Voor filosoof en socioloog Richard Sennett betekent samenwerken niet dat iedereen hetzelfde moet worden. We moeten juist ontspannen met verschillen omgaan.

Premier Balkenende kon je indertijd horen zeggen dat we ‘er samen voor moeten gaan!’ Als er iets is dat confessionele politici typeert dan is het dit alles ‘samen’ willen doen. Het gezin, de kerk, de buurt, de vereniging: alle vormen van samenleven vertegenwoordigen voor hen een rotsvaste waarde. De ‘gemeenschapszin’ die dit veronderstelt is niet alleen een persoonlijke deugd, er hoort ook een hele gedachtewereld bij, bekend als het ‘communitarisme.’ Daarvoor leveren filosofen als Charles Taylor, Amitai Etzioni en Alistair Macintyre de ideeën. Hun gemeenschapszin staat tegenover het liberalisme, het individualisme en de zogenaamde ‘identiteitspolitiek’, je identiteit zoeken in een geloof of etnische achtergrond. Dat is je isoleren en niet samen doen.

Maar er zijn kennelijk verschillende vormen van ‘samen’, gezien het boek Samen. Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit van de Amerikaanse filosoof en socioloog Richard Sennett. Sennett is geen communitarist, bepaald geen neo-liberaal en zijn individualisme is van een heel eigen snit. Samen is het tweede deel van zijn homo faber-trilogie waarvan De ambachtsman het eerste is. De mens als maker van zijn eigen gereedschap en zoveel mogelijk van zijn eigen wereld, dat is waar het Sennett om gaat. Alles moet bij Sennett van de grond af ontstaan (bottom up), niet van bovenaf, niet hiërarchisch. Er moet contact blijven met waar iets is begonnen.

Voor de communitaristen is het vanzelfsprekend om dingen samen te doen. Dat is het voor Sennett helemaal niet. Ook al is samenwerken volgens Sennett ‘in onze genen verankerd’, we hebben altijd te maken met onvolledige kennis van mensen en situaties. Bij Sennett valt regelmatig het woord ‘complexiteit’, want ‘hogere primaten (wij dus, CP) denken in veel te complexe termen om alles netjes in een winstverliesrekening te kunnen indelen; ze beprijzen de werkelijkheid niet, ze proberen hem in te schatten.’ De wereld van de organisatiedeskundigen heeft een veel te groot deel van de werkelijkheid ingenomen. Te veel ‘boekhouders’ denken in termen van kosten en baten en maken op die manier het grootboek van het leven tot een onleesbaar boek met een beperkte, alle variatie wegduwende kijk op het leven.

Sennett herinnert er aan dat Montaigne in de zestiende eeuw zich tegen het einde van zijn leven afvroeg of hij met de kat speelde, of de kat met hem. Waarmee hij wilde zeggen dat we vaak niet weten wat er in andere mensen omgaat, zo anders zijn ze. Dat is het uitgangspunt wanneer Sennett het over samenwerken heeft. Hij gaat ervan uit dat er vormen moeten worden bedacht om met verschillen en eigenaardigheden om te gaan. Die moeten wel intact blijven, die moeten niet in de egalisator ‘gemeenschapszin’ verdwijnen.

Hij verdiept zich daarvoor in de geschiedenis van de wellevendheid en het ontstaan van de ‘diplomatie van alledag.’ Volgens Norbert Elias in zijn vermaarde boek Het civilisatieproces ontstaat beschaving uit schaamte: de oude ridderlijke agressie veranderde in de late middeleeuwen in beteugeling van emoties door schaamte. Volgens Sennett besteedt Elias te weinig aandacht aan de prettige kanten van wellevendheid en heeft hij geen oog voor het coöperatieve karakter ervan. Wellevendheid is een uitwisseling, geen masker om agressie te verbergen.

Bij Sennett gaat het om het zoeken van evenwicht tussen de tegenstelling coöperatie en concurrentie, tussen de impuls tot het goede en die tot agressie. Sennett kan dan ook niets beginnen met Thomas Hobbes die de verhouding tussen mensen beschreef als ‘de mens is de mens een wolf.’ De natuurlijke staat van de mens is bij hem die van een beest: ‘de kaken en klauwen rood van ‘t bloed.’ Het menselijk bestaan is bij Hobbes ‘eenzaam, armoedig, afstotelijk, beestachtig en kort.’

Voor het evenwicht tussen coöperatie en concurrentie neemt Sennett de paradoxale La Rochefoucauld als voorbeeld, de zeventiende eeuwse moralist en schrijver van de Maximes. Die beschouwde het hof als zijn huiskamer. Hij liep er als een alles in zich opnemende observator rond, een psycholoog en socioloog avant la lettre: ‘Het werk van La Rochefoucauld’, schrijft Sennett, is een diepzinnige, verfijnde, maar ook duurzame vorm van vriendelijkheid: de verschillen, moeilijkheden en contradicties die ik in mijzelf bemerk (zoals ik ze ook in jou bemerk) staan ons toe samen te zijn. We verschillen van elkaar zoals we ook vanbinnen verdeeld zijn: laat ons dus met elkaar praten.’ La Rochefoucauld blijft onvervreembaar zichzelf, maar zoekt het gemeenschappelijke en het verschil.

Zoals Sennett het over samenwerken heeft lees je er zelden over. Het wordt bij hem dan ook een kunst. Hij gaat onder meer bij Baldassare Castiglione en zijn Het boek van de hoveling (1528) te rade. Daaraan ontleent hij een instelling die het samenwerken ontdoet van de spanning, te grove rivaliteit, van agressie en van te veel ernst. Breng in alles wat je doet een zekere achteloosheid, alsof alles je zonder moeite afgaat. Maar doe het niet te opzichtig. Neem je zelf dus niet te serieus, maak van jezelf geen Luther die krom loopt van de ernst. Deze instelling wordt door graaf Lodovico in De hoveling ‘sprezzatura’ genoemd, een houding waarover men een leven kan doen om hem te verwerven. Bij Sennett is het een van de componenten van de wellevendheid die nodig is om, ondanks alle verschillen tussen mensen, op een ontspannen manier samen te kunnen werken. Het is duidelijk: Sennett zoekt zijn voorbeelden in de literatuur, niet in de handboeken voor coöperatie en communicatie.

Opmerkelijk is dat Sennett een grote hekel blijkt te hebben aan solidariteit. Het is daarom vreemd dat het woord in de ondertitel van de Nederlandse vertaling terecht is gekomen (‘Pleidooi voor samenwerken en solidariteit’). De Engelse ondertitel luidt heel anders: ‘The Rituals, Pleasures and Politics of Coöperation.’ Sennetts bezwaar tegen solidariteit is dat het een ‘wij-tegen-zij’-verhouding creëert en dat staat ver af van samenwerking. Hij heeft het over de ‘perverterende kracht van solidariteit.’ Solidariteit is de vaste ‘verzetsstrategie’ van links tegen het kapitalisme en in die strategie heeft ‘samenwerking nooit een grote rol gespeeld.’ Het ‘wij-tegen-zij’ leidt tot ‘brute versimpeling van het sociale leven’ waarin het dan alleen om geld en status gaat. Sennett geeft wel toe dat de enorme afstand die is ontstaan tussen de elite (de 1% waar het kapitaal zit) en de massa, de mensen drijft naar het zoeken naar een of andere vorm van solidariteit, maar dat maakt alles des te erger.

Terwijl hij tot samenwerking wil komen, maakt Sennett het zich niet makkelijk door het benadrukken van de verschillen: ‘Mensen zijn wel en niet hetzelfde.’ Wie samenwerking zoekt moet daarom leren met ambiguïteit om te gaan. Dat woord zul je niet gauw tegenkomen onder communitaristen.

Richard Sennett, Samen. Een pleidooi voor samenwerken en solidariteit, vertaling Maarten v.d. Werf, Meulenhoff, 400 p., 24,95 euro