen maken wegzetten als NSB’ers en dat vind ik sowieso fout.’
‘Daar ben ik achteraf nog steeds nijdig over,’ zegt Schaap. ‘Zijlstra haalde naar me uit in de media, terwijl hij mijn boek nog niet eens had gelezen. Ik zet helemaal níémand weg als NSB’er, ik laat alleen de opvallende overeenkomsten in het gedachtengoed zien. Daar hebben die bezorgde PVV-stemmers uiteindelijk meer aan dan dat je ze naar de mond praat. Hoe kan het dat een liberale partij als de VVD zo krampachtig met de vrijheid van meningsuiting omgaat? In de wetenschap moet je élke vergelijking kunnen maken, zolang je die maar goed onderbouwt. Ik heb er in mijn eerste boek al op gewezen dat het weinig zin heeft de PVV of haar leiders af te doen als fascistisch. Maar dat ontslaat je niet van de verantwoordelijkheid raakvlakken te benoemen die er wel zijn. Kennelijk rust er in Nederland zo’n taboe op vergelijkingen met de oorlog, de jaren ’30 en het fascisme dat je er zelfs in een wetenschappelijke studie niet over mag beginnen.’
Terwijl de overeenkomsten naar Schaaps overtuiging evident zijn: het mobiliseren van ressentiment, het propageren van een apocalyptisch toekomstbeeld, het koesteren van een nostalgisch beeld van het nationale verleden, de weerzin tegen de ‘progressieve elite’, het aanzetten tot haat tegen andere bevolkingsgroepen, de uitholling van de vrijheid van godsdienst en onderwijs door te pleiten voor een verbod op de Koran en islamitische scholen, het ‘minder, minder, minder Marokkanen’ waarmee een hele bevolkingsgroep tot tweederangs burgers werd verklaard.
Vooral het boek De schijn-élite van de valse munters van PVV-Kamerlid Martin Bosma, boordevol jaren ’30-retoriek over de ‘volksgemeenschap’, laat volgens Sybe Schaap zien waar de PVV werkelijk voor staat. ‘Ik vind niet dat je daar met een boog omheen moet lopen omdat sommige mensen aanstoot aan die vergelijking zouden kunnen nemen.’
Landverraders
In de onenigheid tussen Sybe Schaap en de top van de VVD speelde uiteraard het politieke en electorale belang mee: in 2012 wilde Rutte de relatie met de gedoogpartner niet verstoren, in 2016 deed Zijlstra zijn best de twijfelende PVV-kiezer niet voor het hoofd te stoten in de aanloop naar de verkiezingen van 15 maart.
Iets soortgelijks maakte historicus Thomas von der Dunk al mee toen hij in 2011 een lezing zou houden in het Haarlemse Provinciehuis waarin hij uiteen wilde zetten dat er een nieuw taboe bestaat op het trekken van parallellen met de oorlog en de jaren ’30 en dat de PVV wel degelijk overeenkomsten vertoont met de NSB. De lezing werd afgelast omdat men de tekst op het Provinciehuis ‘te politiek’ vond, waarna bleek dat toenmalig PVV-Statenlid Hero Brinkman fel tegen de lezing had geprotesteerd: kennelijk was de lieve vrede in het provinciebestuur meer waard dan het vrije woord.
Maar ook als zulke politieke en electorale belangen niet op het spel staan, worden serieuze pogingen om historische parallellen te trekken tussen het hedendaagse rechts-populisme en fascistische bewegingen in de jaren ’30 in het publieke debat al snel versleten voor onhistorische onzin, linkse stemmingmakerij of pogingen om het rechts-populisme te demoniseren. In de eerste plaats natuurlijk door Wilders zelf, die vorig jaar bij de publicatie van Sybe Schaaps tweede boek meteen terugsloeg op Twitter: ‘De partij die islamofascisme in NL mogelijk maakt vergelijkt PVV met NSB en noemt miljoenen NL-ers dus landverraders.’
‘Het taboe op jaren ’30-vergelijkingen wordt in brede kring gedragen.’
Wilders is niet de enige: het taboe op zulke vergelijkingen is de afgelopen jaren in brede kring gedragen. In het Nederland van na Pim Fortuyn, waar de PVV langzamerhand onderdeel is geworden van het meubilair, wordt met verbazing gereageerd als buitenlandse journalisten het wél wagen de ideeën van Geert Wilders met het fascisme te vergelijken, zoals een BBC-verslaggever laatst nog deed in een interview met Wilders in de aanloop naar de verkiezingen van 15 maart: ‘Some say you’re a bit of a fascist.’
In Nederland vellen ook critici van het rechts-populisme al snel het oordeel dat zulke vergelijkingen mank gaan en in elk geval niet productief zijn, omdat ze de discussie dood zouden slaan. Wie zich wel aan zulke historische parallellen waagt, krijgt al snel niet alleen de hoon van PVV-aanhangers over zich heen, maar ook de kritiek van de progressieve intelligentsia.
Dat maakte ook Rob Riemen mee, de oprichter en directeur van het Nexus Instituut die al enige decennia intellectuelen als Mario Vargas Llosa, György Konrád, Michael Ignatieff en Robert Kagan voor zijn conferenties naar Nederland haalt. Toen hij eind 2010 het essay De eeuwige terugkeer van het fascisme publiceerde, regende het niet alleen doodsbedreigingen via internet, maar ook harde, persoonlijke verwijten in de gevestigde media.
‘Wie Wilders een fascist noemt, bestrijdt hem, al dan niet met succes, maar draagt niets bij aan de kennis van het verschijnsel,’ meende Arnold Heumakers in NRC. Volgens Elma Drayer in Trouw leek Riemens redeneertrant ‘sprekend op die van de gewraakte partijleider zelve’. NRC-columnist Afshin Ellian, zelf niet wars van media-aandacht, noemde Riemen een ‘publiciteitsgeile geest’, en Frits Bolkestein noteerde in de Volkskrant: ‘Door Wilders met het fascisme in verband te brengen, trivialiseert Riemen het werkelijke fascisme. Mussolini was nog wel wat anders dan de leider van de PVV. Rob Riemen moest zich schamen zo veel onzin de wereld in te sturen.’
De commentatoren buitelden over elkaar heen om Riemen ervan langs te geven. Daardoor verdween buiten beeld wat hij eigenlijk betoogde: dat we niet de illusie moeten hebben dat het fascisme voorgoed tot het verleden behoort, dat het rechts-populisme van nu in haar verschillende verschijningsvormen opvallende overeenkomsten met de jaren ’30 vertoont en dat wie niet van de geschiedenis leert, gedoemd is haar te herhalen.
‘Het grootste bezwaar leek te zijn dat ik het überhaupt waagde het rechts-populisme als fascisme aan te duiden,’ zegt Rob Riemen in een Amsterdams restaurant. ‘Terwijl rechts-populisme een eufemisme is voor wat ermee wordt bedoeld. Mark Rutte heeft het nu zelfs al over het “goede” en het “verkeerde” populisme. In alle landen om ons heen – Duitsland, België, Frankrijk, Engeland en ook in de Verenigde Staten – wordt véél harder geageerd tegen het rechts-populisme, dat daar ook gewoon fascisme wordt genoemd. Mijn essay over de eeuwige terugkeer van het fascisme is in andere landen ook veel beter ontvangen dan hier. In Nederland denken we dat we vooroplopen, dat wij het rechts-populisme al veel beter begrijpen. Maar in werkelijkheid steken we ons hoofd in het zand.’
Dat bleek volgens Riemen ook bij de verkiezingen van 15 maart: ‘Toen de PVV op verkiezingsavond niet aan de leiding ging, werd opgelucht gereageerd. Maar de PVV is wél de grootste oppositiepartij geworden en de linkse partijen zijn gedecimeerd. De VVD en het CDA hebben een deel van de populistische retoriek overgenomen, zoals Mark Rutte met zijn “pleur op” en Sybrand Buma met zijn pleidooi tegen de dubbele nationaliteit en voor het verplicht zingen van het Wilhelmus. Intussen is Thierry Baudet met twee zetels in de Kamer gekomen. Die is geen haar beter dan Wilders, met zijn racistische taal over de “homeopathische verdunning” van de Nederlandse bevolking. Hoe ver is ons denken al afgegleden dat we daar blij mee zijn, omdat het nóg erger had gekund?’
De PVV zou nooit zo populair zijn, zegt Riemen, als Wilders niet op zijn minst gedeeltelijk gelijk had: ‘De elite hééft de mensen ook in de steek gelaten. Niet door de grenzen open te zetten, zoals de PVV beweert, maar door geleidelijk aan het verheffingsideaal op te geven dat bijna de hele twintigste eeuw het hart vormde van de sociaal-democratie. Als burgers alleen nog als consumenten worden gezien, als alles alleen nog “leuk” moet zijn, waar moeten mensen dan de geestelijke waarden vandaan halen waarmee ze zich tegen Wilders en de zijnen kunnen verweren?’
‘In andere landen wordt rechts-populisme gewoon fascisme genoemd.’
Onderwijl grijpt het fascisme naar Riemens overtuiging in de westerse wereld om zich heen, in verschillende vormen: in West-Europa is het seculier en anti-islam, in Oost-Europa katholiek of orthodox en antisemitisch. Het steekt nu ook de kop op in de VS, waar na de verkiezing van Donald Trump steeds vaker joden en buitenlanders worden bedreigd en gemolesteerd.
‘In 1940 hield Thomas Mann een lezing in Amerika onder de titel War and Democracy. In München en later in Zwitserland had hij de opkomst van het nazisme van nabij meegemaakt, had hij gezien hoe een leider opstond die beloofde het volk te bevrijden van het establishment. Mann waarschuwde de Amerikanen dat het ook dáár kon gebeuren: “If ever Fascism should come to America, it will come in the name of freedom.” Dat is precíés wat onder Trump gebeurt. In naam van de vrijheid worden de grondrechten vertrapt, worden buitenlanders, de pers en de rechterlijke macht vanuit het Witte Huis verdacht gemaakt en worden immigranten bedreigd met deportaties. Mijn goede vriend Robert Kagan, de Amerikaanse historicus, heeft Trump ook genoemd wat hij in wezen is: een fascist. Waarom zou hij dat niet mogen zeggen? Schopenhauer zei: Eadem sed aliter: de geschiedenis herhaalt zich, alleen in een andere vorm.’
Nepdemocratie
Precies dat is de reden waarom Bastiaan Rijpkema, de jonge rechtsfilosoof uit Leiden die eind 2015 zijn veelgeprezen boek Weerbare democratie. De grenzen van democratische tolerantie publiceerde, het rechts-populisme níét met het fascisme wil vergelijken. ‘Er is ongetwijfeld iets voor te zeggen dat bepaalde trekken van het fascisme in het rechts-populisme zichtbaar zijn,’ zegt hij op het terras van Café De Ysbreeker in Amsterdam.
‘Ik zie óók dat Wilders de rechtsstaat onder druk zet, dat andere partijen zijn retoriek overnemen. Dat zijn gevaarlijke ontwikkelingen, maar ik zie het niet als fascisme. In de vrije wetenschap moet je in principe elke vergelijking kunnen maken, zonder taboes. De vraag is alleen: wanneer schiet je je doel voorbij?’
Volgens Rijpkema zijn er twee belangrijke verschillen tussen het fascisme en het rechts-populisme zoals het zich nu manifesteert. ‘De fascisten in de jaren ’30 verheerlijkten het geweld. Dan kan je van Geert Wilders en zijn geestverwanten niet beweren. En de fascisten keerden zich tegen de democratie en wilden daar een autocratisch bewind voor in de plaats stellen. Dat is bij de huidige rechts-populisten, van Wilders tot Trump, niet het geval. Zij opereren allemaal bínnen de democratie, althans: vooralsnog. Ook de uitdagers van de democratie hebben van Weimar geleerd. Dat vraagt om een fijnzinniger instrumentarium dan alleen de historische vergelijking.’
De Hongaarse premier Viktor Orbán bijvoorbeeld nóémt zichzelf een overtuigde democraat, ‘maar ondertussen werkt hij zijn belangrijkste criticus uit het constitutioneel hof, sluit hij de grootste oppositiekrant en hertekent hij de kiesdistricten zodat hij met een minderheid aan stemmen een tweederde meerderheid in het parlement kan halen. Op zúlke zaken moet je letten. De democratie is de taal waarin de rechtspopulisten het spel spelen. Als je binnen het rechtspopulisme met een soort metaaldetector op zoek gaat naar sporen van het fascisme, loop je het risico daar overheen te kijken.’
De democratie heeft een paar fundamentele zwakke plekken, zegt Rijpkema. ‘De Duitse politicoloog en jurist Karl Loewenstein heeft daar al in de jaren ’30 op gewezen. Het sluiten van compromissen, een kwaliteit van democratieën, kan in tijden van crisis snel worden uitgelegd als slap en besluiteloos. Democratie geeft dezelfde rechten aan haar uitdagers, zodat die zich kunnen organiseren. En ze laat de partijen die haar bedreigen toe tot het hart van de democratie, het parlement, zodat ze een platform krijgen. Die zwakke plekken moeten we zien te versterken.’ Daarom heeft Rijpkema een theorie van ‘weerbare democratie’ ontworpen, waarmee anti-democratische tendensen tijdig kunnen worden gedetecteerd.
‘Fascisten verheerlijkten het geweld. Dat kun je van Wilders niet beweren.’
‘Dat hoeft overigens niet te betekenen dat anti-democratische partijen sneller verboden zouden moeten worden. Dat is de paradox: de democratie kan niet anders dan de vrijheden koesteren die ook haar zwakke plekken zijn. Juist omdat de democratie zo kwetsbaar is, is het noodzakelijk democratische waarden voortdurend te onderhouden. Zoals ik het in mijn boek noem: een weerbare democratie vraagt om weerbare democraten.’
Daaruit kan op z’n minst worden geconcludeerd dat analyses die bijdragen aan de waakzaamheid en het koesteren van democratische waarden – met of zonder verwijzing naar het fascisme – niet te makkelijk terzijde moeten worden geschoven.
De fascismewijzer
In zijn standaardwerk The Anatomy of Fascism (2004) identificeert de Amerikaanse historicus Robert Paxton negen kenmerken van het fascisme, die hij bij gebrek aan een samenhangend fascistisch programma ‘activerende hartstochten’ noemt. ‘Volgens deze definitie is het fascisme tegenwoordig nog steeds waarneembaar,’ schrijft hij. ‘Het komt in alle democratische landen voor.’
- Een gevoel van een overweldigende crisis waar geen traditionele oplossingen voor bestaan.
- De groep gaat boven alles; tegenover de groep heeft men plichten die boven elk recht verheven zijn, of het nu een individueel of universeel recht is; een individu is ondergeschikt aan de groep.
- Het geloof dat de eigen groep geslachtofferd wordt, een gevoel dat elke daad tegen in- of externe vijanden rechtvaardigt, zonder wettelijke of morele grenzen.
- De vrees dat de groep door de ondermijnende effecten van het individuele liberalisme, de klassenstrijd en buitenlandse invloeden zal verzwakken.
- De noodzaak voor een hechtere integratie van een zuiverder gemeenschap, indien mogelijk met algemene instemming, of als het niet anders kan door een gewelddadig uitzettingsbeleid.
- De behoefte aan gezag door natuurlijke leiders (altijd mannelijk), culminerend in een nationale leider die hoogstpersoonlijk het lot van de groep belichaamt.
- Het instinct van de leider gaat boven de abstracte en universele rede.
- De schoonheid van het geweld en de kracht van de wil, als ze worden ingezet voor het welslagen van de groep.
- Het recht van het uitverkoren volk om anderen te domineren, zonder beperking door welke menselijke of goddelijke wet ook; of de groep hiertoe het recht heeft, hangt enkel af van de dapperheid van de groep in een darwinistische strijd.

Geert Wilders
Er zijn treffende overeenkomsten tussen het gedachtengoed van de PVV en het fascisme volgens de kenmerken van Paxton (p. 21): het gevoel van een overweldigende crisis (de dreigende overheersing door de islam), het groepsdenken (de ‘volksgemeenschap’ van Martin Bosma), het cultiveren van het slachtofferschap (de ‘demonisering’ door de progressieve elite), de vrees dat de Nederlandse identiteit door de invloed van de islam verzwakt, het dreigen met uitzetting van moslims, het leiderschap van Wilders dat boven elke tegenspraak verheven is. De dominantie van het ‘uitverkoren volk’ en vooral het verheerlijken van geweld kunnen hem niet worden toegeschreven, al schurkte hij er wel tegenaan met zijn oproep tot ‘verzet’ tegen de opvang van vluchtelingen, die werd gevolgd door een reeks gewelddadige incidenten bij asielzoekerscentra.

Vladimir Poetin
De raakvlakken van Poetins leiderschap met Paxtons definitie zijn legio: het gecultiveerde gevoel dat Rusland door interne en externe vijanden wordt belaagd, de intimidatie en vervolging van de pers en de oppositie, het stelselmatig schenden van de grondwet en het internationale recht, en de mannelijkheidscultus rond de leider. Over de vraag of Poetin geweld verheerlijkt of geweld ziet als een geoorloofd middel kan je twisten; feit is dat hij innige banden onderhoudt met criminele oligarchen, paramilitaire milities van kozakken en fascistoïde motorclubs, de Krim heeft geannexeerd en buitensporig geweld heeft gebruikt tegen de opstandelingen in Tsjetsjenië en de tegenstanders van zijn bondgenoot Assad in Syrië.

Donald Trump
Al in 2015 stelde CNN-analist Peter Bergen vast dat veel van Paxtons criteria op Donald Trump van toepassing zijn: de diepe crisis die Amerika zou bedreigen en om onorthodoxe maatregelen zou vragen, het gecultiveerde slachtofferschap van de blanke Amerikaanse arbeider, het instinct van de leider dat boven de universele rede gaat (geen leider in de westerse wereld heeft zozeer lak aan de feiten als Trump, van zijn bewering dat immigranten verkrachters zijn tot zijn leugens over het aantal aanwezigen bij zijn inauguratie). De conservatieve denker Robert Kagan voegde daar nog aan toe hoe Trump met minderheden omgaat: buitensluiten, tot zwijgen brengen en liefst deporteren. Hij doet niet aan het verheerlijken van geweld, reden waarom Bergen hem tot ‘proto-fascist’ bestempelde.

Marine Le Pen
Terwijl andere rechts-populisten zoals Wilders, de Poolse leider Jaroslaw Kaczynski en zijn Hongaarse evenknie Viktor Orbán steeds verder van de rechtsstaat afdrijven, lijkt Marine Le Pen zich tijdens haar gedroomde zegetocht naar het Elysée in omgekeerde richting te bewegen. Ze nam afstand van het antisemitisme van haar vader en vermijdt zorgvuldig ongrondwettelijke uitspraken, zodat ze gunstig afsteekt bij andere rechts-populistische leiders.
Maar de sentimenten waaraan Le Pen appelleert, passen wel naadloos in de definitie van Paxton: de angst voor het grote kwaad dat de Franse natie zou bedreigen (bestaande uit de immigratie en de islam) en de weerzin tegen de progressieve elite die Frankrijk zou hebben verraden.

Recep Tayyip Erdogan
Laatst maakte Erdogan de Nederlanders uit voor ‘aftreksels van nazi’s’, maar volgens Amnesty kan hij beter eerst bij zichzelf te rade gaan. Paxtons fascisme-kenmerken zijn grotendeels van toepassing op Erdogans bewind: het uitvergroten van de crisis die Turkije bedreigt (inclusief complottheorieën), het verheerlijken van de Turkse natie (jeugdheld: de fascistische dichter Necip Fazil), het slachtofferschap dat elke daad rechtvaardigt (zoals het bedreigen van alle Europeanen), het geweld tegen minderheden en vermeende coupplegers, het monddood maken van de progressieve pers en de rechterlijke macht, en de cultus rond zijn leiderschap: volgens de nieuwe grondwet kan Erdogan straks eigenmachtig de noodtoestand uitroepen, het parlement ontbinden en aanblijven tot 2029.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.