Honderdvijftig jaar geleden, in juli 1865, verscheen Alice in Wonderland van Lewis Carroll. Er verschijnen voortdurend nieuwe edities van het boek en biografieën over de schrijver. Zoals die van Robert Douglas-Fairhurst en Edward Wakeling. Hebben zij nog iets nieuws te vertellen?
Er waren in 1862 weinig locaties in Engeland die zo druk bevolkt waren als de onderwereld, de echte of fictieve wereld onder de oppervlakte van de aarde. Daar speelde zich in het gedachteleven van de Victorianen heel wat af. Dat schrijft Robert Douglas-Fairhurst in zijn boek over Lewis Carroll en Alice in Wonderland in The Story of Alice.
1862 was het jaar waarin Lewis Carroll het verhaal over Alice voor de eerste keer vertelde tijdens een boottochtje met Alice, Edith en Lorina Liddell, de drie dochters van het hoofd van Christ Church College in Oxford, waar Carroll als wiskundige lesgaf. Carroll werd door de meisjes gesmeekt om een verhaal te vertellen tijdens het roeien. Zonder er veel bij na te denken begon hij: hij liet het meisje Alice in een konijnenhol vallen, zonder meteen te weten hoe het verhaal verder moest. Er zat een zekere logica in dat Alice beneden in het hol een konijn zou aantreffen. Maar niet dat het konijn de aanwezigheid van Alice slechts voor kennisneming aannam en zenuwachtig op zijn horloge zou kijken alsof hij haast had.
The Story of Alice is niet de eerste biografie over Lewis Carroll en Alice. Tegelijk verscheen Lewis Carroll, The Man and His Circle van Edward Wakeling, de man die de uitgave van de negen delen van Carroll dagboeken heeft geredigeerd. Iets geheel nieuws over Carroll kunnen Douglas-Fairhurst en Wakeling niet vertellen. Maar wel weten ze Carrolls leven in zijn tijd te plaatsen, vooral Wakeling aan de hand van zijn vele vrienden en kennissen. Allebei verbinden ze het leven van Carroll met het leven dat zich om hem heen voordeed in de politiek, in de theaters, het Victoriaanse leven, onder zijn vrienden, in de wetenschap, de publieke discussies en de moraal van de tijd. Carroll was bepaald geen kluizenaar. Hij bemoeide zich met van alles, van de evolutietheorie tot de techniek van het stemmen. In dat verband komt bij Douglas-Fairhurst ook de onderwereld ter sprake. Hoe kwam Carroll er bij om Alice nu juist in een konijnenhol te laten vallen, diep in het binnenste van de aarde? Deze val zorgde ervoor dat het handschrift waarin hij het verhaal voor de echte Alice opschreef de titel Alice’s Adventures Under Ground kreeg. In 1865 werd het in de gedrukte versie Alice in Wonderland.
Wat zich onder de grond bevond zat vol geheimen en verrassingen, zoals de geologen en archeologen ook steeds vaker aantoonden.
De onderwereld, om het zomaar te zeggen, hing in de lucht. In 1845 was de populaire utopische satire Niels Klim’s Journey Under the Ground van Ludvig Holberg verschenen. A Journey to the Centre of the Earth van Jules Verne kwam uit in 1864. Het binnenste van de aarde, schrijft Douglas-Fairhurst, ‘was a place to which the Victorians increasingly enjoyed making mental excursions’. In hetzelfde jaar dat Carroll zijn verhaal vertelde verscheen Underground London van John Hollingshead. Het leven werd natuurlijk bovengronds geleefd, schrijft hij, maar het was in de ondergrondse van de beschaving (‘civilizations’s subways and hiding-places’) dat de verbeelding zijn gang kon gaan en zich kon overgeven aan ‘a passion of dreaming’. Wat zich onder de grond bevond zat vol geheimen en verrassingen, zoals de geologen en archeologen ook steeds vaker aantoonden. Het binnenste van de aarde bepaalde zelfs de toekomst: de mijnen waren voor het leven en voor de industriële revolutie onmisbaar. De vooruitgang speelde zich voor een groot deel onder de grond af: op grote schaal werden gasleidingen en sanitaire voorzieningen (rioleringen) aangelegd.
De bewijzen van Douglas-Fairhurst dat de onderwereld rond 1862 voor Carroll alomtegenwoordig was krijgt iets absurds wanneer hij er ook bij betrekt dat de vader van de echte Alice, de classicus en Dean van Christ Church, een algemeen bekende interesse had voor sanitaire voorzieningen en riolering. Een Duitse hoogleraar die hem kwam bezoeken werd naar een bouwplaats op het terrein van Christ Church College gebracht waar Dean Liddell vanuit de diepte (‘a loud voice was heard from below’) liet weten dat hij er aan kwam.
Een iets sterker argument dat Carroll de onderwereld niet kon ontlopen was dat in London in mei van dat jaar de eerste proefrit van de Underground was gereden. Die begon in Paddington Station, het station waar Carroll altijd aankwam als hij vanuit Oxford Londen bezocht. De Londense Metropolitan Railway was de eerste in de wereld. Het duurde even voor hij in januari 1863 echt in gebruik genomen kon worden. Men moest er ook aan wennen om ondergronds te gaan. De man die de officiële opening zou verrichten, Lord Palmerston, deed dat toch maar liever niet: hij wilde zo lang mogelijk bovengronds blijven. Op 4 juli, de dag dat Carroll Alice ondergronds liet gaan, meldde The Times dat een storm de riolering van Fleet had gebarsten en het werk aan de Underground onder de ‘evil-smelling sewage’ had gezet.
Op deze manier krijgt het ondergronds gaan van Alice meteen aan het begin van het verhaal een waaier aan associaties. In hoeverre Carroll zich ervan bewust was en of ze zijn spontane beslissing om Alice ondergronds te laten gaan hebben beïnvloed, blijft speculatie. Op dezelfde manier gaat Douglas-Fairhurst te werk wanneer hij uiteenzet hoe in Carrolls tijd de verhoudingen lagen tussen jonge meisje en oudere mannen. Het gerucht ging dat Carroll met de echte Alice Liddell had willen trouwen, terwijl ze pas veertien jaar was. Die ambitie had Carroll niet, maar hij was wel bevriend met een groot aantal meisjes, groot en klein. Zo ongewoon was dat niet, schrijft Douglas-Fairhurst. De kunstcriticus John Ruskin had eenzelfde belangstelling. Hij correspondeerde als negenendertigjarige in verliefde termen met een negenjarig meisje. De schrijver Wilkie Collins was epistolair bevriend met een twaalfjarig meisje. De zevenentwintigjarige Edgar Allan Poe trouwde met de veertienjarige Virginia Clemm.
Dat Alice in Wonderland honderdvijftig jaar geleden in 1865 verscheen is niet onomstreden. In de eerste druk staat 1866. Maar het boek was er al eind juni, zodat Carroll op 4 juli 1865, drie jaar na het ontstaan van het verhaal tijdens het boottochtje, Alice Liddell het eerste exemplaar kon aanbieden. Op 7 juli signeerde Carroll op het kantoor van de uitgever Macmillan een stuk of twintig exemplaren voor zijn intiemste vrienden. Onder hen was natuurlijk ook John Tenniel, de maker van de tekeningen die zo onverbrekelijk bij het boek zijn gaan horen. De brief waarin Tenniel bedankt voor het boek is verdwenen, maar de strekking was dat hij uitermate teleurgesteld was over de kwaliteit van het drukwerk, speciaal zijn tekeningen. Carroll was er zelf niet over gevallen.
Vandaag 20 juli, honderdvijftig jaar geleden, schreef Carroll in zijn dagboek: ‘Called on Macmillan, and showed him Tenniel’s letter about the fairy-tale, he is entirely dissatisfied with the printing of the pictures, and I suppose we shall have to do it all again.’ En dat gebeurde: er werd opnieuw gedrukt en de twintig gesigneerde exemplaren behoren nu tot de zeldzaamste boeken in de boekgeschiedenis. De eerste, door Tenniel afgekeurde oplage van 2000 exemplaren was wel gedrukt, maar ze was nog niet allemaal gebonden. Er waren nog 1952 ongebonden exemplaren. Die werden uiteindelijk door de Amerikaanse firma Appleton gekocht, alsnog in Engeland gebonden, naar Amerika verscheept en daar verkocht. In de nieuw gedrukte oplage staat 1866, maar het boek was er al in november. Vanaf augustus 1866, nadat de eerste druk was uitverkocht, werd Alice in Wonderland daarna onafgebroken herdrukt. Dat zal wel tot in de eeuwigheid zo blijven.
The Story of Alice. Lewis Carroll and the Secret History of Wonderland door Robert Douglas-Fairhurst is uitgegeven door Harvill Secker.
Lewis Carroll. The Man and his Circle door Edward Wakeling is uitgegeven door I.B. Tauris.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.