Volgende week zaterdag begint de Boekenweek, die dit jaar in het teken staat van Duitsland. Veel boeken die in die week verschijnen buigen zich over Duitsland en Angela Merkels genereuze aanpak van het vluchtelingenprobleem. Behoort Duitsland nu tot de morele avant-garde van Europa?

De Tijd heeft tegenwoordig geen goede pers. Wanneer het over hem gaat, zit hij altijd in het verdomhoekje omdat hij ervoor zorgt dat we geen tijd hebben. Er is altijd te weinig tijd. Rüdiger Safranski, de biograaf van Goethe, Schopenhauer en Nietzsche, wilde wel eens van die dwanggedachte af. Daarom heeft hij het in Tijd, zijn boek over de manier waarop tijd en mens elkaar beïnvloeden, over de overwinnaar van de tijd: ‘het betoverende ogenblik.’ Dat is het zeldzame moment waarop alles ineens samenvalt, door niets gestoord, geen wanklank te horen, alles lijkt met alles verbonden, de toekomst zonder een vuiltje aan de lucht. Die ogenblikken komt hij tegen bij Rilke, Hoffmannsthal, Musil en natuurlijk bij James Joyce, bij wie ze ‘epifanieën’ worden genoemd. Theodor Adorno zegt zelfs dat elk geslaagd kunstwerk zo’n onderbreking van de tijd is.

Het paradijselijke is de tijd te vlug af, en geeft hem even het nakijken.

Net als betoverende ogenblikken, onderbreken herinneringen aan een paradijselijke toestand, de loop van de tijd. Het paradijselijke is de tijd te vlug af, en geeft hem even het nakijken. In zijn boek Hun beloofde land  heeft de Nederlands-Engelse essayist Ian Buruma paradijselijke herinneringen aan zijn vakanties bij zijn grootouders, in St. Mary Woodlands in het Engelse Berkshire. Daar stond de tijd even stil. Het beviel hem daar als kind zo goed dat hij er ‘een kleine anglofiel’ van werd. Engeland had iets van het beloofde land voor hem. Hij trad daarmee in een traditie, want dat was Engeland ook al geweest voor zijn grootouders en voor hun ouders toen die aan het eind van de negentiende eeuw uit Duitsland emigreerden.

Buruma’s grootouders, Bernard Schlesinger en Winifred Regensburg, waren kinderen van al volledig geassimileerde Duitse joden, maar het zou toch nooit helemaal vanzelfsprekend worden dat ze er in Engeland bijhoorden. Ze werden Engelser dan de Engelsen, internaliseerden het beste van de Engelse mentaliteit als een handschoen, en toch kreeg Bernard als arts nooit een vaste aanstelling in een ziekenhuis, en kostte het Winifred moeite om vrijwilligster bij het Rode Kruis te worden: vanwege haar naam. Het hierdoor veroorzaakte diep verborgen gevoel van onbehagen werd in de familie ‘de vloek van de Regensburgs’ genoemd.

Het verhaal dat Buruma over zijn grootouders vertelt aan de hand van hun vele nagelaten brieven gaat over een ‘bijna onmogelijke maatstaf’: twee mensen die, hoe vaak ze ook van elkaar gescheiden werden, zestig jaar verliefd op elkaar bleven en dat in elke brief op een of andere manier lieten blijken. Toewijding en afhankelijkheid waren niet van elkaar te onderscheiden, maar ze werden er niet sentimenteel van. Ook al hield hij van Wagner, Bernard werd een onverschrokken Brit die zich voortdurend verdienstelijk maakte als vrijwilliger, te beginnen in de Eerste Wereldoorlog en later in de Tweede als arts in India. Winifred (door hem ‘een onbetaalbare vrouw’ genoemd) deed niet voor hem (‘mijn grote, ware, trouwe liefde’) onder. Bernard en Winifred waren zo blij dat ze in Engeland woonden dat ze op allerlei manieren het land waard wilden zijn. Vandaar het vrijwilligerswerk, vandaar dat ze in 1938 een extra huis kochten om daarin twaalf Duitse joodse kinderen op te vangen van wie de ouders in Duitse concentratiekampen zaten of al waren vermoord.

Ook al namen ze wat conservatieve vooroordelen van de Engelsen over, je ziet bij de Schlesingers een soort beschaving ontstaan die niet meer aan een bepaald land gebonden is. Bernard en Win deden ‘gewoon’ wat op grond van de menselijkheid van hun verwacht werd. Het was no-nonsens hulpvaardigheid. Buruma schrijft er met meer dan sympathie over en maakt van hun generositeit, moed, zorgen en liefde exemplarische grootouders.

Dat ‘gewoon doen wat menselijk is’ noemt  Angela Merkel de ‘humanistische imperatief’. Was Engeland voor de Schlesingers ooit het beloofde land, dat is Duitsland nu voor de talloze vluchtingen uit Sirië, Irak en Afghanistan. Angela Merkels ‘Wir schaffen das!’, haar herhaaldelijke verzekering dat de Duitsers er in zouden slagen om honderduizenden vluchtingen op te nemen, is een historisch moment in de Duitse geschiedenis. Merkel heeft hiermee het andere, ‘echte’ Duitsland van Goethe en Schiller stem gegeven, schrijft Frank Vermeulen in Wir schafffen das!, zijn boek over wat de vluchtelingencrisis doet met de Duitse identiteit.

Hoeveel bedenkingen er ook zijn tegen de praktische consequenties van Merkels uitspraak, ze heeft hiermee een lijn doorgetrokken die begint bij de categorische imperatief van Kant en die onder andere uitkomt bij de protestants-christelijke verantwoordingsethiek die zegt dat God elk mens afzonderlijk waarde heeft gegeven. Merkel, schrijft Vermeulen, ziet daardoor geen mensenmassa’s, maar alleen afzonderlijke mensen. Door je afzonderlijke mensen voor te stellen is het pas goed mogelijk een idee te krijgen van wat vluchtelingen voor ellende hebben te doorstaan. Merkel bekritiseerde op deze manier ook ‘de populistische partijen (en partijgenoten) die spreken van “stromen”, “volksverhuizing” of “overstroming” om het gevoel op te roepen dat Duitsland de problemen niet aan zou kunnen.’

Ian Buruma en zijn grootmoeder Win Schlesinger in 1953.

Merkels en Duitslands bereidheid om zoveel vluchtelingen op te nemen is volgens Wouter Meijer in We kunnen niet allemaal Duitser zijn een uitvloeisel van een mentaliteit die na de oorlog extra is gegroeid: het Duitsland dat niet meer aan oorlogen mee wil doen, dat zo min mogelijk chauvinistish wil zijn, niet graag leiding geeft, ‘een onwillige aanvoerder’ van de Europese economie is, dat wel wil winnen, maar niet wil juichen. Dat andere Duitsland wil het Duitsland zijn dat Europa sinds de achttiende eeuw geestelijke, wetenschappelijke, artistieke en filosofische impulsen heeft gegeven. Dat is het Duitsland dat macht is gaan wantrouwen.

Het wordt nauwelijks opgemerkt, maar Angela Merkel benadrukt steeds dat het Duitslands ‘eigenbelang’ is om het vluchtelingenprobleem te helpen op te lossen. Ze is een ‘patriot zonder pathos’. Natuurlijk ontgaat het de vluchtingen die Duitsland voor hun beloofde land houden dat er sterke tegenkrachten zijn (zoals Thilo Sarrazin, schrijver van Deutschland schafft sich ab) die het genereuze beeld nuanceren, zelfs binnen Merkels eigen regering. In ieder geval heeft Merkel met haar vluchtelingenbeleid het andere Duitsland, waar de grootouders van Ian Buruma geen enkele moeite mee gehad zouden hebben, voorgoed tot een onderdeel van de geschiedenis gemaakt. Het is ook Merkels historische opgave het tot een goed einde te brengen. Het weekblad Die Zeit had het al over Duitsland als de ‘morele avant-garde’ van Europa.

Tijddoor Rudiger Safransk, uitgegeven bij Atlas Contact.

Wir schaffen das!, door Frank Vermeulen, uitgegeven bij Prometheus.

Hun beloofde landdoor Ian Buruma, uitgegeven bij Atlas Contact.

We kunnen niet allemaal Duitser zijndoor Wouter Meijer, uitgegeven bij Atlas Contact.

Op 20 maart gaat Ian Buruma in de OBA in Amsterdam in gesprek met Nelleke Noordervliet, over zijn boek en zijn familiegeschiedenis. Bij zijn?