Gevierd kunstenaar Barbara Visser was één jaar directeur van het IDFA (vanavond begint het weer!). Een hippe tussenpaus, zou je kunnen zeggen. Een openhartig gesprek over film, kunst, en na dertig jaar een ander op de stoel van Ally Derks.
Een jaar lang was Barbara Visser directeur van het IDFA, het grootse documentaire festival ter wereld, dat deze week van start gaat. Visser zou het één jaar doen, was van tevoren afgesproken. Ze volgde de legendarische Ally Derks op, een van de oprichters van het festival, die na dertig jaar afscheid nam. Visser is een gevierd kunstenaar die tal van prijzen won en was voorzitter van de Akademie van Kunsten, onderdeel van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Hoe is het om als kunstenaar, die altijd alleen werkt, opeens te belanden in een geoliede machine met tientallen medewerkers? Om mede de baas te zijn van een olietanker die jaarlijks honderden films moet selecteren, en honderdduizenden bezoekers ontvangt? We spreken elkaar een dag voordat het festival losbarst.
Op weg naar onze afspraak fiets ik door de stad waar posters hangen met teksten als ‘Julian Assange is coming to Amsterdam’, ‘A female serial killer is coming to Amsterdam’ of ‘Nine clickable pornstars are coming to Amsterdam’. Het is de opvallende door reclamebureau KesselsKramer ontwikkelde campagne voor het komende IDFA. Op YouTube is ook een razendsnel gemonteerde aankondiging voor het festival te zien, waarbij je als kijker achterblijft met het gevoel van: wauw, dit is he-le-maal hip and happening.
‘Dat was óók de bedoeling,’ zegt Visser lachend.
Het is een hippere campagne dan de afgelopen jaren.
‘Ik ben behalve beeldend kunstenaar ook groot liefhebber van vormgeving. IDFA heeft al sinds jaar en dag als logo het cameraatje van ontwerper Jan Bons. Op zich een goed beeld, maar ik vond dat het collage-achtige plaatje al jaren niet meer goed ingezet werd. Zullen we niet eens iets anders proberen heb ik toen gezegd. En dit is het resultaat.’
Laten we terug gaan naar vorig jaar. Hoe belandt een kunstenaar als jij op de directiestoel van het IDFA?
‘Al vanaf het prille begin ben ik een trouw bezoeker van het festival. In de loop der jaren heb ik ook projecten getoond, heb een keer een filmprogramma samengesteld én zat de laatste jaren in het bestuur. Toen Ally Derks wegging vroegen ze zich bij de organisatie af: wie moet dit in godsnaam gaan overnemen? De organisatie moest even uitblazen. Ze vonden mij een prettig persoon, maar wisten niet of ik het kon. Dat wist ik zelf ook niet. We hebben tegen elkaar gezegd: laten we kijken hoe het gaat. Ik begon er heel open aan, wist niet precies wat het in zou houden, maar ik wist dat ik het een fantastisch festival vind.’
Wat trof je aan op de eerste dag?
‘Een groep keihard werkende mensen in een kantoor vol afzichtelijke oude meubels. Die meubels waren nog van de vorige huurder. IDFA-medewerkers vertelden me dat ze er meteen ingetrokken waren en aan de slag waren gegaan. Dat is natuurlijk lovenswaardig, maar ik ben ook een estheet: ik ben ervan overtuigd dat je in een fijne omgeving je werk beter doet. Dat je denkt: ha, ik mag weer in mijn mooie kamer gaan zitten. Ik wilde het anders.’
Wat heb je toen gedaan? Nieuw meubilair aangeschaft?
‘Ik heb heb nieuwe planten gekocht en we konden meubels overnemen van het Mediafonds, dat overigens tot mijn grote spijt ter ziele is gegaan. Zij hadden net een paar jaar eerder prachtige meubels gekocht. De kamer van Ally heb ik laten schilderen en heb er een groot bureau neergezet. Die kamer wordt trouwens soms nog steeds “Ally’s kamer” genoemd. Ja we zitten in Ally’s kamer, wordt er dan geroepen, dat was in het begin best intimiderend’
Waren de IDFA-medewerkers dan zo verweesd na het vertrek van Ally Derks?
‘Wat gebeurt er als ouders vertrekken bij kinderen? Dan worden die kinderen heel erg self supporting: sommige medewerkers dachten: we doen gewoon wat we altijd doen. En dat doen ze heel goed. Maar het is dan wel heel moeilijk om sommige dingen anders te gaan doen. Veel mensen die bij IDFA werken, zitten er al hun hele professionele leven. Zijn er ooit begonnen als stagiaire, receptionist en zijn doorgegroeid, die hebben hun plek gevonden. Je komt in een clan, een familie, waar ze zich – al dan niet terecht – afvragen: wat kom jij hier eigenlijk doen? Terwijl ik had gedacht dat ze het allemaal heel erg leuk zouden vinden dat ik er was! Ik realiseerde me dat ze het eigenlijk zelf ook allemaal even niet meer wisten.’
Ben je toch gaan proberen te veranderen?
‘Nee zo ben ik niet. En ik weet ook niet of dat de goede weg zou zijn geweest. Ik heb veel gesproken met algemeen directeur Cees van t Hullenaar, ik stond achter het beleidsplan dat eerder was opgesteld. Het leek me goed om dat uit te dragen en vorm te geven. Maar wat moeilijk is, is dat de dagelijkse praktijk van een organisatie bestaat uit veel vergaderen, veel notulen, veel heen en weer praten over wie wat moet doen. Voor mij was het nieuw: ik heb nooit op een kantoor gewerkt afgezien van vakantiebaantjes toen ik nog studeerde. Ik heb gezegd: je moet me inwerken, op een of andere manier begeleiden. Ook suggereerde ik om een secretaresse aan te nemen. Toen ik voorzitter was bij de Akademie van Kunsten was er een secretaris en die hielp me om te begrijpen hoe die organisatie werkte, voor iemand als ik die heg noch steg kende, was dat heel belangrijk. Maar bij IDFA dat vonden ze dat een beetje overdreven, Ally had immers ook geen secretaresse gehad. Maar bedenk wel dat Ally jaar na jaar met het festival meegegroeid was, het begon klein, en ieder jaar werd het een klein stukje groter. En toen was het enorm en daar was ze aan gewend geraakt.’
In een eerder interview zei je dat op het IDFA de cinematografische kwaliteiten van een film centraal moesten staan. Dat was een steen in de vijver, want Ally Derks programmeerde óók documentaires die filmisch misschien niet sterk waren, maar wel een maatschappelijk onderwerp op de kaart zetten.
‘Daar ben ik radicaal tegen. Ik vind dat een film goed gemaakt moet zijn. Maatschappelijk engagement staat voor mij op de tweede plaats wanneer je het over film hebt. Overigens houdt Derks ook van echte cinema hoor.’
Kreeg je hierover debat met de programmeurs en anderen binnen IDFA?
‘Nee, want ook zij willen meer de kant van de verbeelding op. Als ze dat niet hadden gewild was ik er niet aan begonnen.’
Zie je die nieuwe opvatting van filmische kwaliteit boven engagement terug in de programmering van dit jaar?
‘Je bent afhankelijk van wat je aangeboden krijgt. En het IDFA heeft dankzij Ally een heel stevig sociaal-maatschappelijk profiel.’
En dus hebben jullie veel afgewezen?
‘Ja, vanzelfsprekend. En sommige draken van films komen toch wel op Netflix. Als relatieve buitenstaander had ik de luxepositie dat ik niet al jaren aan de bar sta met regisseurs, dus ik had wat meer afstand. Dus ja, we hebben films afgewezen. Gelukkig komen de grote filmmakers die al jaren hun films vertonen op het IDFA niet met van die draken: die leveren kwaliteit. Maar in het totale aanbod zaten er maar een paar tussen waarvan ik dacht: dit is echt vernieuwend.’
Heb je van de IDFA-organisatie na een jaar toch jouw team kunnen smeden?
‘Nee. Ik vind dat oprecht jammer. Wellicht was het voor sommigen ook raar dat diegene over wier werk zij normaal beslissen plotseling op de stoel van de baas zit.
Dat klinkt als wantrouwen, heb je dat kunnen overwinnen?
‘Niet in alle gevallen. Wat ik wel heb gedaan, is ze de ruimte geven om pas op de plaats te maken. Zo kon de organisatie nadenken over wat ze eigenlijk zoeken in een creatief directeur.’
Waar ben je het meest trots op?
‘Wat echt goed liep was de selectie van de films en de samenstelling van de competitieprogramma’s. De programmeurs die daar al heel lang werken hadden mijn volledige vertrouwen, ik had alleen een veto. Dus als ik een film écht niet wilde, dan ging het niet door. Maar het is niet zo dat ik als een dictator zei: die wel, die niet. Ik nam de programma-afdeling hierin serieus: omdat zij ook open staan voor een wat verbeeldender soort films, zaten we daar heel erg op één lijn. Ik ben trots op het programma en dat bijna alle filmmakers er zijn en dat we een enorm arsenaal hebben aan uitgebreide nagesprekken.’
Wat heb je toegevoegd aan wat al bestond bij het festival?
‘Ik denk dat mijn inbreng verweven zit in de keuze van de films, en in het soort gesprekken achteraf. Verder heb ik met een programmeur het lustrum-programma The Visual Voice in De Balie samengesteld, waar ook een gespreksmarathon wordt georganiseerd met beroemde filmmakers, nieuwkomers, makers uit de nieuwe media, waarbij we gaan praten over waar we als festival vandaan zijn gekomen en waar het met de documentaire naartoe zou kunnen gaan.’
Kan je daar iets over zeggen? Waar gaan we naar toe?
‘Toen Ally Derks begon, kon je niet zomaar een documentaire bekijken. Je had af en toe wat op televisie, maar dat was het dan ook. Nu zijn documentaires overal te zien: online, op televisie, via Netflix… Je moet je afvragen waarom iemand nog naar een festival gaat. Om de film te zien, om anderen te zien, voor het nagesprek, voor de sfeer? Ik vind dat het festival heel erg over de verdieping moet gaan, wat leer je er van om de maker te horen. De maker praat als het goed is over het maken van de film, meer dan over het onderwerp. Mensen in de zaal willen vaak weten hoe het verder gaat met de hoofdpersoon, ook leuk, maar ik vind het ook van groot belang om te praten over de film zelf. Ik vind het belangrijk dat mensen nog beter leren kijken, beeldgeletterder zouden kunnen worden en via het aanbod van IDFA gebeurt dat vanzelf.’
Nu zijn documentaires overal te zien: online, op televisie, via Netflix… Je moet je afvragen waarom iemand nog naar een festival gaat.
Ally Derks heeft van het IDFA een heel groot festival gemaakt, dat is haar enorme verdienste. Wat moet er gebeuren om ook de komende dertig jaar relevant te blijven? ‘Naast films denk ik dan aan bijvoorbeeld tentoonstellingen met meer documentaire werken als installaties. Ik kan me voorstellen dat je met het Stedelijk gaat samenwerken of met fotomuseum Foam. We hebben al elf jaar DocLab met een expo, maar het zou nog veel uitgebreider moeten. Ik heb eens geroepen: het IDFA moet een documentaire-festival worden. Dus zonder het woordje film. Maar dat was tegen het zere been, dat was blijkbaar te snel.’
Wanneer heb je dit idee geopperd.
‘Na een paar maanden.’
Het woordje film weglaten bij het IDFA zou een kleine revolutie ontketenen. Was dat een vooropgestelde plan van je? Of zei je dat spontaan tijdens een vergadering of brainstorm?
‘Ik heb gewoon gedacht: welke kant moet het op? Ik dacht: het gaat toch om het non-fictie-verhaal en niet om het medium dat gebruikt wordt? Het betekende voor mij overigens helemaal niet dat film naar de zijlijn moest schuiven. Film is de basis, maar daar omheen kun je zoveel meer doen. Zelf heb ik me als maker nooit tot een medium beperkt, het is voor mij niet meer dan een middel.’
Wat was de reactie?
‘Dat IDFA film ís’
Wat dacht je toen?
‘Ik vond het wel sterk dat mensen verdedigen waar ze al zo lang mee bezig zijn. Dat ze niet zeggen: er komt een nieuw iemand en die wil iets anders. Weet je wat? Laat maar lopen! Ik vind het heel mooi dat ze dingen koesteren. Misschien dat mensen schrikken van zo’n uitspraak. Ik denk hardop en dat moet je – heb ik geleerd – nooit doen in een organisatie. Mensen schrikken zich kapot. Ik ben me daar niet zo bewust van geweest. Ik dacht: daar kunnen we toch over hebben? In die zin ben ik niet diplomatiek. Je moet dingen eerst achter de schermen laten inweken en masseren en ik flap het er gewoon uit. Gelukkig realiseerde iedereen zich dat we allemaal het beste met het IDFA voor hebben, dus we zijn er wél steeds weer met elkaar uitgekomen.’
Ga je van dit jaar een werk maken als vrij kunstenaar?
‘Alles komt altijd terug bij mij, alleen in welke vorm is afwachten.’
‘Mijn leven als directeur van een documentaire festival?’
‘Ik dacht eerder aan een zelfhulpboek dat je op vliegvelden kan kopen.’
Met als titel?
‘How to survive in the real world.’
Is het zo erg? Was het echt niets voor jou?
‘Het is wél iets voor mij, ik heb het ook ontzettend leuk gevonden. Maar zo’n groot schip dat dertig jaar land door één iemand is bestuurd, waar je in wordt gegooid zo van ‘nou, eh, veel plezier ermee’: dat had niemand gekund.’
Mag ik het niet omdraaien: is het niet zo dat het niet anders kon dan dat er een tussenpaus kwam? En ben jij die persoon geweest?
‘Dat zou goed kunnen.’
Is het IDFA klaar voor het post-Ally tijdperk, om na jou met een nieuw iemand door te gaan?
‘Dat zal de toekomst leren.’
Tot slot, wat ga je doen over twee weken als het festival voorbij is?
‘Toen ik gevraagd werd als directeur had ik net de financiering rond voor een film over het schilderij Who’s afraid of red yellow en blue van Barnett Newman. In de avonduren en de weekeinden heb ik die film afgemaakt. Hij zal binnenkort worden vertoond in bioscopen, musea, en ook op televisie.
De favoriete films van Barbara Visser
The Dread – Martin Benchimol, Pablo Aparo Argentinië
In het Argentijnse dorpje El Dorado hebben ze niet veel op met dokters. Zolangs er geen chirurg aan te pas komt kunnen ze elkaar zelf wel genezen. Er is een man die de ‘doodsangst’ kan genezen maar hoe? De lichtvoetige en droogkomische film, waarin de dorpsbewoners in de camera kijkend hun verhaal doen, legt gaandeweg ook de ontoereikendheid van hun theorieën en het geheim dat daarmee wordt afgedekt bloot.
Barbara Visser: ‘Dit vond ik een zalige film. Soms keek ik wel acht films per dag en die waren niet allemaal even licht, en als dan deze heerlijke film voorbij komt, wordt je daar ontzettend vrolijk van.’
In praise of nothing. Boris Mitic Servië, Kroatië, Frankrijk
De stem van Iggy Pop begeleidt hoofdfiguur genaamd ‘niets’ die moe van het begrip wat hem ten deel valt op reis gaat waarbij hij alles becommentarieert wat hij tegen komt. In de cadans van korte rijmende zinnen komen leven en dood, de relatie tussen man en vrouw, politiek, en de betekenis van het bestaan voorbij.
Barbara Visser: ‘Een krankzinnig film, ik dacht in het begin: wat is dit in godsnaam, maar binnen vijf minuten was ik helemaal verkocht.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.