Wanneer filosofie in literatuur opduikt is het humanisme niet ver weg. Welk beeld van de mens verschijnt in de moderne literatuur, vraagt Jeroen Vanheste zich af in zijn boek Denkende romans.
De mens heeft al geruime tijd geen goede papieren. Er is zoveel conflict en oorlog op de aardbol en zoveel landen begeven zich in autoritaire richting dat het vertrouwen in hem drastisch aan het afnemen is. Je kunt niet echt meer op hem bouwen, zoals na 1989 even werd gedacht. Wanneer de verrechtsing ergens wordt gestuit, zoals in Frankrijk, is er grote opluchting. Men was al voorbereid op het ergste. Hetzelfde bij de terugtrekking op het laatste moment van de wet die in Polen de rechtelijke macht in de greep van de politiek zou brengen.
Ook als bewoner van de planeet aarde heeft de mens steeds minder goede papieren. Die planeet bevindt zich nu in het ‘antropoceen’, het tijdperk waarin de mens (antropos) als nooit eerder in de geschiedenis zijn invloed op de aarde laat gelden. Door de opwarming van de aarde, het uitstoten van broeikasgassen, het stijgen van de zeespiegel, het uitsterven van dieren en planten, het in de war raken van de seizoenen, vervuiling van de oceanen, ontbossing en bevolkingsgroei maakt de mens van de aarde steeds minder een leefbare plek.
Er gaan al stemmen op die zeggen dat de wereld beter af is zonder de mens. De hoofdpersoon van Lieke Marsmans roman Het tegenovergestelde van een mens krijgt als kind van haar moeder te horen dat de mens door en door slecht is. Vandaar dat ze het tegenovergestelde van een mens wil worden. Later leest ze het boek De wereld zonder ons van Alan Weisman waarin wordt beschreven wat er gebeurt als de mensheid ineens (door een virus) van de aardbodem verdwenen is. De aarde en de natuur zouden zich binnen de kortste keren herstellen. In Marsmans hoofdstuk ‘The Great Outdoors’ gaat het iets minder drastisch toe. Daarin krijgen de dingen (bossen, rivieren, landschappen, luchten) rechten, op dezelfde manier als mensen mensenrechten hebben. Er is geen hiërarchie meer, de mens heeft niets over rivieren of bossen te zeggen.
Een nieuw determinisme
Gegeven deze niet zo rooskleurige status van de mens getuigt het van moed een boek te schrijven dat de mens, zijn literatuur en filosofie uitgesproken verdedigt. Maar Jeroen Vanheste is in Denkende romans. Literatuur en de filosofie van mens en cultuur natuurlijk niet naïef. Hij weet wat er allemaal tegen de mens is in te brengen wanneer hij het werk van Proust, Joyce, Bellow, Dennis Potter, T.S. Eliot, Herman Broch, Dostojevski, Kundera en Houellebecq bespreekt. Hij kent de ‘meesters van de argwaan’ die de mens hebben gewezen op zijn dierlijke afstamming (Darwin), op zijn driften (Freud), zijn afhankelijkheid van de economie (Marx), zijn grillige wil (Schopenhauer) en zijn machtshonger (Nietzsche). Het is Vanheste ook niet ontgaan dat de mens en zijn bewustzijn concurrentie hebben gekregen van biologische, genetische en neurologische eigenschappen. De mens zelf neemt niet meer de centrale plaats in, maar zijn vitaalste fysieke onderdelen, zijn bepalende eigenschappen.
Van de menselijke wil heeft de technologie alleen nog maar last. Dat is een stoorzender aan het worden.
Gecombineerd met de overmacht van de technologie en de digitalisering vormt dit een aanval op het humanisme: de mens, zijn wil, zijn autonomie, zijn nog maar een klein onderdeel van het geheel. Dat zorgt voor een nieuw determinisme: de mens wordt bepaald door iets anders dan zijn eigen wil. Van de menselijke wil heeft de technologie alleen nog maar last. Dat is een stoorzender aan het worden. Om minder last van hem te hebben is men op zoek naar middelen om de mens te verbeteren. Het transhumanisme moet voor een verbeterde versie van de mens zorgen.
De mens en zijn geest
Dit mag allemaal zo zijn, wie achter de finesses van het menselijk bestaan wil komen belandt toch al gauw bij degene die daar het meeste vanaf weet: de mens en zijn geest. En dus bij de literatuur. En dus bij de instantie die als enige voor literatuur kan zorgen: de menselijke geest. Wat niet wil zeggen dat je ook van de mens die bij die geest hoort moet houden. Maar wel dat de mens en zijn wil de enigen zijn die iets kunnen zeggen over de binnenkant van het menselijke bestaan. Genen en neurotransmitters kunnen niet praten of schrijven.
Wie niet onder de indruk is van de mens en zijn vrije wil, hoeft maar een roman van Thomas Mann, Saul Bellow, Michel Houellebecq of Oran Pamuk te lezen om te zien dat de mens nog wel degelijk (tot op zekere hoogte) vrij is om zijn leven vorm en inhoud te geven. En dat de mens daarin ongekende hoogten en diepten kan bereiken. Alles wat er tegen de mens ingebracht kan worden, alles waardoor hij bepaald wordt, verhindert niet dat hij ‘in belangrijke mate gedreven wordt door ideeën en een geestelijk leven en dat deze hem evenzeer bepalen als materiële factoren,’ schrijft Vanheste. Het is niet de mooiste zin denkbaar, maar wel duidelijk.
Bij Bellow onderzoekt de mens zichzelf met humor en sarcasme. Hij probeert zichzelf te kennen en vormt zich daar tegelijk mee.
De verdediging van het humanisme in Denkende romans is niet een verdediging van de menselijke engelachtigheid. Het is geen halfzacht humanisme dat uitgaat van de goedheid van de mens. Vanheste komt eerder uit bij het tragisch humanisme zoals dat te vinden is in de romans van Michel Houellebecq die hij als laatste uitvoerig behandelt. In het werk van Saul Bellow wordt het individu in bescherming genomen tegen de opdringerige invloeden die hierboven zijn genoemd. Bij Bellow onderzoekt de mens zichzelf met humor en sarcasme. Hij probeert zichzelf te kennen en vormt zich daar tegelijk mee. Er leeft in hem een ‘wil tot betekenis’ waardoor hij zich kan ontplooien en zijn leven zin kan geven.
De reputatie van de mens is niet denderend. Het humanisme zonder meer verdedigen roept daarom alleen maar scepsis op. Vandaan dat Thomas Mann het naïeve en machteloze humanisme van zijn personages Settembrini (De toverberg) en Zeitblom (Doctor Faustus), dat alleen maar schoonheid en goedheid kent, met satirisch oog beziet. Mann verdedigt zelf een weerbaar humanisme (een combinatie van Machiavelli en Erasmus) dat de feilen van de mens niet verdoezelt. In grote literaire werken is geen eenduidig beeld van de mens te vinden, daarin is altijd sprake van ambiguïteit. Sterke romans zijn dan ook, zoals Robert Musil zei, ‘moraallaboratoria’.
De schrijvers over wie Vanheste het in zijn grondige essays heeft staan voor het vernieuwde humanisme: ze zijn wijs geworden door de geschiedenis en door wat Darwin, Schopenhauer, Marx, Nietzsche en Freud over de mens hebben ontdekt. Het humanisme is niet meer los te zien van de tragiek van de mens. Het zou altijd ‘tragisch humanisme’ moeten heten.
Denkende romans: Literatuur en de filosofie van mens en cultuur door Jeroen Vanheste is uitgegeven door Damon.
Het tegenovergestelde van een mens door Lieke Marsman is uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.