Kansai Science City is een enorm, tussen Kyoto, Osaka en Nara gelegen science park met kolossale gebouwen, die de researchafdelingen huisvesten van zo’n 250 Japanse onderzoeksinstituten, universiteiten en multinationale bedrijven als Panasonic. Ik bezoek hier de Hiroshi Ishiguro Laboratories, gehuisvest in het Advanced Telecommunications Research Institute International (ATR).
Bij het schrijven van mijn boek Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo sapiens 3.0 raakte ik gefascineerd door de Japanse voorkeur voor androïden, robots die bedrieglijk veel op mensen lijken. Met name de regio Kyoto-Osaka staat hierom bekend en ik maak van mijn verblijf als gasthoogleraar in Kyoto gebruik om me op de hoogte te stellen van de laatste ontwikkelingen.
Vandaag ga ik hier Erica ontmoeten.
Griezelig realistisch
Hiroshi Ishiguro, hoogleraar robotica aan de Graduate School of Engineering Science van Osaka University, is een van de bekendste onderzoekers op dit terrein. Hij verwierf in 2006 internationale bekendheid met robotdubbelganger Geminoid HI-1 (van het Latijnse gemini, tweelingen). En vandaag krijg ik een demonstratie van deze robot en van het nieuwste model, de communicatierobot Erica.
Geminoid HI-01 is een telerobot. Hij handelt niet zelfstandig, maar wordt in real time bediend door een menselijke ‘bestuurder’. De in samenwerking met kunstenaars vervaardigde robots hebben een metalen skelet en een plastic schedel en met name hun siliconen huid en mensenhaar (van Ishiguro zelf) maakt HI-01 griezelig realistisch. De bewegingen (Ishiguro’s dubbelganger kent 50 bewegingen en gelaatsuitdrukkingen) worden door middel van een luchtcompressor en pneumatische actuators veroorzaakt. Ze lopen synchroon met de bewegingen van de bestuurder, die zich in een andere ruimte bevindt. Zijn bewegingen worden via tracking devices en teleoperatiesoftware vertaald in bewegingen van de robot. De bestuurder van deze geavanceerde marionet kan bovendien door middel van een microfoon en luidsprekers door de robot heen spreken en ondergaat dankzij sensoren en camera’s in de robot ook indrukken van diens omgeving.

Ishiguro gebruikt zijn mechanische dubbelganger om vanuit zijn huis colleges op de universiteit of een lezing elders in de wereld te houden. Maar ook voor (neuro)psychologische experimenten op het gebied van mens-robot-interactie en telepresentie. Een opmerkelijke bevinding is dat zelfs zonder tactiele feedback de gebruiker een lichamelijke sensatie ondergaat als zijn tweelingrobot wordt aangeraakt. Daarbij lijken spiegelneuronen in het spel te zijn. Bij het bekijken van een handeling van een andere persoon worden dezelfde neurale patronen geactiveerd als bij het uitvoeren van die handeling. Dat speelt niet alleen een rol bij het oproepen van empathische gevoelens voor andere personen, maar ook bij de identificatie met een robotlichaam en het letterlijk inlijven daarvan in het eigen lichaamsschema.
Zo’n telerobot realiseert op materiële wijze wat de wijsgerig antropoloog Plessner de ‘excentrische positionaliteit van de mens’ noemt. Volgens Plessner zijn we niet alleen een lichaam, zoals een plant, maar hebben we ook, net als andere dieren, een lichaam dat we kunnen besturen vanuit het met ons zenuwstelsel en hersenen verbonden centrum van onze beleving. Maar we onderscheiden ons als mens doordat we ons ook buiten ons lichaam kunnen begeven. Dat kon tot voor kort enkel in onze verbeelding, bijvoorbeeld door ons voor te stellen dat we een kijkje in New York nemen, een slachtoffer uit een brandend huis redden of op Mars wandelen. Maar dankzij de telerobot, die we ook nog kunnen uitrusten met nieuwe zintuigen, zoals infrarood-ogen of echolocatie, kunnen we die dingen nu ook daadwerkelijk doen.
Verbaasde blik
Het interacteren met de robotdubbelganger is een merkwaardige ervaring. Door de sterke gelijkenis met de echte Ishiguro en het feit dat we met ‘de mens achter de robot’ spreken, merk ik dat ik de robot als een mens benader. Maar doordat de mechanische en stereotiepe bewegingen en gelaatsuitdrukking dat vertrouwde patroon doorbreken, treedt er cognitieve dissonantie op. Ik griezel onwillekeurig.
Doordat de mechanische en stereotiepe bewegingen en gelaatsuitdrukking dat vertrouwde patroon doorbreken, treedt er cognitieve dissonantie op. Ik griezel onwillekeurig.
De Japanse robotontwerper Masahiro Mori betoogt in een artikel uit 1970 dat dingen een vertrouwdere indruk maken naarmate ze meer op een mens lijken, maar dat dat vertrouwde gevoel bij dingen die heel erg op een levend mens lijken maar dat toch niet zijn, zoals een lijk of een zombie, omslaat in walging. Mori noemt dat verschijnsel bukimi no tani genshō. In het Engels werd dat uncanny valley, waarmee een link werd gelegd naar Sigmund Freuds essay over das Unheimliche (‘the uncanny’). Freud wijst daarin op het motief van de mechanische dubbelganger en brengt die in verband met de angst voor de dood, verdrongen seksuele driften en narcistische almachtsfantasieën. Misschien moet iemand zich maar eens wagen aan een psychoanalyse van de geminoid.
Een verdieping hoger wacht Erica. Haar uiterlijk is door Ishiguro op de computer ontworpen door 30 foto’s van mooie vrouwen te combineren. Erica is een autonome robot die zelfstandig interacteert met haar omgeving. Haar ‘handelingsvrijheid’ is overigens beperkt. Net als Ishigiro’s dubbelganger kan ze niet lopen, maar is ze bevestigd op haar stoel. Dat heeft een reden. Erica, een acroniem voor ERato Intelligent Conversational Android, is een androïde versie van een chatbot. Om te kunnen communiceren, moet ze de stem van haar gesprekspartner kunnen horen, maar speech recognition in lawaaiige ruimten met verschillende personen is lastig. Daarom is Erica onzichtbaar verbonden met een groot aantal microfoons en sensoren, zodat ze haar gesprekspartner ook wanneer die zich beweegt, kan lokaliseren.
Erica, wier stem in real time wordt gesynthetiseerd, kan niet alleen reageren op vragen en opmerkingen: ze blijft haar gesprekspartners ook met haar ogen volgen en haar gezicht toont de bij de conversatie passende emoties. Dat dat laatste zo is, moet ik overigens maar aannemen van Dr. Takashi Minato, die de demonstratie van Erica begeleidt, want vandaag verloopt het demonstratiegesprek met Erica en haar bezoekers in het Japans. Toch valt het me op dat Erica zich een paar keer vergist en zich met verbaasde blik tot Takashi richt, die mij in het Engels toelichting geeft.
Turingtest
Na afloop spreek ik met Minato over de vele hindernissen op weg naar de perfecte conversatierobot. Het focussen van Erica op haar gesprekspartner is nog kinderspel vergeleken bij de opgave haar een alledaags gesprek over elk mogelijk onderwerp te laten voeren. Hoewel haar vaardigheden dankzij het gebruikte open domain conversational system (dat het web doorzoekt op bruikbare, vergelijkbare dialogen, ongeveer zoals Google Translate te werk gaat bij het vertalen) en deep learning (een hedendaagse versie van neurale netwerken) best indrukwekkend zijn, is het aantal onderwerpen waarover je met Erica kan spreken nu nog klein. Zo kun je met haar over haar hobby’s praten, maar bij veel andere onderwerpen houdt ze de boot af – zoals, heel ‘menselijk’, als je haar naar haar leeftijd vraagt. Om de beroemde Turingtest te passeren (waaruit moet blijken of je een mens of een robot bent), zou Erica minimaal 30% van haar gesprekspartners gedurende vijf minuten moeten kunnen laten denken dat ze een mens is, ongeacht het aangesneden onderwerp. Tot 2014 is geen enkele chatbot daarin geslaagd.
De ambities van Ishiguro reiken beduidend verder: een robot die in staat is de Total Turing Test te passeren. Anders dan bij de traditionele Turingtest, waarbij het gesprek via toetsenbord en scherm gaat, vereist dit dat de toekomstige versie van Erica een vragensteller in dezelfde ruimte moet kunnen overtuigen van haar menselijkheid. Door Ishiguro uitgevoerde experimenten laten zien dat 20% van de proefpersonen binnen 1 seconde door heeft dat-ie met een robot te maken heeft. En naar mijn inschatting volgt de overige 80% in de volgende 5 seconden.
De hype is er niet minder om. De dag na de demonstratie tref ik een paginagrote foto van Erica aan op de achterpagina van The New York Times met de tekst ‘Meet Erica. She didn’t go to school. She doesn’t have dna. Soon she will be smarter than you.’ Hoezeer ik ook onder de indruk was van Erica, de demonstratie doet vermoeden dat soon op een evolutionaire tijdschaal slaat.

Robotwedstrijden
Als ik enkele weken later voor Ishiguro en zijn team een lezing houd over de Turingtest, valt me op hoe onverbeterlijk optimistisch de onderzoekers zijn over de mogelijkheid de uncanny valley te doorkruisen en Turing totaal te verslaan. Maar Ishiguro’s optimisme wordt niet door iedereen gedeeld. De scepsis richt zich niet alleen op de haalbaarheid van het project, maar ook op de zin ervan. Vliegtuigen kunnen uitstekend vliegen zonder dat ze op een vogel lijken. En een lopende band is een stuk efficiënter dan een met dozen zeulende androïde.
Ishiguro geeft in de discussie na mijn lezing toe dat androïde robots niet in alle gevallen de beste oplossing vormen, maar wel in het sociale verkeer. Wij zijn van jongs af aan getraind in en gewoon aan de omgang met mensen. Robots die op mensen lijken, vergemakkelijken niet alleen de omgang met robots, maar bevorderen volgens Ishiguro ook hun maatschappelijke acceptatie. Iets wat er uitziet als een mens behandelen we ook als een mens. In Human-Robot Interaction in Social Robotics (2013) bespreekt Ishiguro een reeks veldexperimenten met androïde gidsrobots in een museum, een winkelcentrum en een treinstation. Die bevestigen niet alleen de effectiviteit van de dienstverlening, maar laten ook zien dat de meeste volwassen en kinderen veel plezier hebben in de interactie met de robots. Omdat de robots met behulp van ID-chips de vragen en voorkeuren van hun klanten onthouden, ontstaat er zelfs zoiets als een ‘persoonlijke band’ met de robots en ontstaat er emotionele gehechtheid. Dat gebeurt nog eerder als de robot meer cartoonesk dan fotorealistisch oogt, omdat de uncanny valley zich dan minder snel voordoet.

Dat verklaart het succes van de door Ishiguro ontworpen zorgrobots die worden toegepast in de bejaardenzorg en het onderwijs en bij de begeleiding van autisten. Ook in Nederland heeft de zorgrobot (Alice, en de Vlaamse Zora) schoorvoetend z’n intrede gedaan. Maar het verschil met Japan is groot: Japan is de sterkst gerobotiseerde samenleving ter wereld. Meer dan 250.000 industriële robots doen daar hun dagelijkse werk, en de regering en het bedrijfsleven hebben daarnaast de afgelopen decennia miljarden geïnvesteerd in de ontwikkeling van de sociale en affectieve robotica. Robots zijn er immens populair. Ze dansen en zingen op elektronicabeurzen, showen bruidskleding op de catwalk en treden op in tv-programma’s. Aan de jaarlijkse ROBO ONE robotwedstrijden nemen hele families deel. En vanaf de introductie van de robothond Aibo in 1999 vinden consumentenrobots gretig aftrek. De androïde Pepper, in de markt gezet als de eerste emotionele robot, was bij zijn introductie in 2015 binnen één minuut uitverkocht.
Liefhebbers kunnen sinds vorig jaar in het themapark Huis ten Bosch in Nagasaki ook logeren in het (vrijwel) volledig door robots gerunde Henn-na hotel, en in de film Sayonara (2015) speelt Ishigoru’s vrouwelijke Geminoid F een van de hoofdrollen. Zij kreeg op het Tokyo International Filmfestival zelfs een nominatie voor de beste vrouwelijke hoofdrol. De film gaat over de vriendschap tussen een mens en een robot, die zich ontwikkelt in de nasleep van Fukushima-achtige kernramp. Het centrale thema is hun beider kwetsbaarheid. Met het verblijf van gezelschapsrobot Kirobo in het International Space Station is dit vriendschapsmodel inmiddels de filmische verbeelding voorbij.
Helpers van de mensheid
Er wordt vaak beweerd dat de Japanse liefde voor de robot praktische noodzaak is. Niet alleen economisch, om de concurrentie aan te kunnen met de Aziatische lagelonenlanden, maar ook sociaal. Japan kent de sterkste vergrijzing ter wereld en is niet erg immigratievriendelijk. Het land kampt met een oplopend tekort aan personeel in zorg, onderwijs en andere dienstverlenende beroepen.
Toch lijkt die praktische noodzaak onvoldoende om de emotionele band te verklaren die Japanners met hun robots hebben en die ze ertoe aanzet hun robothond of androïde door Shintopriesters te laten zegenen en ze met een boeddhistisch ritueel naar hun laatste rustplaats te begeleiden. Zulke gebruiken suggereren dat de unieke andere relatie die Japanners hebben met hun androïde robots niet los kan worden gezien van hun wereldbeschouwing, die in een aantal opzichten sterk afwijkt van de westerse.
In de westerse, door het christendom gevormde cultuur rust er een taboe op het ‘voor god spelen’. De mens is weliswaar door God aangesteld als rentmeester over de natuur en mag daar zelfs mee experimenteren, maar het scheppen van leven, vooral menselijk leven, is het privilege van God. Genetici en robotici die dat taboe overtreden, krijgen zelfs in de meest seculiere westerse samenlevingen al snel het verwijt te handelen uit hubris, hooghartige overmoed, in de christelijke traditie de moeder van alle doodzonden. En zoals ook de Griekse tragedies leren, leidt hubris tot rampspoed en catastrofes.
Om die reden is het overgrote deel van de westerse sciencefiction over robots apocalyptisch. In films als Blade Runner (1982), Terminator (1984) en Ex Machina (2015) zijn androïden steevast uit op de vernietiging van de mens. Zelfs in de beroemde robotverhalen van Asimov, die draaien om de drie robotwetten die moeten voorkomen dat robots de mens ooit kwaad zullen doen, draait de plot vrijwel altijd om de omzeiling daarvan. Ook de wetenschap grossiert in verhalen waarin robots de banen van mensen wegkapen en drones dood en verderf zaaien, of zelfs (zo profeteerde vorig jaar zelfs Stephen Hawking) het menselijk ras gaan domineren en uiteindelijk vervangen. Zelfs in de meest optimistische versies , zoals de paradijselijke eindtijdfantasie van Kurzweil over de komende singulariteit, is er voor de mens geen plaats meer.
In vergelijking daarmee is het robotbeeld in Japanse sciencefiction doorgaans veel positiever. Robots als Astroboy, de hoofdfiguur in een mangastrip die tussen 1952 en 1968 verscheen en herhaaldelijk is bewerkt tot animatiefilm, zijn geen vijand, maar helpers van de mensheid. Zij vormen niet het kwaadaardige negatief van de mens, zoals Freuds dubbelganger; mens en robot liggen veeleer in elkaars verlengde.
Spiegelfunctie
Dat beeld van de menselijke robot kan niet los worden gezien van het wereldbeeld van het shintoïsme en boeddhisme, dat niet de scheidingsdrift kent die het moderne westerse wereldbeeld domineert. Waar het Westen de scheiding tussen leven en dood, lichaam en geest, mens en dier, man en vrouw vaak verabsoluteert, daar zijn de grenzen tussen de tegendelen, zoals in het yin-yang symbool, in Japan veel vager en vloeiender. Dat uit zich in het alledaagse leven (zo zien de mannelijke studenten die mijn colleges in Kyoto volgen er bijvoorbeeld qua kleding en haardracht naar westers begrip vaak uiterst feminien uit, en hebben Japanners minder moeite met transgenders), en in religie. En dat raakt op fundamentele wijze de Japanse houding ten opzichte van robots. In het animistisch gekleurde shintoïsme hebben niet alleen mensen een ziel (kami), maar geldt dat ook voor dieren, planten en zelfs stenen. Binnen dit wereldbeeld is het niet vreemd dat ook aan robots een ziel wordt toegeschreven. En vanuit een boeddhistische achtergrond stelt de roboticus Mori dat ook robots ernaar streven hun boeddha-natuur te realiseren.
Net als in het Westen vergelijken Japanners mensen met dieren, maar dat is dan niet alleen om de verschillen te benoemen, maar ook – juist – de overeenkomsten. Traditioneel vervulden vooral apen deze spiegelfunctie, maar in het moderne Japan wordt die rol steeds vaker gespeeld door robots. Binnen het reflexieve antropomorfisme dat het Japanse wereldbeeld kenmerkt, staan robots niet tegenover de mens, maar maken zij er deel van uit.
Komt daarom het gedrag van Japanners in westerse ogen vaak robotachtig over? In de lokale Randen-trein kijk ik elke rit weer gefascineerd naar de machinist-conducteur, die razendsnel een script uitvoert. Vóór elke handeling – het kijken in de spiegel, op de klok, op de tabel met de dienstregeling, het draaien aan de handel die de trein in beweging zet – wijst hij met gestrekte vinger naar het object van de handeling.
Seksuele handelingen
Ik denk terug aan mijn lezing in de Hiroshi Ishiguro Laboratories, waarin ik onder meer stilstond bij het debat dat in 1939 plaatsvond tussen Turing en Wittgenstein over de vraag of machines kunnen denken. Zij deelden daarbij het behavioristisch uitgangspunt dat denken niet een mysterieus innerlijk vermogen is, maar iets dat zich toont in het gedrag. Omdat machines vanuit zichzelf geen intelligent gedrag vertonen, vond Wittgenstein de vraag of een machine kan denken net zo onzinnig als de vraag wat de kleur van het getal drie is. Turing, die enkele jaren daarvoor de programmeerbare computer had bedacht en in 1939 al volop nadacht over de mogelijkheid met behulp daarvan robots te bouwen, was het op dit punt volstrekt oneens met Wittgenstein. Bij een intelligent geprogrammeerde robot is het helemaal niet zo gek daaraan intelligent gedrag toe te schrijven. Als mijn kleinkinderen zeggen dat de stofzuigerrobot zich bij de trap omdraait omdat hij bang is om van de trap te vallen, dan is dat – anders dan het toeschrijven van een herfstdepressie aan de maaimachine – geen onzinnige, en op zijn best een poëtische uitspraak. Het taalspel rondom intenties verandert met de ontwikkeling van de technologie.
Voor de doorsnee westerling blijft het toeschrijven van een ziel aan een robot nog een brug te ver.
Maar voor de doorsnee westerling blijft het toeschrijven van een ziel aan een robot nog een brug te ver. Zeker binnen een mechanistisch wereldbeeld waarin zelfs wordt betwijfeld of mensen wel een geest hebben. Misschien zijn Japanners door hun door shintoïsme en boeddhisme gestempelde wereldbeeld conceptueel wel beter uitgerust om de gemeenschappelijke toekomst van mens en robot te denken en vorm te geven. En wellicht kunnen wij westerlingen daarvan nog wat leren.
Natuurlijk moeten we ons daarbij hoeden voor digitaal oriëntalisme, ongenuanceerde verheerlijking van oosterse robotwijsheid. Niet alleen omdat de tegenstellingen tussen Oost en West niet absoluut zijn (wie dat denkt, geeft zich over aan de problematische scheidingsdrift), maar ook omdat ook in het robofiele Japan de introductie van robots natuurlijk niet zonder problemen verloopt.
Dat laat zich bijvoorbeeld al aflezen aan de gebruikersovereenkomst die SoftBank de kopers van emorobot Pepper laat ondertekenen, en waarin de bepaling is opgenomen dat de gebruiker belooft af te zien van seksuele en anderszins onfatsoenlijke handelingen met de androïde. Die bepaling lijkt, anders dan in de onlangs in Engeland gestarte Campaign against Sex Robots, niet zozeer gemotiveerd te zijn door de angst dat dergelijke robots de vrouw dehumaniseren, maar vooral uit bekommernis om de kwetsbare robotziel.
De boeddha-natuur is ook in Japan nog niet in ieder gerealiseerd. Misschien is het daarom maar goed dat er van Erica voorlopig nog geen consumentenversie in de winkel ligt.
Jos de Mul is hoogleraar filosofie van mens en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Binnenkort verschijnt van hem bij uitgeverij Lemniscaat de tweede druk van Kunstmatig van nature. Onderweg naar Homo sapiens 3.0.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.