Liever luisteren dan lezen? Dat kan. Jonah Falke las dit 8.000 woorden tellende verhaal zelf voor. Het duurt dus even, maar na het luisteren ben je helemaal mindful. Als God het wil, natuurlijk.

Als ik door de kloostergangen naar mijn kamer loop, weet ik dat ik over een paar minuten in tranen ga uitbarsten. De gangen zijn slecht verlicht, de muren en de vloer zijn van bruine stenen gemaakt. Het is mijn laatste avond. De volgende ochtend vertrek ik. Er lijkt niemand meer in het klooster te zijn, want ik hoor alleen mijn eigen voetstappen galmen door de lege gangen.

Ik begin te huilen als ik de deur van mijn kleine kloosterkamertje sluit. Het lijkt wel een cel. De muren zijn wit en kaal. Er is alleen een bed, een tafel, een wasbak en een stoel. Ik weet niet precies waarom ik huil. Maar het is beslist geen heimwee naar de buitenwereld. Ik ga op de stoel zitten en zie het kruisje boven mijn bed hangen.

klooster
Sanne Glasbergen schoot deze foto’s in de Sint-Willibrordsabdij in Doetinchem.
Iets kostbaars

Aan de lopende band verschijnen er de laatste jaren (zelfhulp)boeken over hoe met prikkels, een gebrek aan richting en een overvloed aan keuzes om te gaan in de 21ste eeuw. Zo schreef de Britse Matt Haig Planeet Paranoia. Hoe de wereld ons in de war brengt. Op de achterflap valt te lezen: ‘De wereld knoeit met onze geest. De mate van stress en angst nemen toe. Een snelle, gejaagde planeet zorgt voor een snel en gejaagd leven. We zijn meer verbonden, maar voelen ons steeds eenzamer.’

In Door het licht van Erik Jan Harmens spreekt de hoofdpersoon, die een verslaving heeft overwonnen, over hoe hij ooit leefde in het donker en nu moet wennen aan leven in het licht. In dat licht komen prikkels en gevoelens vol binnen. ‘Alles lijkt weldadig, toch is er ook een blijvend verlangen naar verdoving.’

De zucht naar rust is groot. Maar de zucht naar een god lijkt verdwenen. Trouw en de Volkskrant publiceerden onlangs series over religies die in zwaar weer verkeren. Priesters, imams en theologen verantwoordden hun noodlijdende instituten en spraken over de toekomst ervan.

https://www.vn.nl/product/vrij-nederland-nr-12-2018/

Rust intrigeert mij niet in het bijzonder, misschien ben ik bang voor de stilte. Het idee van een God, daarentegen, fascineert me wel. Maar in mijn omgeving vol linkse, milieubewuste atheïsten of agnosten wordt geloof afgedaan als ouderwetse waanzin die hoop en rust schept voor bange of zelfs domme mensen. Gesprekken over religie zijn al doodgebloed voor je eraan begint. Maar hoe kun je eigenlijk iets verachten, als je hem, het of haar niet kent? Atheïsten kunnen zeer dogmatisch en moraliserend zijn in hun ongeloof.

Onder de agnosten zou je meer openheid ten opzichte van religie verwachten. Maar veel verder dan ‘Ik geloof niet in God, maar wel dat er íéts is’ komen ze vaak niet. Sommigen maken bij dat ‘iets’ handgebaren alsof ze iets kostbaars vasthouden terwijl ze een beetje peinzend naar boven kijken.

Zoeken

Wat als we de stress van onze overvolle, drukke levens nu eens niet bestrijden op een nieuwe manier, met meditatie-app of mindfulness, maar op de beproefde manier waarop monniken dat al 1500 jaar doen volgens de Regel van Benedictus?

Ik had als agnost wel degelijk iets te zoeken tussen de monniken, maar met rust had het verblijf daar weinig te maken.

Toen ik besloot om het klooster in te gaan, was de meest gehoorde reactie onder de veertigers en vijftigers in mijn omgeving: ‘Wat heb je daar dan te zoeken?’ Aan het christendom hadden zij zich immers juist ontworsteld. Hoe moeizamer de worsteling, hoe fanatiekere tegenstanders van het geloof. De recente verhalen die er over misbruik in de kerk naar buiten komen, wakkeren hun overtuiging in het eigen gelijk alleen maar aan: ‘Zie je wel.’

Maar mijn generatie, die van twintigers en dertigers, heeft zich niet hoeven bevrijden en reageerde anders. De algemene tendens bleek: ‘O, ik ben jaloers, dat lijkt me heerlijk, even helemaal niks, zonder internet.’

Beide visies bleken het klooster geen recht te doen. Ik had als agnost wel degelijk iets te zoeken tussen de monniken, maar met rust had het verblijf daar weinig te maken.

Lees ookLees hier hoe Jonah Falke op het idee kwam om het klooster in te gaan16 augustus 2018
Woensdag 3 september, 16.00 uur

Terwijl ik zenuwachtig maar ook opgetogen aanklop bij de kloosterdeur, denk ik aan wat mijn vriendin gisteren zei: ‘Je komt vast nooit meer thuis.’ Een paar weken eerder had cabaretier André Manuel gezegd: ‘Wanneer ga je het klooster in, Jonah? Dan kom ik je graag even misbruiken.’

Gastenbroeder Coert opent de deur van de Sint Willibrordsabdij in Doetinchem. In dit klooster leven de monniken volgens een geschrift uit de zesde eeuw: de Regel van Benedictus. Daarin staat dat iedere kloostergast ‘als Jezus Christus wordt ontvangen’. Jezus ruikt vandaag naar sigaretten en heeft een blauwe rolkoffer.

Tijdens de rondleiding door het klooster struikelt gastenbroeder Coert bijna over zijn lange gewaad en een vloerkleedje. Het verschil tussen vloerkleed en habijt kan vervagen. We gaan het kerkje van het klooster binnen. Het is er koud, donker en het ruikt naar wierook. Alles is van steen of hout. Zes keer per dag, op gezette tijden, vindt hier een dienst plaats. Deze liturgie van kerkdiensten en de stilte de rest van de dag vormen het werk van een monnik. Tijdens mijn vierdaagse verblijf zal ik zoveel mogelijk met deze liturgie meedoen. Vervolgens laat Coert de eetzaal en de keuken zien. De inrichting is vergelijkbaar spartaans.

Hij vertelt dat alle maaltijden in stilte worden genuttigd. Het lijkt me een verademing. Groepsgesprekken aan tafel storen me doorgaans.

Ik vraag of Coert weleens kookt.
‘Nee, ik doe wel de afwas, gasten mogen ook helpen, maar je moet elkaar ook niet in de weg lopen.’
Hij vertelt dat alle maaltijden in stilte worden genuttigd. Het lijkt me een verademing. Groepsgesprekken aan tafel storen me doorgaans.

Coert zegt: ‘Er worden wel boeken voorgelezen tijdens het eten en in het weekend draaien we klassieke muziek. Dat is erg bijzonder.’

Op de eerste etage zijn tien gastenvertrekken. Ik krijg een klein en overzichtelijk kamertje met een kruisje boven het bed. Coert vraagt me een formulier in te vullen. Daar moet ik ook het vakje invullen bij ‘Inlichten tijdens een noodgeval’.
Ik denk: God, maar schrijf het telefoonnummer van mijn vader op.

‘Is er ook wifi?’
‘Wil je daar niet even mee wachten?’
‘Nou, nee…’
Met een knipoog zegt Coert: ‘Ons wifi-wachtwoord is: StilteAUB.’

klooster

Avonddienst (vespers), 17.00 tot 17.30 uur

De kerkklokken luiden. Het is zaak om binnen tien minuten in de kerkbank te zitten. In de Regel van Benedictus staat hoe je je naar de kerk moet begeven: ‘In ernst, zodat het geen aanleiding wordt voor grappenmakerij.’

Een voor een komen de monniken de kerk binnen. Vóór de broeders voorin de kerk gaan zitten, bukken ze voor het altaar. Een broeder hoest gelijktijdig met zijn buiging. Ook komen er twee gasten binnen, in burgerkleding. Ze kijken onwennig om zich heen. Tussen alle mannen zie ik één non op sandalen. Ze is niet de jongste meer, maar loopt nog kwiek.

De jongste monnik kijkt voor de dienst begint schichtig naar de gasten. Een vluchtige blik op de buitenwereld. Het is moeilijk voorstelbaar dat dit voor hem een van de weinige ontmoetingen met vreemden is. Dat wat hij ziet, lijkt hem niet te echt te bevallen. Wellicht heeft die teleurstelling in de buitenwereld hem hierheen gejaagd.

Een filosoof uit het Romeinse keizerrijk, Augustinus, zei: ‘Wie zingt, bidt dubbel.’ Maar er wordt ook verdacht veel gegaapt en gehoest tijdens de vespers.

Carglass

Na de dienst zit ik op mijn kamer te werken als er op de deur wordt geklopt. Het is broeder Thomas. Hij omhelst me en is blij met mijn komst. ‘Sorry dat ik wat later ben,’ zegt hij. ‘Ik moest nog even langs de autogarage. Carglass kon me niet helpen. Ik had een ster midden in mijn voorruit, er moest een hele nieuwe in.’

Mijn interesse om echt een tijdje te verkeren in deze prikkelarme wereld waarin God wél bestaat, werd gewekt door deze man, wetenschapper en monnik Thomas Quartier. Ik ontmoette hem tijdens een lezing over Bob Dylan. Quartier plaatste de zanger in een spiritueel perspectief en vergeleek hem met een monnik: iemand die vragen stelt en geen antwoorden geeft. Uit zijn verhaal sprak twijfel en geen moralisme. Ik vroeg of ik hem mocht opzoeken in zijn klooster.

Een dag voor mijn verblijf in dit klooster las ik Thomas Quartiers laatste boek Heilige woede. Monnik zijn, een radicale keuze.

Schrijver Paul Auster zegt in zijn briefwisseling met collega J.M. Coetzee dat het vinden van waarheid ‘sexy’ is. Dat lijkt me ook. Maar een overtreffende trap, dat een oude waarheid wordt overschaduwd door een nieuwe, komt me nóg opwindender voor.

Een filosoof uit het Romeinse keizerrijk, Augustinus, zei: ‘Wie zingt, bidt dubbel.’ Maar er wordt ook verdacht veel gegaapt en gehoest tijdens de vespers.

En dat is wat wordt beschreven in Quartiers boek. Allereerst is hij wetenschapper, agnostisch – en toch monnik. Dit lijkt een paradox. Thomas beschrijft dat hij vroeger een groot fan was van metal, gothic en punk. Zonder enige spijt blikt hij terug op die tijd. ‘Ik was altijd degene die het verst ging als het om feestvieren ging, en ik heb dat minstens tot mijn dertigste consequent volgehouden.’

Zijn eerste kloosterbezoek, als jonge theologiestudent, maakte hem als ‘wereldverbeteraar’ en anarchist razend. ‘Hoe onrechtvaardig was dit samenleven, hoe onwetend kon een individu zijn. Ja, het klooster was het levende bewijs dat woede de enige juiste levenshouding was! (…) De ingezetenen waren hier vrijwillig, en dat kon ik met de beste wil van de wereld niet begrijpen. Mijn woede was levend, die van de monniken dood, zij waren rebellen noch wereldverbeteraars, op zijn hoogst stenen des aanstoots.’

De term God vermeed hij als theoloog liever. Hij bekeek het geloof van buitenaf, maar wilde het van binnen leren kennen. Thomas zocht het klooster op, onder het motto van antropoloog Victor Turner, die stelt dat je vrijheid slechts kunt ervaren als je het van een kader voorziet. Zo radicaal als hij vroeger was in zijn muzikale voorkeur, zo werd hij ook in zijn manier van leven.

Thomas schrijft over zijn beweegredenen om het klooster in te gaan: ‘Het heeft veel te maken met mijn diep vanbinnen gevoelde woede. Dat de wereld je datgene waar je naar op zoek bent niet kan bieden. Het zal sommigen misschien verrassen dat een gevoel als “woede” met het kloosterleven verbonden kan zijn. Woede is lang niet altijd zo gericht dat zij zich rechtstreeks in een levensproject laat omzetten. Dat vergt bereidheid om je aan het leven bloot te stellen, ook aan de destructieve kanten ervan. In het klooster kun je namelijk niet wegrennen.’

Thomas en ik lopen door de lege kloostergangen, halen koffie en gaan dan in een klein spreekkamertje zitten. Vroeger werd er de biecht afgenomen. Ik zeg dat de twijfels over het geloof me erg bevielen in zijn boek en dat ik het ook opvallend vond dat hij niet het klooster is ingegaan omdat hij nou zo katholiek was.

Ik vraag: ‘Tot in hoeverre spreken jullie onderling over ieders zoektocht of twijfels?’
‘Dat gebeurt vrijwel nooit. We zijn met elkaar, maar echt als eenlingen.’
‘Dus je weet ook nooit wat een ander bidt?’
‘Nee, ben je gek, daar is het veel te intiem voor, intiemer dan seks.’
‘Echt?’

Als iedereen is uitgegeten, rinkelt de abt met een belletje en dan wordt God bedankt voor de pap.

Hij begint te lachen en zegt: ‘Ja, want dat deel je toch met twee personen?’
‘Nou ja, dat kan ook alleen, óf in groepsverband natuurlijk.’
Onze lach galmt in de stenen ruimte en dan kijkt Thomas op zijn horloge en zegt: ‘Vanavond en morgen kunnen we de moraal bespreken, eerst eten.’

Broodmaaltijd (in stilte), aansluitend afwas, 19.00 tot 19.45 uur

Thomas gaat de eetzaal binnen en een monnik vraagt mij om op de gang te wachten bij mijn twee medegasten Klaas en Egbert. Er worden handen geschud en er wordt vriendelijk naar elkaar geknikt. Klaas lijkt een man van zestig, Egbert schat ik rond de veertig.

Als we de refter – de eetzaal – binnengaan, staan alle monniken met hun blik naar de grond voor de lange eettafels. Naast me staat de jonge monnik die eerder zo schichtig naar de gasten keek. De abt, de vader van de monniken, staat in het midden van alle mannen en gaat voor in gebed. Met een hoge stem zingt hij: ‘Heer, zegen ons en deze spijzen die wij in uw mildheid hebben ontvangen door Christus onze Heer.’

De jonge monnik glimlacht als we aan tafel gaan en lijkt daardoor veel minder wereldvreemd.

Een oude monnik begint midden in een boek met voorlezen. Er wordt een schaal met warme broodpap doorgegeven. Uit beleefdheid schep ik een klein beetje op. De non eet niet mee met de mannen.

Als iedereen is uitgegeten, rinkelt de abt met een belletje en dan wordt God bedankt voor de pap.

Op weg naar de afwas tikt Thomas op mijn schouder en fluistert: ‘Kom mee, dit is een leuk moment, tijdens de afwas zijn de monniken informeel.’

Later zal blijken dat dit het enige moment op de dag is dat er wordt gesproken. Maar van een echt gesprek komt het niet tijdens het afdrogen. Wel zegt Thomas tegen een medebroeder: ‘Die pap was lekker, maar zag er niet uit. Het leek wel hondenvoer.’

klooster

Vooruitroken

Aangezien om half negen de buitendeuren al dichtgaan, wil ik graag even ‘vooruitroken’. Thomas vergezelt me. De avond valt en het schemert in het bos rondom het klooster. Thomas zegt: ‘Ik rook niet meer. Dat zou er toch ook niet uitzien, een monnik met peuk?’

Ik zeg dat ik het me moeilijk voor kan stellen dat hij zich als progressieve anarchist, zoals hij zich noemde in zijn boek, hier kan onderwerpen: ‘Miste je vroeger, als punkliefhebber, de structuur?’
‘Ja, eigenlijk wel. Ieder mens heeft dat toch nodig? Mis jij dat niet?’
‘Nee, en ik vind het niet erg om dat in mijn werk of waar dan ook te zoeken. Wellicht doe ik hetzelfde, zoeken naar een vorm, maar is die minder rigide…’
Thomas zwijgt en denkt na. Ik zeg: ‘Ik verwacht en wil ook geen verlossing.’
Hij kijkt op, lacht en zegt: ‘Ja, dat kan ook.’

Ik vermoed dat hij mijn woorden te groot vindt voor dit tijdstip.
Hij zegt: ‘Vroeger leefde ik ook in een schijnwaarheid.’
‘Wat is er tegen schijn? En wat ís schijn?’
‘Ja, niets, natuurlijk. Als ik me verbeeld dat mijn overleden vader daar in die boom zit, dan zit hij daar. Zo is het ook met het hiernamaals en ook met God, voor mij.’

Ik kijk naar de boom en zeg: ‘Zou ik dit klooster ook een schijnwereld kunnen noemen?’
‘Ja, dat is het in zekere zin ook, het is theater, een spel. Maar maakt dat het minder echt of zinvol? Ik denk het niet. Voor mij is het de werkelijkheid.’

Ik rook mijn vierde sigaret en Thomas zegt spottend: ‘Ik hoop wel dat de muren op je af komen. Het moet je ook een beetje irriteren hier. Want aan een aaah-wat-een-rust-hier-belevenis heb je niks. Dat heeft weinig te maken met wat wij hier proberen te doen. Mijn ervaring is: hoe stiller het is, hoe harder je de onrust in jezelf hoort.’

‘Gaat het vaak mis?’
‘Wat bedoel je?’
‘Laat ik het anders zeggen: hoeveel mensen die intreden, blijven er?’
‘Eén op de drie. Intreden is niet moeilijk, maar blijven wel. En het moet ook moeilijk zijn. Ik verloor erg veel vrienden toen ik intrad. Maar dat is logisch, net zoals wanneer je aan een nieuwe relatie begint of een geslachtsverandering ondergaat.’

Ik attendeer hem er niet op dat met je handen praten volgens de Regel van Benedictus niet mag, ze behoren deemoedig onder de pij te rusten.

Ik knik alsof ik weet waar hij het over heeft.

Tijdens het praten raakt Thomas zo bevlogen dat hij zijn handen met moeite onder zijn pij kan houden. Als we ver van het klooster zijn gewandeld, zwaaien zijn handen als een dirigent in de lucht. Ik attendeer hem er niet op dat met je handen praten volgens de Regel van Benedictus niet mag, ze behoren deemoedig onder de pij te rusten.

Als er in het weiland naast ons een grote tractor komt aanrijden, kan ik Thomas moeilijk verstaan en roep ik: ‘We moeten oppassen dat we niet doodgereden worden.’
‘O, maar dat gebeurt hier bijna nooit, hoor.’

Dagsluiting, daarna nachtstilte, 20.30 uur

We zijn net op tijd voor de dagsluiting. Ik neem plaats op een kerkbank en een minuut later komt Thomas in zijn ‘rol’ binnen. Hij kijkt vroom naar de grond, maar dan stapt hij toch even uit zijn rol en geeft me een boekje met teksten die ze gaan zingen. Als alle monniken binnen zijn, wachten ze een paar minuten en dan begint Thomas met zijn kopstem voor te zingen. De rest volgt.

Tegen het eind van de avonddienst gaan de lichten uit. Alleen in de nok van de kerk wordt er een beeldje uitgelicht, mijn ogen zijn te slecht om te zien wat voor beeldje het is.

Als het gezang stopt, begint de nachtstilte. In het schaarsverlichte klooster sjokken de monniken naar hun kamer. De oudste broeder heeft een stok en een gehoorapparaat. Er mag geen woord meer gesproken worden. De nacht staat symbool voor de dood.

Op mijn kamer maak ik mijn bed op en dan neem ik een douche. Ik droog me af met de handdoek die op de kamer lag. Op de handdoek is een biljet van 500 euro afgedrukt. De handdoek is verwassen. Tijdens de avondwandeling zei Thomas dat een monnik geen bezit of geld heeft. Ik vraag me af of de broeders ook biljethanddoeken hebben.

Als ik om halftien al in bed lig, vraag ik me af wat ik hier in godsnaam doe.

Lezingendienst, 06.15 tot 06.45 uur

Thomas schreef in zijn boek dat hij het meer punk vindt om elke dag om zes uur te gaan zingen, dan tot vijf uur in een café te hangen. Daar is iets voor te zeggen. Toch sla ik de eerste dienst over. Er zijn er nog vijf vandaag.

Om zeven uur sta ik buiten te roken. De zon komt op. In de verte is een snelweg te horen. In de loop van de dag verdwijnt dat geluid, het is me niet duidelijk wat ervoor in de plaats komt.
Om twintig over zeven gaat de kerkbel.

Morgendienst (lauden), 07.30 tot 08.00 uur

Een monnik gaat me voor de pikdonkere kerk in. Ik denk de eerste te zijn, maar als hij de lichten ontsteekt, blijken de non en de abt al achter in de kerk te zitten.

Er mag geen woord meer gesproken worden. De nacht staat symbool voor de dood.

Medegast Egbert komt als een van de laatsten binnen. Hij rilt en lijkt alle kleren die hij bij zich heeft aan te hebben, als een Michelinpop. In zijn hand heeft Egbert het boek Hunkeren naar rust. Ik zag het staan in een boekenkast op de gang. De titel stond me erg tegen. Hij heeft er zo te zien al veel in gelezen. Ik vermoed dat Egbert in een midlifecrisis zit.

Hoewel het zingen in de kerk misschien wel het belangrijkste onderdeel van het monnik-zijn is, lijken de diensten nu al erg op elkaar. Ze zingen zittend of staand, en als de monniken staan, staan de gasten op. Aangezien dit bij de meeste diensten de tendens is, zal ik niet over alles uitweiden.

Wat me wel opvalt aan deze dienst, is dat een oude monnik in zijn neus peutert. Ik kan niet ophouden met kijken. Uiteindelijk trekt hij hard een haar of iets dergelijks uit zijn neus. Niemand merkt het op en hij vertrekt geen spier.

klooster

Ontbijt in de refter (in stilte), 08.15 tot 08.40 uur

Er wordt niet samen ontbeten. Ik zit alleen in de eetzaal. Her en der staan bevuilde borden.

Een vriendelijk ogende monnik komt binnen en doorbreekt de stilte.
‘Heb je goed geslapen?’
Ik knik, maar hij doorziet de beleefdheid.
‘Meestal duurt het zo’n vierentwintig uur voor je je kunt overgeven aan het tempo hier.’
Ik weet niet of ik me wel wil overgeven.

Eucharistieviering, 09.30 tot 10.10 uur

De kerkdienst die zich wél onderscheidt, blijkt de eucharistieviering. Een monnik, die zich heeft uitgedost als een priester, leidt de dienst.

Er komen veel mensen van buiten op af, in fletse regenjassen. Als laatste schuifelen twee bejaarde vrouwen de kerk in. Ze fluisteren, maar het lijkt wel schreeuwen. Ook zingen ze hard en vals mee. Thomas zei gisteren dat het meezingen van gasten hem stoort, omdat het al moeilijk genoeg is om zuiver te zingen met de monniken in deze galmende kerk. Ze hebben wekelijks zangles.

Terugkerende deemoedige thema’s in deze viering zijn de vergankelijkheid en ijdelheid van het bestaan. Maar het klinkt bijzonder liberaal als de priester zegt: ‘Laat ons bidden voor onze zusters, broeders en degenen waar niemand meer aan denkt.’

Tegen het eind van de dienst zegt de man die de ceremonie leidt: ‘Wens elkaar de vrede van Christus.’ In een boekje dat op mijn kamer ligt, staat: ‘Wij geloven in de tegenwoordigheid van Christus in het sacrament. Wie dit geloof met ons kan delen, is welkom.’ Ik wil het geloof delen. De bezoekers geven elkaar een hand en wensen de ander vrede. Geen onaangenaam ritueel. Daarna halen de bezoekers een hostie en een slok wijn bij de man die de ceremonie leidt. Ik ben de laatste in de rij. Alle monden hebben al aan de chromen beker gezeten. Er is niet veel wijn over en ik durf hem niet helemaal op te drinken. De wijn smaakt als oude champagne.

Middagdienst, 12.15 tot 12.30 uur

Deze liturgie volgens de Regel van Benedictus voeren monniken al 1500 jaar uit, maar nu valt de stroom uit. De broeders kijken verschrikt op. Voor een monnik naar de stoppenkast snelt, buigt hij voor het altaar.

Zonder verlichting wordt er aan de dienst begonnen. Halverwege het ritueel springen de peertjes weer aan en piept het alarm een paar keer. Een monnik lacht en schudt zijn hoofd. De anderen doen alsof ze doof zijn.

Op de eerste ochtend zit ik meer in de kerk dan normaal in tien jaar. De diensten zijn zo dicht op elkaar dat je in de tussentijd eigenlijk nergens aan toe komt.

Warme maaltijd (in stilte), aansluitend afwas, 12.30 tot 13.30 uur

De warme maaltijd bestaat uit een gehaktbal, aardappelpuree en een salade op basis van mayonaise.

Op weg naar de afwas zegt Thomas: ‘Ik zal je even aan de abt voorstellen.’
De abt lijkt een autoritaire man. Pas als ik hem een hand geef, ontdooit hij en kijkt hij me voor het eerst aan: ‘U bent hier al een dag, aangenaam. Vermaakt u zich?’
‘Ja, ik probeer aan zoveel mogelijk mee te doen.’
‘Dat waarderen we.’
Tijdens de afwas ontfermt de abt zich over de bestekbak.

Gesprek met Thomas, 15.00 tot 16.30 uur

We zitten buiten op een bankje en ik vraag Thomas: ‘Jij werkt voor universiteiten, maar wat doet de rest van de monniken?’

‘Die werken hier. Schoonmaken, boodschappen, de gastafdeling coördineren. Maar het is eigenlijk niet de bedoeling dat je maatstaven op het kloosterleven legt. Vacare deo, vrij zijn voor God, is het idee. Misschien is het voor een monnik wel een deugd om niet voortdurend bezig te zijn. Om zo ruimte te houden voor het onverwachte.’

Thomas beschrijft zichzelf als erg progressief, maar het kloosterleven bestaat bij de gratie van tradities. Ik vraag of hij een opportunist is.

Hij lacht en zegt: ‘Nu wordt het gezellig, Jonah. Ik ben een opportunist? Nee, ergens heb je gelijk. Monastieke tradities probeer ik te lezen in de klankruimte van nu. De Regel van Benedictus is een prachtig document, maar die is wel geschreven voor de zesde eeuw, toen deden ze nog aan lijfkastijding.

‘Slaan jullie die regels over?’
‘Nee, de Regel van Benedictus lezen we volledig. Maar iedereen weet dat je dit soort passages met een korreltje zout moet nemen.’
‘Kom je dan niet bij algemene wijsheden uit die je toch al wist?’
‘Als je het te plat interpreteert wel. Maar neem bijvoorbeeld de deugd van stabiliteit: aangezien ik een heel druk mens ben, vanwege mijn colleges, is het klooster voor mij een levensexperiment. Je kan wel het lied van de flexibele mens zingen, toch neem ik waar dat een herbezinning op je basis een algemeen menselijke behoefte is. Het klooster is iets wat ik spontaan nooit zou kiezen, maar wat ik niet zomaar verzonnen heb. Mensen leven al 1500 jaar op deze manier. Maar doen alsof het de zesde eeuw is, zou voor mij ook weer te simpel zijn. Dus dan kom je in een spanning terecht, en dat is voor mij precies het kloosterleven: frictie, zoeken. Trouwens, die Regel van Benedictus wordt te pas en te onpas gebruikt, voor leadership- en timemanagement-cursussen. Ik vind dat er geen recht aan doen.’

‘Waarom?’
‘Omdat het subversieve eruit gehaald wordt. God hoort erbij. Dat is voor mij misschien wel het meest schurende wat er is: God.’
‘Wat voor antwoorden verwacht je van God?’
‘Geen!’ zegt Thomas resoluut.

‘Maar wat behelst je zoektocht dan?’
‘Het verlangen, vragen stellen. In de Regel van Benedictus staat het criterium voor een goede monnik: “Hij moet God zoeken”. Er staat met geen woord dat hij God moet vinden. En dat zoeken noem ik verlangen. Zoals je weet, komen hier veel agnosten. Sommigen gaan op den duur fysiek met ons meebuigen tijdens de kerkdiensten. Dat past bij mijn open Godsbegrip.’
‘Wat is de reden van dat meebuigen van een agnost?’
‘Dat er toch een bepaald verlangen naar heiligheid is.’

‘Jij noemt af en toe iets God, en ik niet.’

‘In hoeverre vind je het teleurstellend als mensen niet écht voor God kiezen?’
‘Dat kan, maar ik vind het een gemis. Zoals onze gastenontvangst, dat is geen service, dat is volgens Benedictus een spirituele taak. De regel zegt dat iedere gast als Christus ontvangen moet worden. In de ander die binnenkomt, ontmoet je je eigen verlangen en je hoopt dat de gast een existentiële zoektocht deelt. Natuurlijk komen er ook mensen die gewoon een beetje willen uitrusten, maar als ze komen om hun tijdsindeling op orde te krijgen, dan gebruiken ze het klooster op de verkeerde manier, en daar verzet ik mij tegen. Een klooster is per definitie doelloos. Een plek zonder waarom. Het is er omdat het er is. Punt.’

‘Dat klinkt doellozer dan de buitenwereld.’
‘Aanvaarden dat iets doelloos is, is inderdaad extreem verwarrend. Ik ben er geen held in. Toch moet je proberen om het toe te laten. Sommige gasten schieten in de spirituele stress, ze zeggen: “Ik wil mediteren, alle diensten meemaken, wandelen en een stapel boeken lezen.” Ze maken een agenda hier. Maar uit de functionaliteit stappen, dat is verwant aan een kunstenaar die in zijn werk dingen laat gebeuren die niet van te tevoren geconstrueerd zijn. Monnik en kunstenaar zijn daarin synoniem.’

‘Maar bij kunstenaars zit er vaak niks onder.’
‘Wat moet eronder zitten?’
‘Jij noemt af en toe iets God, en ik niet.’
‘In jou komt dat niet op, maar dat is natuurlijk ook een taalspel, het woord God wordt een bepaalde werkelijkheid, het vult zich met leven en daarom gebruik ik het. Daarmee zeg ik niet dat elke kunstenaar religieus is, hè? – het gevaar is dat je hier imperialistisch wordt. Maar ik denk dat elke kunstvorm spirituele elementen kent. Kunstenaars zeggen toch vaak: kunst maken is niet te plannen.’
‘Ja, maar in zekere zin lijkt me het wél te plannen. Door gewoon te gaan zitten en niet op inspiratie te wachten. Discipline.’
‘Juist, je maakt die wereld klein door structuur, liturgie of discipline, zodat God of de kunst moge verschijnen. Trouwens, heb je het niet warm met die jas aan? Is toch verschrikkelijk, dit weer?’
‘Nee, de zon moet je omarmen, of kan dat niet als je in God gelooft?’
Hij lacht en zegt: ‘Nee joh, ik verlang altijd naar regen.’ Teleurgesteld kijkt hij naar de strakblauwe hemel.
‘Thomas, ik kan je volgen, maar het nadeel, waar ik atheïsten ook om kan verachten, is dat het anderen uitsluit.’
‘Is dat zo? Iedereen is welkom, hoor.’
‘Er zal zich hier niet snel een moslim melden.’
‘Nee, dat is waar, maar ik denk dat de islam een geval apart is, ze kennen andere sociale structuren, die wij hier een paar decennia geleden in het christendom kenden.’
‘Hoe zie je de toekomst van Europa, met de komst van meer moslims en het afnemen van het aantal christenen?’

‘Geen idee, ik denk dat zeer uitgesproken vormen van religieus engagement reacties zijn op maatschappelijke ontwikkelingen. Je kunt er donder op zeggen dat die trend niet zo blijft, ik zeg niet dat de islam zal krimpen, maar wat ik wel merk bij moslimstudenten aan de universiteit, is dat ze óf heel erg geëngageerd zijn óf even geseculariseerd als de derde generatie kerkverlaters. Extremen in geloofsbeleving ontstaan vaak niet uit de religieuze traditie zelf. Dit klooster is bijvoorbeeld zo katholiek als maar kan, maar tegelijk hopelijk ook een open plek.’
‘Ja, er wordt je hier niks opgedrongen, geen gepreek.’

‘Het klooster kent inderdaad distantie. Toen ik hier intrad, had ik het gevoel welkom te zijn, maar nooit dat er iemand op mij zat te wachten.’
Ik denk aan Remco Campert die zichzelf omschreef als een ‘open cocon’.
‘En de uittreding van monniken, laat dat je even onverschillig?’ vraag ik.
‘Nee, dat hakt erin, het confronteert je met je eigen onzekerheid, want niet alleen nieuwelingen vertrekken, ouderen gaan ook.’

‘Wat voor leven treffen die mensen thuis aan?’
‘Nou, van oudsher helemaal niets. Tegenwoordig treden mensen meestal rond hun veertigste in, die hebben veel om achter te laten. Vroeger was het makkelijker; als je op je achttiende komt, heb je nog niet veel. Tegenwoordig is er wel contact met familie en vrienden. Vroeger niet. Is dat opportunistisch? Het zou toch naïef zijn als je doet alsof het leven van iemand vóór het klooster niet bestond? Daarom kun je het klooster tegenwoordig ook niet meer als een vlucht zien. Vroeger, toen het nog een big deal was als je homoseksueel was, kon je hier voorgoed voor de buitenwereld vluchten. Als je nu om die reden komt, ben je binnen een jaar weer weg. Je zult je niet op je plek voelen hier, want je komt hier om God te zoeken en nergens anders om.’

‘Maar jullie zijn ook geen vrienden, hè, las ik in je boek?’
‘Nee, er is zo’n gezegde: monniken zijn rare mensen, want ze houden niet van elkaar en rouwen niet om elkaar en toch leven ze samen.’

klooster

Het woord hemel

We lopen een bospad af en nemen plaats op een bankje dat uitkijkt op zo’n dertig witte grafstenen.

‘Leef jij van je geboorte af, of naar de dood toe, Thomas?’
‘Tjongejonge, wat een vraag. Naar de dood toe. Ik ben er niet bang voor, het is een voltooiing.’
‘Hoe stel je je het hiernamaals voor?’
‘Ik heb er geen echte voorstelling van. Al heb ik nog nooit een seconde getwijfeld dat een mens in zijn intrinsieke waardigheid na de dood niet verder leeft. Misschien wel gewoon hier.’ Hij wijst naar het dorre gras, tussen de graven. ‘De grens tussen werkelijkheid en illusie is er voor mij niet. Zodra mensen iets waarnemen of verlangen, is het er al. Zo is het voor mij ook met het hiernamaals. Ik gebruik daarvoor het woord hemel.’

‘Het is wel erg makkelijk om het zo onbestemd te laten.’
‘Nou, is het niet makkelijker om te zeggen dat het leven gewoon stopt?’
‘Ja, misschien… Maar als ik nu vraag of jij je overleden vader ooit terug zult zien?’
‘Daar heb ik geen antwoord op. Misschien. Volgens Paul Ricœur, een Franse filosoof, is er namelijk ook na de kindertijd een tweede naïviteit mogelijk. Ik kan in veel opzichten zo vroom worden als een kind, maar tegelijkertijd behoud ik een agnostische levenshouding. Je kunt dus vanuit een kritische houding bij een tweede naïviteit komen, je verzoenen met een geloofsvoorstelling van het hiernamaals die je als agnost uitbant. Maar onwetendheid heeft ook voordelen,’ zegt hij lachend, ‘laatst besprak een student een psalm, met PowerPoint. En toen ben ik erachter gekomen wat een “hinde” is. Een vrouwelijk hert. Dat heb ik jarenlang gezongen zonder te weten wat het is. Het was een teleurstelling toen ik dat beest op de foto zag.’

Ik lach en kijk over mijn schouder. Er komt een fietser aan. Zodra hij ons ziet zitten, weet hij niet hoe snel hij moet omkeren. Thomas zegt: ‘Kijk, er staat alleen een sterfdag op de graven. Dat is de hemelse geboortedag, je aardse geboortedag telt niet meer. In het kloosterwezen doet je leeftijd er ook niet toe. Monnik is monnik. Er wordt alleen gezegd: de jongeren moeten de ouderen eren en de ouderen moeten van de jongeren houden. Dat vind ik ook een mooie spiegel voor de samenleving. Als ik onze oudste broeder zie, dan geeft het mij de hoop van dat het mogelijk is om deze manier van leven vol te houden.’

‘Het gaat in een klooster om de doelloosheid. Ik zal voor je bidden.’

‘Ben je daar nog niet van overtuigd?’
‘Jawel, maar ik ben niet gek. Trouwen doe je toch ook alleen als je ervan overtuigd bent dat het voor altijd is? Toch gaat de helft van de mensen scheiden. Het klooster is doelloos, maar geen doel op zich. Ik kan me voorstellen dat er dingen gebeuren die het zinvol maken om iets anders te gaan doen. Dat is een moderne gedachte. Als iemand hier vroeger wegging, was het een mislukking. Zo kijken we er niet meer tegenaan.’

Ik denk aan de vele homoseksuelen die het klooster invluchtten en dan aan misbruik. Die twee lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik vraag Thomas hoe hij omgaat met de verhalen die nu naar buiten komen.
‘Ja, wat moet ik zeggen? Het verrast mij niet. Ik vind het de grootste tragedie die de kerk de laatste eeuw heeft meegemaakt, en dit is volgens mij pas de top van de ijsberg. Het heeft met gesloten machtsstructuren te maken. Tot mijn grote spijt is de kerk ook zo’n machtssysteem. Dat maakt de kerk gevoelig voor misbruik, dat lijkt me overal zo. Het beschaamt me. Ik krijg weleens de vraag om er wat over te zeggen, maar wat moet ik zeggen? Afkeuren lijkt me evident. Maar ik ben niet de persoon om excuses te maken.’

‘Hoe weet je of men in dit klooster integer is?’
‘Onze abt is de meest bescheiden persoon van allemaal. Als hij dat niet was, dan zou het riskant worden. Om alles transparant te houden, worden de abt en de monniken eens in de zoveel tijd individueel ondervraagd door een visitatie van buitenaf.’
‘Het lijkt me nog altijd een sociaal experiment.’
‘Ja, dat is en blijft het.’

Avonddienst (vespers), 17.30 tot 18.00 uur

Na de avonddienst tref ik medegast Egbert op de binnenplaats. Ik vraag hoe hij hier verzeild is geraakt. Hij lacht beschaamd en zegt: ‘Via Tinder! Nou ja, ik heb drie kinderen, ben gescheiden en toen op Tinder gegaan. Ik wilde er net mee kappen en kwam toen mijn huidige vriendin tegen. Ze is gelovig en ik niet. Ik ben vooral erg benieuwd naar het geloof en daarnaast heb ik een drukke baan. Ik hoop hier wat te leren over hoe je met je tijd omgaat. En wat doe jij hier?’

Ik vertel wat ik doe. Op de achtergrond schuifelt de non voorbij. Ze loopt richting het bos.
‘Ah, ik dacht al: zo jong en dan al op zoek. Maar heb je er geen moeite mee? Dat constant vereren van de Jezusfiguur, dat vind ik maar niks, man. Ik geloof niet dat hij voor ons is gestorven.’
‘Dat lijkt me ook vooral een verhaal…’

‘Ja, het klinkt meteen zo zweverig, maar er is wel “iets”, natuurlijk. Niet per se God, maar een kracht… Nou ja, geen idee. Ik ben nu trouwens aan het lezen in het boek Hunkeren naar rust. Daarin staat dat die Benedictus ooit eens opgewonden werd van een vrouw en dat hij om zijn lusten te bezweren door de bramenstruiken is gaan rollen.’ Hij begint hard te lachen en zegt: ‘Ik ben dus de hele middag op zoek geweest naar bramen en brandnetelstruiken, maar ik kon ze niet vinden, dat moet ik de abt hier eens vragen.’
‘Ik denk dat de bramenstruiken hier in de buurt al helemaal platgewalst zijn.’

We lopen het klooster in en Egbert zegt: ‘Als ik eerlijk ben, was ik eerst een beetje bang voor je. Ik dacht dat je een ontspoorde jongere was.’
‘Ik dacht dat jij een Godzoeker met een fikse midlifecrisis was.’

Broodmaaltijd, aansluitend afwas, 19.00 tot 19.45 uur

Tijdens de afwas vraag ik Thomas wat er vanavond op het programma van de monniken staat.

‘Groepsrecreatie. Maar gelukkig doen we vandaag geen spelletjes. Dat is niet mijn ding, Rummikub. Hou jij van spelletjes?’
‘Nee, van ganzenborden zie ik het nut niet.’

Schalks zegt hij: ‘Jonah, waar hebben we het nou vanmiddag over gehad? Het gaat in een klooster om de doelloosheid. Ik zal voor je bidden.’

Tijdens het roken, voor de dagsluiting, bel ik mijn vriendin. Ze vertelt over haar vermoeiende werkdag en het is moeilijk om me op haar woorden te concentreren. Interesseren haar problemen met collega’s me niet? Staat het soms de doelloosheid waar Thomas het over had, om God toe te laten, in de weg?
Wat ik met mijn desinteresse of die doelloosheid hier moet, weet ik niet.

klooster

Dagsluiting, daarna nachtstilte, 20.30 tot 20.45 uur

Tijdens de dagsluiting buigen de monniken en bekennen ze hun schuld van de dag: ‘Ik belijd voor God almachtig, en voor u allen, dat ik gezondigd heb in woord en gedachte, in doen en laten, door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.’ Egbert buigt zijn hoofd een beetje. Als enige gast buig ik niet mee.

Het meest mysterieuze aan het klooster vind ik dat de kerk in de laatste paar minuten van de dagsluiting donker wordt gemaakt. Vervolgens loopt iedereen in stilte door de schemerige gangen naar hun kamers. Al vijftienhonderd jaar staat de nachtstilte symbool voor de dood. Of zoals Thomas het vanmiddag verwoordde: voor ‘de weg naar binnen, waar je je eigen eindigheid tegenkomt’.

Vrijdag 5 september
Lezingendienst, 06.15 tot 06.45 uur
Morgendienst (lauden), 07.30 tot 08.00 uur

Egbert komt niezend de kerk in.

Ontbijt in de refter (in stilte), 08.15 tot 08.40 uur

Na het ontbijt stopt medegast Klaas een appel in zijn broekzak en dan verlaat hij de refter. Op zijn naam na heb ik hem geen woord horen zeggen. Misschien is hij doofstom of heeft hij niks te zeggen.

Eucharistieviering, 09.30 tot 10.10 uur

Als een monnik de hostie – het lichaam van Jezus Christus – breekt, denk ik aan het gesprek van gisteren met Thomas waarin ik deze dienst per ongeluk de ‘euthanasieviering’ noemde. Hij moest hard lachen toen ik zei: ‘Maar ja, eucharistie, executie of euthanasie, wat is het verschil?’

Gesprek met de abt, 10.30 tot 11.15 uur

De abt broeder Henry wijst op zijn rommelige bureau en zegt: ‘Ik probeer werk en privé gescheiden te houden, je moet flexibel zijn in mijn functie.’

Ik vraag me af hoeveel privéleven hij nog heeft als hij vertelt dat hij op zijn twaalfde naar een internaat verhuisde en op zijn achttiende monnik werd in het Limburgse Vaals.

‘Ik kwam erachter dat ik dit leven wilde door een interview op televisie met een monnik. Het pastorale ligt me minder. Dat is uitdragen. Dit is naar binnen kijken en zoeken. Maar ik zou mensen van nu afraden om zo vroeg het klooster in te gaan, het vereist wat levenservaring.’

Sinds drie jaar is broeder Henry abt. ‘Weigeren voor deze functie was geen optie. Je wordt gekozen. Ik ben eigenlijk best een bezorgd type, tien jaar geleden was ik nog overspannen, maar iemand zei me toen ik abt werd: “Je zult de kracht krijgen die je nodig hebt in deze functie.” En hij had helemaal gelijk.’

We spreken over de vele oude monniken in deze gemeenschap en dan komt al snel de dood ter sprake. De abt zegt: ‘Als iemand doodgaat, los van de tragiek die het soms met zich meebrengt vanwege ongelukken of jonge leeftijd, is hij in mijn beleving rijp om te gaan.’

Onze non, zuster Geertruid, heeft last van oorsuizen en ze werd gek tussen de nonnen en hun geklets.

Het is moeilijk voor te stellen, maar ook jaloersmakend, dat je zo veel blind vertrouwen kunt hebben in iets dat niet zichtbaar is maar overal schijnt te zijn.
De abt lijkt gewend aan praten, veel hoef ik niet te zeggen. Zijn redevoering lijkt ook een mechanisme om bepaalde vragen voor te blijven. Ik wil hem niet in verlegenheid brengen, maar ik wil nog graag weten wat de non hier in deze mannengemeenschap doet.

‘Ja, haar aanwezigheid is niet gebruikelijk. Ze woont in een verbouwde kippenschuur op het erf, vroeger woonde daar een kluizenares. Onze non, zuster Geertruid, heeft last van oorsuizen en ze werd gek tussen de nonnen en hun geklets. Toen ze van het bestaan van dit huisje hoorde, heeft ze gevraagd of ze er mocht wonen. Ze vormt voor jonge monniken een soort van monastiek overste. Daarnaast bestuurt ze de keuken.’ Lachend zegt hij: ‘Een vrouwenhand is ook wel erg handig in het mannenhuishouden, toch?’

Ik vraag of ik haar mag aanspreken. De abt slaat zijn armen over elkaar en stopt met glimlachen. ‘Nou, je kunt het proberen, maar ze is heel bescheiden en erg op zichzelf.’

Als ik een paar minuten later buiten op een bankje zit, komt de non voorbijlopen. Ik durf haar niet te storen, maar ik glimlach wel. Zacht zegt ze: ‘Goedemorgen.’

Middagdienst, 12.15 tot 12.30 uur
Warme maaltijd, aansluitend afwas, 12.30 tot 13.30 uur

Na de afwas tref ik gastenbroeder Coert op de gang.

‘Heb je het overleefd hier?’ vraagt hij.
‘Ja, zeker. Ik kom graag nog eens terug.’
Of het beleefdheid of de waarheid is, weet ik nog niet.

klooster
Klooster. Jonah Falke. Sanne Glasbergen
Ironisch-katholiek

In de middag, rond drie uur, tref ik Thomas toevallig nog even buiten. Hij heeft zojuist de eetzaal schoongemaakt en voor het eerst draagt hij geen pij maar burgerkleding. De zon schijnt, maar toch draag ik een winterjas tegen de koude wind.

Hij zegt: ‘Als ik nu zeg: “Die jas is veels te warm,” dan hou je hem zeker toch aan?’
Ik knik schuldbewust en zeg: ‘Ja, natuurlijk.’
‘Die eigenwijsheid herken ik maar al te goed.’

Ik zeg dat we veel gelachen hebben en dat had ik niet per se verwacht met een monnik. Wat ik Thomas niet zeg, is dat ik zo ook met een tweetal beste vrienden en mijn geliefde omga: de ernst en de zinloosheid van het leven mag worden besproken én ook bespot.

‘Ik noem mezelf weleens ironisch-katholiek,’ zegt Thomas. ‘Want waarom zou je niet mogen lachen? Dat is geen minachting, ik vind ironie een manier om dingen duidelijk te maken die anders misschien heel ongemakkelijk zouden zijn. Lachen relativeert en is toch ook een emotie?’

Thomas vraagt of ik al klaar ben voor mijn vertrek morgenochtend. ‘Want of je nou vier weken of vier dagen blijft, tijd is een ander begrip hier.’
‘Klopt, ik ben al bezig met weggaan.’
Wellicht is de tijd in de monastieke wereld fluïde omdat de dood geen obstakel is, maar slechts een bijzaak en een gevolg van het leven. Als je die jaloersmakende levensinstelling accepteert, wordt mindfulness volgens mij à la minute zinloos.

Thomas zegt: ‘Ik vond de dialogen en je houding in het klooster erg mooi. Onze non, zuster Geertruid, zei het me net nog in de keuken: die jongen voegt zich mooi in onze gemeenschap.’
Ik voel me vereerd.

Zielige oude monniken

Afscheid nemen is vooralsnog geen hobby. Ook op plekken waar je een buitenstaander bent, kun je je thuis gaan voelen. Het maakt me wat melancholisch. Ik vraag hoe Thomas met afscheid nemen omgaat, aangezien hij ook veel in het buitenland zit voor lezingen en dergelijke. Steeds heeft hij in een korte tijd heel intensief contact met mensen en dan keert hij weer terug naar het klooster, in de zelfverkozen eenzaamheid.

Voor het eerst moet Thomas echt lang over een vraag nadenken. Over het meeste wat ik hem vroeg, leek hij al eens nagedacht te hebben.
Hij zegt: ‘Ik heb heel wat zielige oude monniken gezien, ze hebben vriendschappen met gasten – overdag is dat leuk, maar die gasten gaan weer naar huis en hebben een gezinsleven terwijl jij alleen op je kamer zit. Je moet oppassen dat je niet een soort zielige “Baloe de beer” wordt.’

Als ik door de lege kloostergangen naar mijn kamer loop, weet ik dat ik over een paar minuten in tranen ga uitbarsten. Het gebeurt en ik weet niet precies waarom. Het is geen heimwee naar de buitenwereld. Ik moet denken aan de laatste zin van Joseph Roths roman Vlucht zonder einde: ‘Niemand in de wereld was zo overbodig als hij.’ Misschien is dat het. Die zin lijkt alles te behelzen wat een klooster of zelfs een leven van je vraagt: vormgeven aan de eenzaamheid en onvolmaaktheid, in naam van God of wat dan ook, in een poging om je eigen overbodigheid te accepteren. Het huilen stopt als de kerkklokken voor de avonddienst luiden.

Avonddienst (vespers), 17.00 tot 17.30 uur
Broodmaaltijd, aansluitend afwas, 19.00 tot 19.45 uur

Er zijn drie nieuwe gasten gearriveerd, daarom wassen Egbert en ik niet af.

Dagsluiting, daarna nachtstilte, 20.30 tot 20.45 uur
Zaterdag 6 september, lezingendienst, 06.15 tot 06.45 uur

Voor het eerst maak ik de allereerste dienst op de dag mee. Het verschil met andere diensten is niet waarneembaar. Toch ben ik blij dat ik er zit, al is het enkel om Thomas eer te bewijzen.

Morgendienst (lauden), 07.30 tot 08.00 uur

Volgens Thomas zou een klooster doelloos moeten zijn maar de liturgie geeft juist dwingend structuur aan de dag. Hoewel de kerkdiensten vervelen en irriteren, brengen ze ook een zekere voldoening. Het is namelijk het enige wat je ‘moet’ op een dag. Daarna is het ‘klaar’. Maar rust brengen ze niet: telkens keek ik op de klok wanneer de volgende dienst zou zijn. In de tussentijden zou je vrij moeten zijn voor God, vacare deo.

Als kloostergast heb ik dé Regel van Benedictus geschonden. Het is een voorwaarde dat je in een klooster God komt zoeken. Ik heb God niet gezocht, gevonden of als zodanig herkend. Maar ik ben er wel van overtuigd geraakt dat ‘een godservaring’ je ook als agnost kan overkomen. Voor de een voelt dat misschien alsof hij in hondenpoep stapt, voor de ander als een buitenechtelijke verliefdheid. Bekering tot het geloof sluit ik daarom ook niet uit, maar misschien wel pas in een volgend leven of in het hiernamaals. Je zou het opportunistisch kunnen noemen. Maar pas als de grens tussen de realiteit en de verbeelding vervaagt, is alles mogelijk.

Ontbijt in de refter (in stilte), 08.15 tot 08.40 uur

Vijf minuten na het ontbijt sta ik met mijn rolkoffer op de stoep voor het klooster. Er is evenveel zin als weerzin om de buitenwereld in te gaan.

Er komt een nieuwe gast aanrijden in een blauwe Volkswagen Golf. Als hij zijn raam opent, de autoradio zachter zet en roept: ‘Hé, mag je hier wel parkeren?’ ben ik alweer terug in de buitenwereld. Jezus stapt uit, hij is kaal en heeft een witte sporttas bij zich.