Margriet van der Linden vertrok als hoofdredacteur van Opzij om een roman te schrijven gebaseerd op haar jeugd en coming-out in een orthodox-gereformeerd milieu. ‘Het zou mooi zijn als in een bibliotheek ergens ter wereld een meisje mijn boek leest en denkt: potverdomme, ik ben niet de enige.’

Rond haar veertiende las Margriet van der Linden in de bibliotheek van haar woonplaats Ridderkerk stiekem een boek waarvan ze gaandeweg doorkreeg dat het over haar ging. Verscholen achter de Grote Bosatlas verdiepte ze zich in de amoureuze affaires van een jonge vrouw met andere vrouwen. Het boek heette Rubyfruit Jungle en had begin jaren zeventig opzien gebaard omdat de Amerikaanse schrijfster Rita Mae Brown erin expliciet over lesbische relaties schreef. Nu snapte Van der Linden waarom ze zo gefascineerd was door de Tsjechisch-Amerikaanse tennisster Navratilova, die een relatie had gehad met Rita Mae Brown.

Van der Linden (45), die later onder andere bekend werd als hoofdredacteur van het feministisch maandblad Opzij en presentator van VPRO’s Zomergasten, groeide op in het christelijk-orthodoxe milieu van Ridderkerk, in de buurt van Rotterdam. Haar ouders waren lid van de Gereformeerde Bond binnen de Hervormde Kerk, lazen het Reformatorisch Dagblad en stemden SGP. Op de reformatorische middelbare school moest ze rokken dragen en bij voorkeur lang haar. Ze mocht geen lid worden van een tennisvereniging want dat betekende dat je je moest encanailleren met de seculiere wereld. Een bezoek brengen aan café of bioscoop was uitgesloten – stel dat de Heere Jezus terugkwam op aarde en hij trof haar op die plekken aan, ondenkbaar. ‘Dus ja,’ zegt ze, ‘als dát al niet mocht, dan was het zo klaar als wat dat die gevoelens van mij al helemaal niet konden, dat ik er vanaf moest. Het is nooit expliciet gezegd, zulke dingen wist je.’

Acht jaar na Rubyfruit Jungle, op haar tweeëntwintigste, vertelde Van der Linden haar ouders dat ze lesbisch was. Over de worsteling daaraan voorafgaand gaat De liefde niet, haar literaire debuut dat deze week verschijnt. In het verhaal heeft ze zich vrijheden gepermitteerd, maar de grote lijnen van haar eigen leven zitten er duidelijk in. Hoofdpersoon M voelt zich van jongs af aan anders dan haar vader, moeder en twee broers onder de geloofsregels die het dagelijks leven bepalen. Als ze op kamers gaat in Amersfoort, waar Van der Linden ook in werkelijkheid de Evangelische School voor Journalistiek volgde, ziet ze gaandeweg dat bidden tegen haar ‘zondige’ gevoelens niet helpt, dat ze is zoals ze is.

Geen j’accuse

De liefde niet is een coming-of-ageroman, maar in dat klassieke genre had Van der Linden nog niet eerder gelezen over iemand die in een orthodox milieu zijn homoseksualiteit ontdekt. ‘Ik zag er een verhaal in, misschien ook wel omdat ik er vaak vragen over krijg. Veel mensen vinden mijn achtergrond in combinatie met het lesbisch zijn ontzéttend interessant.’ Coming of age betekent in het geval van meisje M overigens óók eindeloos ouwehoeren en wijn drinken in haar studentenflat en de toestand wordt echt kolderiek als een van haar streng christelijke vriendinnen, intussen getrouwd en zwanger, zich tegen haar aanwerpt en opbiecht dat M de ware voor haar is. Van der Lindens toon is licht en nergens beschuldigend. Maar je proeft wel haar voortdurende verbazing over idiote dogma’s die voor iedereen om haar heen even vanzelfsprekend waren als de zwaartekracht.

U kondigde deze roman aan toen u twee jaar geleden bij Opzij vertrok en had toen nog geen letter geschreven. Hoe was het om in een relatief korte periode zo intensief terug te gaan naar uw jeugdjaren?
‘Het was mooi en confronterend en bij tijd en wijle heftig. Het is niet op voorhand een therapeutische exercitie geweest, ik ben een volwassen vrouw die die jaren behoorlijk heeft verwerkt. Het boek is ook geen j’accuse: kijk eens mensen, wat voor vreselijks mij is overkomen. Maar ik heb wel bepaalde inzichten gekregen. Toen ik dat meisje van vroeger bestudeerde, dacht ik: er zat een eenzaamheid in die ik jarenlang buiten de deur heb gehouden. Ja, dacht ik, dit is pittig voor je geweest.’

Foto: Robin de Puy

U hoopte dat uw boek anderen tot steun zou zijn, zoals dat bij u het geval was met bijvoorbeeld Rubyfruit Jungle.
‘Ik schop mijn boek niet als een evangelist de wereld in, maar het zou natuurlijk mooi zijn als in een bibliotheek ergens ter wereld, misschien wel in Islamabad, een meisje achter een grote atlas mijn boek leest en denkt: potverdomme, ik ben niet de enige.’

Zijn uw ervaringen te vergelijken met die van homoseksuelen in de orthodox-islamitische wereld?
‘Dat denk ik wel, ook in die zin dat je je realiseert: als ik hieraan toegeef en kies voor mezelf, bestaat de kans dat ik niet meer bij mijn familie of gemeenschap kan horen. Dat is nogal wat. Je vraagt je af: kan ik dat aan, is dat het waard? De emancipatie van moslimvrouwen heb ik altijd heel goed begrepen en ook dat die tijd kost. Deze thematiek heeft te maken met de gemeenschap versus het individu. “Kom op, je mag toch jezelf zijn?” zegt de vrijdenkende, seculiere wereld. Dan denk ik: je weet niet hoe makkelijk je dat roept.’

Van alles stiekem

Wie de 391 bladzijden van De liefde niet achter de rug heeft, verwacht bijna dat Margriet van der Linden zal verschijnen in een broekrok. Het kledingstuk met de wijde, driekwart pijpen was in haar Ridderkerkse jaren het enige broekachtige dat ze mocht dragen, bij wijze van ‘gedoogconstructie’. Ze was er dol op, alles beter dan een rok. Maar goed, ze komt etablissement Luxembourg op het Amsterdamse Spui binnen in een parka met daaronder een wijde trui, spijkerbroek en gympen. Het korte haar is in een grote kuif gekamd, van haar vroegere accent is niets over. Aan alles is duidelijk: de periode die ze beschrijft, ligt ver achter haar.

Na de school voor de journalistiek in Amersfoort verhuisde ze naar Amsterdam en was ze achtereenvolgens redacteur bij het VARA-programma De ronde van Witteman en RTL Nieuws, en presentator bij het actualiteitenprogramma 5 in het Land. Van 1998 tot 2001 werkte ze als correspondent in de Verenigde Staten, onder andere voor de actualiteitenrubriek Twee Vandaag. Een korte periode was ze presentator bij de regionale omroepen AT5 en RTV Noord-Holland, waarna ze twee keer hoofdredacteur was: van 2002 tot 2007 bij de glossy BLVD en van 2008 tot 2013 bij Opzij. Tussendoor, in 2009, presenteerde ze Zomergasten en eerder dit jaar was ze de mol in Wie is de mol?.

Voor de goede orde zegt ze: ‘Het is niet zo dat ik een heel treurige, serieuze kindertijd heb gehad. Je leeft gewoon je leven. Maar er was een parallelle wereld waarvan niemand weet had en die zat in mijn hoofd. Ik fantaseerde erop los, ik vluchtte in gedachten over Navratilova en Wimbledon winnen, omdat de reële wereld steeds meer ging uitstralen: ik hoor hier niet.’

U bent geboren vlak bij Rotterdam in 1970, maar in uw boek lijkt het Urk in de jaren dertig. Vindt u dat achteraf niet ongelooflijk?
‘Het grappige is dat ik ook wel eens heb gedacht: misschien overdrijf ik, mijn geheugen zit me te fokken. Maar het is niet uit de duim gezogen.’
De eerste twee jaar hoopte ik nog dat die homoseksualiteit zou overwaaien, dat het een fase was, een soort verlate puberteit.

Jullie hadden thuis geen televisie, uw vader noemde voetbalsupporters aanbidders van Baäl en u mocht geen poster van Abba aan de muur hangen.
Ze moet lachen. ‘Mijn vader zei: “Abba is een Hebreeuwse aanduiding voor God, zo’n poster kan niet goed zijn.” Ik dacht: hoe kan dat nou? Het zijn de eerste letters van die luitjes in die band met die lieflijke muziek, is dat nou ook al slecht?’

U ging van alles stiekem doen: shag roken, televisie kijken bij anderen, naar het café. Is dat onvermijdelijk in zo’n strikt milieu?
‘Omdat er zoveel ge- en verboden zijn, wordt het stiekeme bevorderd. Dat gold niet voor alle kinderen, maar wel voor mij. Ik weet nog dat we met een clubje naar het café in ons dorp gingen. Het was vroeg in de avond, ik dronk pisang ambon met jus d’orange. Barst er toch een onweer los, ik dacht: nu ga je het krijgen. Ik had geleerd dat onweer de stem Gods was, dus ja, dan liet hij op dat moment behoorlijk van zich spreken. Het opperwezen zag alles, hè? En dan zat Margriet van der Linden pisang ambon te drinken in een café, dat kon niet goed zijn.’

Op de middelbare school werd u opstandig, had dat te maken met de homoseksuele gevoelens die niet mochten bestaan of zou het anders ook zijn gebeurd?
‘Daar heb ik ook over nagedacht: wat was dat nou? Ik denk dat het een karakterkwestie was, sinds ik klein was had alles mijn belangstelling behalve de omgeving waarin ik opgroeide. Maar het had misschien ook te maken met die homoseksualiteit. Op vrij jonge leeftijd uitte zich dat, waardoor ik voelde: volgens mij zit ik hier niet op mijn plek. Ik hield van mijn ouders en broers, maar ergens was er een disconnect.’

U had uzelf kunnen verloochenen. U zoende met jongens.
‘Ja, daar was ik niet vies van.’

Een van hen deed u een aanzoek.
‘Er was inderdaad een aanzet tot de huishoud-spullen van Brabantia. Er zijn gay mensen die daarin meegaan, hè? Die zijn keurig getrouwd en zitten nog gewoon in die gemeenschap. Of ze blijven vrijgezel en vertellen het pas als hun ouders dood zijn. Ik kon dat niet.’

U koos voor de journalistiek om de rest van de wereld te leren kennen, toch?
‘Heerlijk. Héérlijk.’

Toen u in Amersfoort op uzelf woonde, kwam u steeds minder thuis. Waarom?
‘De eerste twee jaar hoopte ik nog dat die homoseksualiteit zou overwaaien, dat het een fase was, een soort verlate puberteit, ook omdat ik jongens niet vervelend vond. Maar ik besefte steeds meer dat er helemaal niets overging. Als ik dan thuis was bij mijn familie raakte ik het meest verdrietig over de situatie, dan was de eenzaamheid het grootst. Ik voelde me een heel slecht mens, erger dan ergens anders.’
Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau doen homojongeren vijf keer vaker een poging tot suïcide dan hun hetero leeftijdsgenoten.

Wat heeft gemaakt dat u op uw tweeëntwintigste uw ouders openheid van zaken gaf?
‘Dat is redelijk mysterieus. Opnieuw zal het een karakterkwestie zijn, de aard van het beestje. Ik merkte ook dat het ongezond was dit te blijven verzwijgen. Ik dacht: op een dag spat ik uit elkaar. Ik kon niet anders.’

In het boek zegt uw hoofdpersoon, vlak voordat ze met haar ouders praat, dat haar voorland teleurstelling is en dat ze zich voorbereidt op verlies.
‘Ik wist dat het een grote ramp zou worden.’

Maar de ramp zelf beschrijft u niet. Waarom niet?
‘Ik vind het mooier. Het belang van dit boek zit hem in de emancipatie van de hoofdpersoon, de wording van het individu in deze orthodoxe omgeving.’

Dat snap ik, maar hoe is het gesprek met uw ouders in het echt verlopen?
‘Hoe het specifiek is gegaan, vind ik een privékwestie. Maar de hoofdpersoon had het bij het rechte eind.’

Heeft u er één keer met uw ouders over gepraat of vaker?
‘We hebben het er meerdere keren over gehad. Voor mijn gevoel heeft het jaren gehannes opgeleverd, waarin mijn ouders iedere keer lieten merken: we hebben er grote moeite mee, het mag niet, zo ben je niet opgevoed, het is niet bijbels. Er is gaandeweg een grote onhandigheid over het onderwerp ontstaan, ik snap ook niet meer hoe ik het erover moet hebben. Hoe moet ik nog een keer duidelijk maken dat er voor een volwaardige relatie met mijn ouders ruimte moet zijn voor ieders leven?’

Kun je zeggen dat homoseksualiteit in Nederland alleen in orthodoxe geloofskringen niet is geaccepteerd, maar verder wel?
‘Er zijn meer gemeenschapjes waarin het nog steeds niet goed ligt, de sportwereld, de politiek… Er zijn maar weinig politici die openlijk homoseksueel zijn. We zijn een gelukkig en vrij land, maar ten aanzien van bepaalde kwestietjes, als ik het even ironisch mag uitdrukken, valt er nog wel wat te verbeteren. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau doen homojongeren vijf keer vaker een poging tot suïcide dan hun hetero leeftijdsgenoten. Ze worden gepest, hebben psychische problemen en verslavingen. Dat is toch niet erg fraai.’

Foto: Robin de Puy

Er wordt vaak gezegd dat de homohaat is toegenomen door moslimjongeren. Ervaart u dat ook?
‘Zeker niet. Dit jaar bracht het SCP een rapport uit waaruit blijkt dat één op de drie Nederlanders het een probleem vindt als homoseksuelen, met name mannen, elkaar in het openbaar kussen. Eén op de drie! Dat betekent dat er iets nog niet goed zit. Zo vaak wordt mijn gevoel afgestraft en niet alleen in kringen die de schotels op het oosten hebben gericht. Ik heb met heel welopgevoede mensen aan tafel gezeten en toch zat er dan weer eentje tussen die de hele avond moest benadrukken dat ik van de vrouwen was. Dan dacht ik: why?’

Hoopt u dat uw ouders uw boek lezen?
‘Mmmmm… Dat weet ik niet.’

Of kan het u niet schelen?
‘Die onverschilligheid heb ik niet. Maar ik zit er niet op te hopen, omdat het boek geen bedoeling heeft ten opzichte van hen, het is geen boodschap. Tijdens het schrijven heb ik hen ook uit mijn hoofd gezet, anders kreeg ik het niet voor elkaar. Als de hele familie in een soort kerkbank achter me had gezeten, had ik dit niet kunnen doen.’

Blanke heteromannen

Van der Linden was dit jaar tijdens de Gay Pride lid van de jury die de mooiste boot bekroonde – de keuze viel op die van het COC waarop twee mannen ostentatief stonden te zoenen. Sinds april is ze voorzitter van de Pride Photo Award, vergelijkbaar met World Press Photo, maar dan gericht op seksuele identiteit en genderdiversiteit. Maar het meest actief is ze de laatste jaren geweest in de vrouwenzaak, en niet alleen door haar hoofdredacteurschap van Opzij. Vorig jaar oktober mocht ze als Nederlandse vrouwenvertegenwoordiger de VN toespreken, waarbij ze de wereldleiders opriep iets te doen tegen seksueel geweld waarvan één op de drie vrouwen slachtoffer is. Waarom, hield ze haar publiek voor, is pas ingegrepen tegen IS nadat er mannelijke gijzelaars waren onthoofd? Waarom niet al toen IS op grote schaal vrouwen verkrachtte en tot slavin maakte? Voor dit soort gevallen bestaat zelfs een speciale VN-resolutie, 1325.

Bent u in de vrouwenzaak gerold of was dat een bewuste keuze?
‘Ik heb het me nooit voorgenomen, maar ik denk dat uit mijn boek wel blijkt waarom ik erin terecht ben gekomen. Het klinkt suf, maar emancipatie zat in mij, het was mijn route. Ik heb nooit gedacht: op een dag ga ik de barricaden op of hoop ik nog eens hoofdredacteur te zijn van Opzij. Wel: als ik er sterk en mondig genoeg voor ben, zal ik niet schuwen me erover uit te spreken. Ik heb er veel aan gehad dat anderen dat deden toen ik nog in mijn schulpje alles zat uit te pluizen.’

U volgde in 2008 bij Opzij Cisca Dresselhuys op, die na bijna dertig jaar met pensioen ging. Zelf had ze nog langer willen blijven, heb ik begrepen.
Bedachtzaam: ‘Ja, dat kan wel.’

U wilde de derde feministische golf in het blad introduceren en noemde die: feminisme 3.0. Waar ontwaart u die golf?
‘In de Verenigde Staten heb ik gemerkt dat er nieuwe energie ten aanzien van dit onderwerp is. Misschien kwam het ook wel door de beweging rondom Hillary Clinton, toen zij zich in 2007 kandidaat stelde voor de presidentsverkiezingen. Ik heb haar als journalist gevolgd en dan hoorde je vaak: is Amerika klaar voor een vrouwelijke president? Er kwam nogal wat los aan emancipatoire thema’s, niet zelden door de manier waarop de media haar afschilderden en hoe ze werd benaderd. De zaak leek weer te gaan leven en ik weet van dat soort golven: als ze dáár zijn, komen ze ook hier.’

Waar ziet u die golf dan hier?
‘Bij jonge columnisten als Asha ten Broeke, Simone van Saarloos, Myrthe Hilkens, Hasna El Maroudi. Zij afficheren zich vrij schaamteloos met dit onderwerp.’

Moet je niet constateren dat het feminisme aan veel vrouwen niet is besteed? Volgens de OESO werken Nederlandse vrouwen veel vaker in deeltijd dan in andere landen en dat is al jaren zo.
‘Het is hier een deeltijdparadijs. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de partijen van de christenen en de arbeiders ieder om hun eigen redenen het kostwinnersmodel ingevoerd, waarbij de man buitenshuis werkte en de vrouw thuis voor de kinderen zorgde. Dat heeft bijgedragen aan de verdeling zoals die tot op de dag van vandaag bestaat.’
Als je de macht aan tafel wilt, wie krijg je dan? Blanke heteromannen van zekere leeftijd.

Talkshows, nog zoiets. Vaak wordt gezegd dat er te weinig vrouwen aan tafel zitten, maar volgens die programma’s willen veel vrouwen zelf niet.
‘Er is een clubje dat niet wil omdat het denkt: dat is eng, dan word ik afgezeken. Vrouwen maken zichzelf onnodig klein. En er is nog iets. De macht ligt in Nederland grotendeels bij blanke heteromannen van zekere leeftijd. Dus als je de macht aan tafel wilt, wie krijg je dan? Blanke heteromannen van zekere leeftijd.’

Laatst is de Top 100 Machtige Vrouwen van Opzij weer gepresenteerd, die u nog heeft bedacht. Hasna El Maroudi, nota bene columnist bij Opzij, heeft de lijst volledig afgebrand.
‘Waarschijnlijk omdat hij te wit is?’

Precies. Ze wijst erop dat juist de niet-witte vrouwen nog een grote emancipatieslag hebben te maken. Ze noemt de lijst e’en Libelle-light lulkoekverhaal waar de zelfgenoegzaamheid vanaf druipt’.
Lachend: ‘Dan heb je een leuke columnist in huis. Ze heeft absoluut een punt. Jonge meiden uit migrantengemeenschappen hebben nog grote slagen te maken – ik weet hoe dat is omdat ik het zelf heb meegemaakt. Dáár zit voor het feminisme 3.0 juist de interessante beweging. Maar om nu te zeggen dat die Top 100 Machtige Vrouwen niet deugt, is met alle respect een denkfout. Het is dezelfde kwestie als met de talkshows: blanke vrouwen hebben op economisch gebied een voorsprong en dus zijn ze beter vertegenwoordigd op zo’n lijst.’

Misschien heeft een donker iemand uit de kunstwereld ook wel macht.
‘Daar moet op gelet worden en daarom heeft El Maroudi ook een punt.’

De oplage van Opzij is in tien jaar gehalveerd, ruwweg van 80.000 naar 40.000. Ook u heeft de oplagedaling niet kunnen keren. Is er nog bestaansrecht voor een feministisch blad?
‘Ik vind van wel. Bij de uitgeverij kan het idee bestaan: we moeten zo groot zijn als vroeger, dus laten we ietsje minder feministisch worden en iets meer de breedte ingaan. Maar het gevaar bestaat dat het dan een gewoon vrouwenblad wordt en daarvan zijn er al genoeg. Feminisme is het dna van Opzij en misschien ga je dan zo langzamerhand naar een niche toe. Maak er dan een verdomd goeie niche van en misschien groeit die op een dag wel weer.’

Foto: Robin de Puy

Ik las en hoorde dat de Opzij-redactie u een leuk mens vond, geestig ook, maar zo nu en dan was u onvindbaar en beantwoordde u uw telefoon en mail niet. En als u dan weer op de redactie kwam, moest ineens alles anders. Sommige redacteuren werden daar gek van.
‘Ik had weinig geduld voor de managementkant van het hoofdredacteurschap. Maar dat ik onbereikbaar was, wordt wat overdreven: dágen was ze weg. Nou, nee hoor. Ik heb een zeer opmerkzame geest, ik heb alles meegekregen. Maar ik vond het inderdaad soms best lekker om eventjes afstand te nemen. Ik had vertrouwen in de mensen op de redactie, dat waren volwassen vrouwen en geen jongeren die net van de school voor de journalistiek kwamen.’

Maar dan hadden die vrouwen verhalen uitgezet of dagenlang aan een cover gewerkt en dan kwam u binnen en gooide alles om.
‘Ja. Gebeurde wel eens. Dan was er een dag of wat chagrijn en dan trok het wel weer bij.’

Bent u impulsief?
‘Nee, maar ik ben wel iemand die de hele tijd nadenkt en plannen heeft. Ik wilde nieuw elan in dat blad, met nieuwe columnisten en verhalen die niet vanachter het bureau waren bedacht. Ik vond: je moet de hort op, met mensen praten. Er moesten grote dingen gebeuren.’

Na vijf jaar bent u vertrokken bij Opzij, terwijl u het aanbod had de titel uit te breiden met allerlei activiteiten. Is het niet raar dat u dit niet bent gaan doen?
‘Ik denk dat de meeste mensen het een rare move vonden.’

Onverwacht vooral. Bent u niet ontslagen?
‘Ik heb geen enkele moeite om te zeggen: het ging zo slecht met het blad, de uitgeverij heeft me er weggehaald. Maar het tegendeel is het geval. Bij de uitgeverij, toen nog WPG, hadden we een nieuw verdienmodel bedacht, een constructie waarmee we de titel zouden uitbouwen. We hadden de Top 100, we dachten aan congressen, een theatertour, van alles, en ik zou dat organiseren. Ik had thuis het vernieuwde contract liggen, maar ik deed er niets mee. Ik had het gevoel dat ik mezelf aan het verliezen was. Ik vond nog zoveel andere dingen leuk.’

Zoals een boek schrijven.
‘Dat was het.’

Nadat u wegging in 2013 is dat plan niet meer uitgevoerd.
‘Doodzonde dat het niet is geprobeerd.’

Wat vindt u nu van Opzij onder leiding van Irene de Bel?
‘Ik snap dat het leuk is als ik daar een uitspraak over doe, maar het meest vervelende is een ex-hoofdredacteur die ergens in het land zit te blèren hoe het moet.’

De kritiek op Opzij is dat het nu inderdaad een algemeen vrouwenblad is, vooral voor de witte, hoogopgeleide heterovrouw in de Randstad.
Stilte. ‘Lastig. Laat ik het zo zeggen: ik hoop dat alles erin zit wat ik zou willen, want feminisme 3.0 is er voor alle vrouwen, wit, zwart, rijp, groen, dik, dun, arm, rijk, homo, hetero.’

Leest u het blad nog wel?
‘Jawel, maar niet als een hongerige wolf. Ik lees al zo ontzettend veel andere dingen.’

Achter de brandweer aan

Margriet van der Linden heeft van alles in de journalistiek gedaan, maar het leukste vond ze wat ze als kind al deed: achter de brandweer of politie met gillende sirene aan fietsen om te kijken wat er aan de hand is. Haar correspondentenjaren in de Verenigde Staten waren wat dat betreft goud, ze kloof het hele land af. Maar, zegt ze: ‘Een andersoortig achter de brandweer aan fietsen was dit boek, waarbij ik in mijn hoofd in een verhaal moest duiken. Ik wist niet dat het zó bij me paste.’

Ze is van plan een tweede boek te schrijven en verder wil ze graag terug naar de televisie – ze voert serieuze gesprekken met producent Human Factor over een programma met Marc-Marie Huijbregts.

Denkt u niet: ik wil wat doen voor de vrouwen in het milieu waar ik uit kom?
‘Ik hoop dat ze mijn boek gaan lezen. Er gebeurt veel stiekem, hè? Ik denk dat het belangrijk is die vrouwen aan te jakkeren dat ze zelf iets gaan doen aan hun situatie. Het gekke is: niemand in Nederland bemoeit zich met hen. We zijn bezig met troebele praktijken in andere geloven, maar hoe deze vrouwen leven, vinden we best. Dan zeggen we ineens: ze mogen geloven wat ze willen.’

Leven deze mensen nog precies zoals in uw tijd?
‘Sommigen.’
Met mijn ouders is er geen contact. Het was vanuit mij niet meer te doen.

Hebben de meesten nu wel televisie?
‘Ik durf niet te spreken voor die hele gemeenschap. Maar er zullen mensen zijn die nog steeds principieel tegen televisie zijn.

Komt u nog wel eens in Ridderkerk?
‘Daar ben ik al heel lang niet meer geweest.’

Hoe is dan het contact met uw ouders?
‘Zoals waarschijnlijk wel te begrijpen is: er is geen contact. Het was vanuit mij niet meer te doen. Voor hen is het zo’n principiële kwestie hoe ik leef, dat het dat van de weeromstuit ook voor mij is geworden.’

Jullie bellen elkaar nog wel?
‘Sporadisch.’

En dat is hetzelfde met uw broers?
‘Ja. Het is misschien ook een soort ijzerenheinigheid van mij, hoor. Maar stel je voor: ik kan niets vertellen over mijn vriendin, waar we bijvoorbeeld naartoe zijn geweest op vakantie, en er wordt ook nooit naar gevraagd. Ik denk wel eens: omdat het als zonde wordt gezien, is het in hun ogen ook iets dat geen waarde heeft. Maar stel nu dat er in mijn relatie iets vervelends gebeurt, ziekte of overlijden, wat dan? Op een goed moment heb ik gedacht: bekijk het maar. Of in ieder geval: er zit geen ontwikkeling in. Het geeft ook wel aan dat er toch iets van de gereformeerde steilheid in mij is gevaren.’

Het lijkt me nogal een verdriet, je familie niet meer zien.
‘Dat is het. Dat is het. Maar daar heb ik mee leren omgaan.’

En nou heeft u voor het boek de hele periode met uw ouders en broers weer opgeroepen.
‘Dat was óók mooi. Ik weet alles nog, ik ben niets vergeten. Ik heb ook wel een verlangen naar toen, naar het vasthouden van dingen. Ik maak nog steeds de erwtensoep van mijn moeder.’

Haar telefoon gaat, op de display staat: ‘Mijn liefste (en nog twee anderen)’. Toen Kitty, de vrouw met wie ze in 2010 trouwde, het voor het eerst zag staan, riep ze uit: ‘Hé? Wie zijn die twee anderen?’ Van der Linden legde het uit. De liefste, dat was zij, Kitty. En die twee anderen, dat was zij ook. Het waren twee andere namen waaronder ze Kitty’s nummer eerder had opgeslagen.

Pride Photo

Sinds dit jaar is Margriet van der Linden bestuursvoorzitter van de Pride Photo Award, de internationale prijs voor foto’s op het gebied van seksuele diversiteit en genderidentiteit. De bijbehorende expositie wordt in meerdere landen getoond, Van der Linden hoopt zelfs in een land als Oeganda, waar een zeer strenge anti-homowet van kracht is. De foto’s zouden daar bijvoorbeeld in de Nederlandse ambassade kunnen hangen en via bezoekende Oegandezen iets teweeg kunnen brengen.

 

Margriet van der Linden, ‘De liefde niet’, 391 p., Querido, € 19,95. U kunt het boek hier bestellen.