In zijn essaybundel ‘Tegen de stroom’ verdedigt oud-minister Ernst Hirsch Ballin de universele, maar tegelijk individuele mensenrechten. Als we recht willen doen aan het idee van de menselijke waardigheid, moeten we het afwijkende respecteren.

Oud-minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin gebruikte uitnodigingen om te spreken bij herdenkingen van bijzondere mensen voor het schrijven van opmerkelijke essays over de rechten van de universele en individuele mens.

Ineens gaat het opvallen dat Ernst Hirsch Ballin het regelmatig over de ‘realisten’ heeft. Die denken dat ze het dichtst bij de werkelijkheid staan, die doen niet aan luchtfietserij, die houden zich aan de feiten en zijn niet vies van een compromis. De laatste woorden van Tegen de stroom, het boek met essays waarin Hirsch Ballin het heeft ‘over mensen en ideeën die hoop geven in benarde tijden’, zijn dan ook geheel in de geest van het boek: ‘Zo realistisch is echt idealisme.’ Dit lijkt een aardig woordspel, maar betekent in de praktijk dat Hirsch Ballin het als jurist en realistisch idealist stelselmatig opneemt voor de uitzondering. De uitzondering is de ultieme toetssteen als men recht wil doen aan het idee van de menselijke waardigheid. Die vraagt om het respecteren van het afwijkende.

Aan de hand van vier mensen die tegen de stroom ingingen schept Hirsch Ballin in het recht ruimte voor ongewone mensen: Anton de Kom, de uit Suriname verbannen historicus van de slavernij, Lodewijk Ernst Visser, de president van de Hoge Raad die in 1941 als jood moest aftreden, Titus Brandsma, de priester en hoogleraar die hoofdredacteuren van katholieke dagbladen ervan moest weerhouden samen te werken met de bezetter, en Thomas More, de hoogste jurist onder Hendrik VIII die in 1535 werd onthoofd omdat hij Hendrik niet erkende als hoofd van de kerk. Dit waren mensen die niet zwichten voor het recht of voor de brutaliteit van de machthebber, de bezetter of de koloniaal, maar vasthielden aan het idee van menselijke waardigheid dat zegt dat je er andere gedachten op na kunt houden. Voor Hirsch Ballin vertegenwoordigen die vier hoop: dat er altijd nog mensen met een ideaal in hun hoofd zijn die op het goede moment de juiste beslissing nemen.

Met de klok mee: Anton de Kom, Titus Brandsma, Thomas More en Mr. Lodewijk Ernst Visser.

Hirsch Ballin gebruikt zijn vier uitzonderingen als een opstapje voor een bredere kwestie: de verdediging van de universele, maar tegelijk individuele mensenrechten. In de menselijke waardigheid vallen universele en individuele mensenrechten samen. ‘Mensenrechten hebben vele gezichten’, dat wil zeggen: ze moeten zowel universeel als strikt individueel kunnen zijn. Ze moeten mensen in staat stellen ‘te beslissen over hun eigen biografie.’ Dat noemt Hirsch Ballin ‘de dynamiek van de mensenrechten’: daar kan wat dan ook uit ontstaan.

Een van de consequenties hiervan is dat Hirsch Ballin vindt dat toegelaten vluchtelingen en migranten veel meer gezien moeten worden met een kosmopolitischer blik, als mensen zoals wij, met specifieke ambities, een levensperspectief en een uitgesproken individualiteit: ‘De confrontatie van “onze” rechten van de mens met een wereld waarin meer dan ooit mensen in beweging zijn gekomen, maakt duidelijk dat rechten van de mens vanuit verschillende perspectieven moeten worden beschouwd die veel meer te maken hebben met typeringen van de kijk op het eigen bestaan dan met de staatkundige wereldkaart, waarop elk land een andere kleur heeft.’ Nu wordt naar de (religieuze) kleur van een land gekeken waar iemand vandaan komt, in plaats van naar het specifieke van individuen. De westerling plakt te veel zijn eigen ideeën over de manier van leven op de ‘vreemdeling’. Men heeft te veel ‘een soort Hollandse heilsgeschiedenis’ in het hoofd waar anderen uit geweerd mogen worden. De ‘Ander’ wordt te weinig gezien als net zo’n uitzondering als jezelf denkt te zijn. Er wordt te veel generaliseerd.

Bij Hirsch Ballin valt het woord ‘multicultureel’ niet omdat hij daarvoor te universalistisch of kosmopolitisch denkt. Als ik het goed heb begrepen kijkt hij, enigszins paradoxaal, tegelijk naar wat mensen gemeen hebben en naar hun verschillen: ‘De verbindende factor van menselijke behoeften verklaart zowel de verscheidenheid als de universaliteit van rechten van de mens.’ Hirsch Ballin noemt dat ‘universaliteit zonder uniformiteit.’

Thomas More, de vriend van Erasmus, kon het niet met zijn geweten verenigen dat Hendrik VIII het hoofd van de Anglicaanse kerk wilde worden. Dit ‘nee’ van het geweten (dat eerder werd uitgesproken door Antigone in conflict met de staat) krijgt volgens Hirsch Ballin juridische erkenning in de rechten van de mens. Je zou dat het recht op nonconformisme kunnen noemen. Dat betekent dat mensen ‘onbevreesd tegen de stroom’ in moeten kunnen gaan omdat ze daar recht op hebben: ‘ze kunnen kritisch afstand nemen tegen het geldende recht.’

Het opmerkelijke en verfrissende aan deze essays is dat Hirsch Ballin heel ver gaat in de verdediging van het individuele recht. Het recht moet aansluiten op ‘concrete leefsituaties’, moet zo dicht mogelijk op de werkelijkheid zitten, tegen het singuliere, afwijkende, aan. Dat maakt het recht, schrijft Hirsch Ballin, ‘tot iets intiems.’ Dat lijkt me heel realistisch, hoe idealistisch ook.

Tegen de stroom van Ernst Hirsch Ballin is uitgegeven door Querido.