Anderhalf jaar geleden bezocht ik de laatste rustplaats van Nero, de meest beruchte keizer uit de Romeinse geschiedenis. Het was niet eenvoudig geweest die plek te vinden. Het zwarte schaap van de dynastie was natuurlijk niet eervol bijgezet in het statige, keizerlijke familiegraf aan de Tiber. Maar waar dan wel?

Aan de Via Cassia, een van de eeuwenoude uitvalswegen van Rome, staat een monument dat tot op de dag van vandaag de naam ‘Tombe van Nero’ draagt. Maar ook dat bleek het niet te zijn: de inscriptie op dat graf liet weinig ruimte voor twijfel, hier was heel iemand anders (de prefect Publius Vibius Marianus) begraven.

Wat was er gebeurd met het lijk van Nero? Nader onderzoek – in de bibliotheek, niet in de stad – wees uit dat de keizer die zichzelf op dertigjarige leeftijd van het leven beroofde, was bijgezet in het graf van zijn biologische vader, het graf van de Domitius-familie: een niet onaanzienlijke, marmeren tombe die eeuwen later nog bekend stond als het Sepolcro dei Domizi.

Nero was tijdens zijn leven niet door bloed, maar door papierwerk aan de heersende Julisch-Claudische familie verbonden geweest. De juridische fictie die voor de legitimatie van zijn macht zo allesbepalend was geweest, werd doorgeprikt toen zijn as nog nasmeulde, en spatte als een wiebelige zeepbel uiteen nog voordat de urn was bijgezet. Met de nagedachtenis van Nero is daarna iets vreemds gebeurd. Het is alsof zijn geest in tweeën is gesplitst: hij veranderde tegelijk in de Antichrist en in een mythische volksheld.

Die combinatie heeft ervoor gezorgd dat een angstige paus zo’n duizend jaar na Nero’s dood het Sepolcro dei Domizi liet vernietigen. Paschalis II was ervan overtuigd dat er rond de tombe demonen vlogen, en het was een kwestie van tijd voordat Satan weer zou reïncarneren. Voor alle zekerheid liet hij de as van Nero nog in de Tiber gooien, ook omdat de kans groot was dat zijn bewonderaars anders een andere plek zouden vinden om hun held te eren. Op de puinhopen van het Sepolcro dei Domizi verrees een heilige kapel die de laatste restjes onheiligheid moest bezweren, en die onder latere pausen zou worden uitgebouwd tot de Santa Maria del Popolo.

https://www.vn.nl/product/vn-geschiedenisspecial-2019/

Maar zelfs de totale vernietiging van al het materiële dat er restte van Nero kon de continuïteit van de verering niet voorkomen: er kwam een nepgraf aan de Via Cassia dat een bedevaartsoord werd.

Dood en begraven

Geschiedenis is een verraderlijk vak. Want er is niet alleen de geschiedenis, een reeks verhalen die we beschouwen als het ‘feitelijk gebeurde’, maar er is ook de geschiedenis van de geschiedenis, zoals het Nachleben van Nero laat zien. In de elegante bewoordingen van meervoudig Man Booker Prize-winnares Hilary Mantel: ‘History is not the past – it is the method we have evolved of organising our ignorance of the past.’

Van de waarheid van die stelling getuigt alleen al het feit dat historici op basis van precies hetzelfde bewijsmateriaal tot totaal verschillende conclusies kunnen komen. Wij duiden dat wat in het verleden ligt, dat wat dood en begraven is, aan als ‘de geschiedenis’, maar onze omgang met de geschiedenis is verre van dood en begraven. Het is actueel, veranderlijk en selectief. Het is soms inspirerend, soms pijnlijk en soms politiek beladen.

Een voorbeeld is de ‘witheid’ van klassieke sculpturen. Die lijkt feitelijk en objectief, maar het is in werkelijkheid een leugen waar we collectief aan vasthouden. Die beelden waren vaak net zo kleurrijk als we ons de inwoners van de Grieks-Romeinse wereld, die we graag zien als de voorouders van onze (witte) westerse beschaving, moeten voorstellen.

Residuen van rood pigment op lippen, zwarte restjes op kunstig vormgegeven krullen, een gouden gloed op een harnas: wie goed kijkt, kan de resten van kleur soms nog zien. Tenminste, als ze er niet door archeologen of museumconservatoren met het vuil mee zijn afgeboend, zoals bij de Elgin Marbles, de bekendste sculpturen van de Atheense Acropolis, is gebeurd.

Wij duiden dat wat in het verleden ligt, dat wat dood en begraven is, aan als ‘de geschiedenis’, maar onze omgang met de geschiedenis is verre van dood en begraven.

Een algehele ‘kleurcorrectie’ zou geoorloofd zijn, maar die wordt maar mondjesmaat geaccepteerd. Bij een klassiek beeld dat beschilderd is, heb je namelijk het ‘gevoel’ dat het nep is, dat het kitsch is waar je naar staat te kijken. Wit is de kleur die we associëren met wat klassiek, met wat smaakvol is.

In onze subjectieve collectieve herinnering hadden de Grieken en Romeinen een bepaalde minachting voor (felle) kleuren. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Egyptenaren – denk aan de beroemde buste van Nefertiti. In onze hoofden is het geaccepteerd dat oude beeldhouwkunst gekleurd is, maar alleen als het níet westers is.

Tot welke uitwassen zulke historische misvattingen kunnen leiden, daar kunnen ze in de Verenigde Staten over meepraten. De alt-right-beweging, aangevoerd door witte mannen die prat gaan op hun intellectualisme, eigent zich de beeldentaal van de klassieken toe. Ze zien de Grieken en Romeinen als de voorouders van Grote Witte Mannen.

Lees ookWaarom alt-right zo van de klassieke oudheid houdt29 december 2018

Zoiets als een ‘kleurcorrectie’ op oude sculpturen (of op historische personages, zoals gebeurde toen Netflix begin vorig jaar een donkere acteur castte voor de rol van Achilles in de serie Troy: Fall Of A City) zetten ze weg als extreme ‘politieke correctheid’. Daarmee spreken ze een grotere groep aan die zich verenigd voelt onder de vlag van verontwaardiging, onder het idee dat Europeanen van hun cultuur en geschiedenis worden beroofd.

Kanteljaren

Hoe onderwijzen wij geschiedenis? Op de meeste scholen wordt het vak gepresenteerd als een reeks verhalen, niet als een reeks vaardigheden. Natuurlijk is het verleden een onuitputtelijke bron van angstaanjagende, inspirerende en huiveringwekkende verhalen, maar ik pleit ervoor om de vaardigheden die de geschiedkunde behelst evengoed een plek in het onderwijs te geven.

We zijn helaas nog steeds de gewoonte niet kwijtgeraakt om het verleden aan onze kinderen te presenteren als een lange aaneenschakeling van Grote Gebeurtenissen en Kanteljaren. De obsessie om het verleden te ordenen, dicteert een strikt regime van oorzaak en gevolg, van jaartallen die fungeren als drempels, waar mensen overheen stappen om daarna plotseling in een compleet andere wereld rondwandelden. Denk bijvoorbeeld aan het jaar 1789, of het jaar 1945.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de Romeinen op straat vanaf toen het idee hadden plotseling van staatsvorm te zijn gewisseld.

Of het jaar 27 v.Chr., het jaar waarin volgens de geschiedenisboeken het Romeinse keizerrijk werd geboren. Was dat inderdaad een ‘kanteljaar’? Als je er al iets over kunt zeggen, dan is het dat in dat jaar min of meer duidelijk werd dat Gaius Octavius de enige van de leidende staatsmannen van het moment was die na jaren van touwtrekken en bloedvergieten nog overeind stond, en die met de omslachtige zegen van het oude machtshuis, de senaat, voorlopig aan de militaire touwtjes mocht blijven trekken. Maar er is geen enkele reden om aan te nemen dat de Romeinen op straat vanaf toen het idee hadden plotseling van staatsvorm te zijn gewisseld.

Als gevolg van deze observatie besloot ik een boek te schrijven over de geboorte van het Romeinse keizerrijk, maar niet met het gebruikelijke verhaal. Omdat zijn levensspanne samenvalt met het langzame en moeizame proces van het ontstaan van de overerfbare monarchie, wilde ik een boek schrijven over Tiberius: de man die de eerste keizer van Rome opvolgde. Want pas op het moment dat de macht van de eerste op de tweede keizer werd overgedragen, kwam het wordingsproces van de nieuwe staatsvorm tot voltooiing.

Vrij van academische ambities

Om mijn kaarten volledig op tafel te leggen: ik ben geen historicus, maar een schrijver met een universitaire graad in de oudheidkunde. Wat ik schrijf, is vrij van academische ambities, waarmee ik het leveren van baanbrekende nieuwe inzichten op het gebied van klassieke talen of archeologie door nieuwe vondsten of nieuwe interpretaties bedoel.

Ik zweef ergens tussen de academische experts en de nog altijd breed gedragen publieke interesse in de oudheid in. Als de god Janus heb ik twee gezichten. Met het ene zie ik hoe de klassieken onder academici nog altijd een bron zijn van felle discussie, met het andere hoe, aan de publieke kant, de oudheid vooral een vorm van vermaak is, van voer voor bloederige series of lichtvoetige kostuumdrama’s.

Ik haal hier voorbeelden aan uit de klassieke oudheid, maar het punt dat ik wil maken, geldt voor de geschiedkunde in het algemeen. De aanname die ik in twijfel trek, is dat het verleden zich lineair en causaal naar het heden heeft toe bewogen. Die gedachte ligt aan de basis van het idee dat je, om de geschiedenis relevant te maken, parallellen moet trekken met het heden – het bekende adagium ‘leer van de geschiedenis opdat we onze fouten niet herhalen’.

De echte les die we van de geschiedenis kunnen leren is even simpel als allesomvattend, namelijk dat onze huidige situatie natuurlijk noch onvermijdelijk is.

Maar zo eenvoudig is het niet, en een dergelijk idee staat zo ver van de ambiguïteit en complexheid van het verleden af, dat het bijna altijd mank gaat. Met andere woorden: een historische vergelijking misleidt vaker dan dat het verheldert. De echte les die we van de geschiedenis kunnen leren, is even simpel als allesomvattend, namelijk dat onze huidige situatie, vrij naar Yuval Noah Harari (Sapiens), noch natuurlijk, noch onvermijdelijk is.

In plaats van de klassieken aan te halen, zou ik bijvoorbeeld ook onze Europese natiestaten kunnen noemen. Niemand zal ontkennen dat die leidend zijn in het huidige publieke debat en in de politiek. Brexit, de vluchtelingencrisis, de klimaatdiscussie: onze ideeën over landen, grenzen en nationale identiteiten spelen een grote rol.

Anthony Appiah, hoogleraar filosofie aan Princeton, zegt terecht: ‘De studie van de geschiedenis is de vijand van het nationalisme. Wie mensen op grote schaal wil samenbrengen, moet feiten verzwijgen.’ Natiestaten schermen met geschiedenis, maar zijn in werkelijkheid gebouwd op de wankele pilaren van zorgvuldig geselecteerde verhalen die voor geschiedenis moeten doorgaan, maar die niet vrij zijn van mythevorming.

Fake news

Geschiedenis is niet van belang omdat het zich ‘steeds herhaalt’. Het verleden leent zich helaas zelden om de toekomst te voorspellen en kan dus niet op die manier nuttig gemaakt (of gemaakt nuttig) worden. Wat het wel kan doen, is onze collectieve en individuele horizon verbreden. Ons leren dat de status quo geen natuurlijke orde vertegenwoordigt, en niet de enige mogelijke uitkomst is van een lange lijn van logische oorzaken en gevolgen.

Geschiedenis traint ons brein in misschien wel het meest uitdagende denkwerk dat er bestaat: dat jouw opvatting niet de enige mogelijke is, dat er andere zienswijzen bestaan die uit andere contexten voortkomen en daarbinnen zinnig en betekenisvol kunnen zijn. Het leert je, met andere woorden, waarom je denkt zoals je denkt. Is er iets waardevoller dan dat? Of laat ik het zo stellen: is er iets nuttiger? De problemen in onze tijd schreeuwen om de cultivering van vaardigheden als nuancering, relativering en empathie.

De hierboven genoemde overwegingen hebben voor mij persoonlijk geleid tot een wellicht onverwachte vraag: zou ik de klassieke wereld niet alleen kunnen bestuderen, maar ook, geestelijk, kunnen bewonen? Kan ik erin bewegen, om me heen kijken, ruiken, voelen? Kan ik het, met andere woorden, tot leven wekken?

In de wetenschap dat omgang met het verleden altijd een subjectieve bezigheid is, realiseerde ik mij dat er, om de geschiedenis te doen herleven, meer nodig is dan een beschrijving van wat er gebeurd is. Er is iemand nodig door wiens ogen je gebeurtenissen kunt zien, ervaren en interpreteren. Zoals dat vaak gaat met een bepaald inzicht, stond het me even plotseling als helder voor de geest: ik wilde niet langer zweven in het vage grensgebied, ik wilde mijn Janus-masker afzetten en neerdalen in het domein van de fictie.

Ik wilde niet langer zweven in het vage grensgebied, ik wilde mijn Janus-masker afzetten en neerdalen in het domein van de fictie.

Ik wilde mijzelf, en mijn lezers, via mijn personage(s) ín de geschiedenis plaatsen, op een min of meer geloofwaardige positie. Een plek zonder kennis achteraf, wanneer je niet weet wat de uitkomst is, wat de gevolgen van je handelen zijn.

Maar, werpt u tegen, in deze tijden van fake news moeten we toch zo veel mogelijk proberen feit van fictie te scheiden? De vraag is: kunnen we dat, werkelijk? Elke vorm van geschiedenis beoefenen is een actief proces van creatie. Natuurlijk bestaan er historische feiten, cijfers en waarheden die onomstreden zijn, maar ze zijn vaak klein van stuk en in de minderheid. Liever dan te doen alsof het verleden als geheel netjes aan kant gemaakt kan worden en als een schoon geschrobde sculptuur van de Akropolis glimmend als een parel kan worden gepresenteerd, eer ik de ambiguïteit, de chaos en de willekeur van het menselijk bestaan.

De bronnen die de historicus ter beschikking staan, waarvan in het meest hoopvolle scenario vaak een schamele procent is overgeleverd, zijn niet eenstemmig, maar wiens leven, wiens persoonlijkheid, wiens situatie is dat ooit? ‘History isn’t a single narrative, but thousands of alternative narratives,’ schreef Harari. Dit gaat op voor zowel de academische historicus als voor de romancier.

De historische roman is niet onhistorisch omdat het fictie is. Het is, denk ik, mogelijk om een combinatie te maken. Om als schrijver van historische fictie iets waarachtigs te zeggen.

De geest van Nero

Toen ik in de Santa Maria del Popolo stond, bleek de geest van Nero nergens meer rond te vliegen. Ik kon niet afdalen in de catacomben van de kerk, en dus stond ik al snel teleurgesteld weer buiten. Suetonius, die had geschreven dat het graf van de Domiti niet aan de voet van, maar boven óp de Pincioheuvel stond, had misschien toch gelijk. Toen viel mijn oog op een aanplakbiljet van een Caravaggio-tentoonstelling op de zijmuur van de kerk. Niet van zijn echte werken: het werd geadverteerd als een multimediale video experience.

Een schreeuwerig gebeuren waaraan ik voorbij was gelopen, ware het niet dat er vlak bij de ingang een bordje stond waarop een plaatje prijkte van de uit duizenden herkenbare boeventronie van Nero. ‘In een urn van porfier, op een altaar van Luna-marmer, werd hier de as van Nero begraven,’ stond er, en daaronder een pijltje met ingresso, ingang. Hoopvol begaf ik me naar het loket, waar je een kaartje voor The spirit of Caravaggio. Immersive experience kon kopen.

Aan het loket legde ik uit dat ik geïnteresseerd was in de tombe van Nero, en de man begon te glimmen. Ja, veel mensen dachten dat die zich aan de Cassia bevond, maar hier was Nero’s échte laatste rustplaats. Zonde dat er niets meer is, en dat niemand het wist, vond hij. Als de toeristen in de Santa Maria del Popolo, wanhopig op zoek naar het verzonnen verleden van Dan Brown, eens wisten wie hier was begraven, nou, dan was hij een rijk man.

Het was de suggestie van een verleden dat niet meer bestond of nooit bestaan had, zoals de vluchtige strook van een penseel de impressie van een waarachtig beeld kan geven.

Maar niemand wist het, en hij had de ruimte sowieso enkel gehuurd voor zijn Caravaggio-show. Ik mocht wel even gaan kijken. Er stond een klein kaartje met Italiaanse tekst bij de ingang van de catacomben. Daar kon ik afdalen, maar zoals hij al zei: er viel niet veel te zien. Natuurlijk daalde ik af.

Wat ik aantrof, op het diepste punt, overtrof mijn door de uitbater bijgestelde verwachtingen toch nog een beetje. In een duistere nis was een blok marmer neergelegd; daarop was kunstig een purperen doek gedrapeerd en een stompkaars in dezelfde kleur geplaatst. Het was de suggestie van een verleden dat niet meer bestond of nooit bestaan had, zoals de vluchtige strook van een penseel de impressie van een waarachtig beeld kan geven.

Ik was begonnen met een simpele zoektocht naar een urn of een steen, of misschien een inscriptie. In plaats daarvan trof ik een schimmige werkelijkheid, waarin de geschiedenis de verhalen als een mislukt breiwerk aan – en over elkaar had geregen en waar feit en fictie nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden waren.

Willemijn van Dijk

Willemijn van Dijk (1984) is schrijver met een universitaire graad in de oudheidkunde. In april verschijnt haar roman Het wit en het purper, over het leven van een van de voornaamste vrijgelatenen in het Rome van de eerste eeuw na Christus, die onbedoeld aan de wieg stond van het beruchte regime van keizer Nero – en daarmee van de ondergang van de dynastie. Eerder schreef ze Via Roma. De geschiedenis van Rome in 50 straten en De opvolger, een literaire biografie van keizer Tiberius.