Bij Weissenbruch denk je meteen aan de schilder van Hollandse landschappen. Maar er is nog een Weissenbruch, Jan, de schilder van onorthodoxe stadsgezichten, zo blijkt uit een verrassende tentoonstelling in Teylers Museum.
‘De bekende schilder, vooral van stadsgezichten,’ noemde de Haagse kunstkenner Dr. H.E. van Gelder Jan Weissenbruch in zijn monografie over die andere Weisenbruch, Jan Hendrik, de schilder van landschappen. ‘Stadsgezichten’, die werden wel vaker geschilderd, moet ik gedacht hebben toen ik dat las, en besteedde verder geen aandacht aan Jan, van wie ik me geen schilderij voor de geest kon halen. Ik had ruim genoeg aan Jan Hendrik. Op de tentoonstelling Holland op zijn mooist. Op pad met de Haagse School in het Haags Gemeentemuseum werd ik vorig jaar speciaal getroffen door zijn landschappen en schreef daarover ‘Het wit bij Weissenbruch’. Ik dacht met een nieuwe tentoonstelling in Teylers nog een keer te kunnen toeslaan, maar dat ging niet door.
Het is een hele omschakeling dat de tentoonstelling in Teylers Museum niet over Jan Hendrik gaat, zoals ik dacht, maar over zijn neef Jan, de schilder van stadsgezichten, een berucht genre dat al gauw romantisch of pittoresk wordt. Maar lang duurde de omschakeling niet. De ‘stadsgezichten’ van Jan Weissenbruch zijn niet zomaar stadsgezichten. Het zijn subliem uitgekiende composities, hoe onaanzienlijk de straten, huizen en pleinen ook zijn die hij uitkoos om te schilderen. Ze zijn verre van schilderachtig of pittoresk. En ze hebben iets dat zijn neef Jan Hendrik ook heeft: het speciale gebruik van het wit. Ook bij deze Weissenbruch is het wit cruciaal. Het is alsof ze zich vanwege hun naam allebei verplicht hebben gevoeld het wit als hun geheime wapen in te zetten.

De twee bekendste schilderijen van Jan en Jan Hendrik, Aan de Lek bij Elshout van Jan dat in het bezit is van Teylers, en Te Noorden bij Nieuwkoop van Jan Hendrik dat van het Dordrechts Museum is, hebben allebei het aandacht trekkende wit in het midden van het schilderij. Bij Jan Hendrik is dat het witte zeil van het schip achter de brug, bij Jan de felle banen wit van de zon tegen het huis dat bijna onder de bomen schuilgaat. Het valt niet te ontkennen dat het wit hier verantwoordelijk is voor de koele charme van deze schilderijen. Het wit is strategisch in de uitgekiende composities geplaatst, bij Jan Hendrik tussen de donkere bomen links en het monumentaal donkere gebouw rechts, bij Jan als een fel contrast met de overhellende bomen.
Ook als de zon niet schijnt zorgen Jan en Jan Hendrik voor licht in de duisternis door iets op het schilderij met wit te accentueren. Het massief-donkere gebouw van de Sint-Laurenskerk in Rotterdam heeft op het hele schilderij van Jan heel subtiele toefjes wit, op de randen van de daken, de neus van het paard, de schouderdoek van een vrouw en de gotische ramen. Zonder het wit zou het schilderij zo dood als een pier zijn geweest. Het sterkste voorbeeld van hoe bewust Jan Hendrik het wit gebruikte is zijn Boerderij aan een vaart of ‘de waslijn’. Het silhouette met de lichte muur van de boerderij en de in bloei staande bomen steekt af tegen de lucht. Maar krijgt nog een extra accent: in de tuin, in het midden van het schilderij, hangt een lijn met kraakhelder wit wasgoed.
De rood-bruine of crème-kleurige stenen van de huizen zijn eigenhandig stuk voor stuk metselend geschilderd, het voegwerk hier en daar met minimaal wit geaccentueerd.
Pleinvrees
Van de twee Weisenbruchs was Jan Hendrik ‘de vrolijke Weiss’. Maar anders dan Jan zat hij juist niet tot zijn oren in de kunstwereld. Jan was oprichter van Pulchri, kunstkenner en adviseur van rijke kunstverzamelaars. Hij kreeg door de jaren heen een hele reeks medailles en eerbetonen. En dat ondanks zijn pleinvrees, reden waarom hij niet graag de deur uitging, zeker de laatste tien jaar van zijn leven (1822-1880) niet. Jan Hendrik (1824-1903) behoorde tot Haagse School en had een lossere, naar het impressionisme neigende toets. Jan was een realist die boven het realisme uitsteeg door het onaanzienlijke (binnenplaatsen, straatjes, schuren, houtvlotten, stadspoorten) allure te geven met een meedogenloze nauwkeurigheid en fijnzinnigheid. De grijs-groene stenen van zijn straten en ruime pleinen (voor iemand met pleinvrees!) zijn allemaal afzonderlijk geschilderd, zonder dat het al te veel opvalt. Hij schilderde zelfs het vuil tussen de stenen. De rood-bruine of crème-kleurige stenen van de huizen zijn door Jan Weissenbruch eigenhandig stuk voor stuk metselend geschilderd, het voegwerk hier en daar met minimaal wit geaccentueerd. Dat is goed te zien aan het huis rechts op het adembenemende meesterwerk Het Sint-Catherinagasthuis in de Beekstraat te Arnhem (Hermitage Petersburg, helaas niet op de tentoonstelling, wel in de catalogus). Dit schilderij, waarop straat en gebouw half rond weglopen als je ervoor staat, bevindt zich op gelijke hoogte als Gezicht op de Gouden Bocht in de Herengracht te Amsterdam van Gerrit Berckheyde. Net als Berckheyde gebruikt Weissenbruch de bijna witte muren als compositie-elementen, op een bijna abstracte manier.
Jan Weissenbruch was alleen bij wijze van spreken een realist. Hij schilderde wel herkende locaties, maar hij was een man die allereerst aan het schilderij dacht en daarna pas aan de locatie. Wanneer de compositie een schuur, een toren of een erker niet kon gebruiken, liet hij die rücksichtlos verdwijnen. De eigenaar van het huis of gebouw zocht hem dan tevergeefs. De ene keer was Weissenbruch voor critici te veel realist, de andere keer deed hij aan geschiedvervalsing. Er wordt gezegd dat Jan Hendrik in diagonalen dacht, en Jan in horizontalen en verticalen. Dat is goed te zien: door in de hoogte te denken maakte Jan alles enigszins monumentaal, zelfs als het om een achterafstraatje ging, zoals op Het hofje aan de Nieuwe Haven te Den Haag.
Je staat er wel van te kijken dat deze Weissenbruch met het schilderen van non-descripte plekken zoals de shabby binnenplaats van het stadhuis van Culemborg (en niet het schilderachtige gotische stadhuis zelf) zulke grote hoogten bereikte. De vuile gebladderde muren op de binnenplaats, de aftandse afvoerpijpen, de vermolmde raampjes, de barsten in het pleisterwerk: ze worden geschilderd alsof het de kroonjuwelen van Catharina de Grote zijn.

Weissenbruchs licht
Het wit vervult bij Jan Weissenbruch verschillende functies. Hij zoekt muren op die er eenzaam, kaal en niet gezien bijstaan en geeft ze een lading zonlicht zodat ze het hele schilderij licht gaan geven. Dat zie je op De Waltoren te Culemborg of op het zonovergoten Gezicht op de Koppelpoort te Amersfoort. Het hele bescheiden tafereel van de brug en de poort wordt beheerst door het spel met de schaduwen. Zie je mensen, dan zie hun schaduw, zie je een hond, dan is daar ook zijn schaduw. Alles ontstaat bij Jan door het contrast. De criticus van het Algemeen Handelsblad schreef dan ook in 1860: ‘Het is moeijelijk een zoneffect met meer waarheid en kracht op het doek te tooveren, meer soliditeit aan te brengen, dan Weissenbruch dit kan doen.’ Weissenbruchs licht wordt wel vergeleken met Vermeer. Maar het licht van het Gezicht op Delft is verstrooid zonlicht, zoals iemand terecht opmerkte, geen zonlicht dat scherpe schaduwen maakt, zoals bij Weissenbruch.
Een ander soort gebruik van het wit is te zien op De Prinsegracht te Den Haag (1880). Dit schilderij is niet zonovergoten, maar schaduwovergoten. De schaduw van de hoge huizen ligt als een uitgerold tapijt op de stenen van het gedempte deel van de gracht. Je kunt op het schilderij in de verte kijken. Anders dan je zou verwachten vervaagt die niet, maar wordt juist opgelicht doordat Weissenbruch wit tussen de stammen van de bomen heeft aangebracht, alsof de huizen daar in de verte wit zijn. De diepte wordt door het wit dichtbij gehaald.
Voor iemand met pleinvrees heeft Jan Weissenbruch wel erg veel pleinen geschilderd. Alsof hij het monster recht in het gezicht wilde kijken.
Voor iemand met pleinvrees heeft Jan Weissenbruch wel erg veel pleinen geschilderd. Alsof hij het monster recht in het gezicht wilde kijken. Net als met de monumentaliteit van zijn meestal armoedige huizen, maakt Weissenbruch juist veel werk van zijn straten en pleinen. Op De Grote Markt te Haarlem (1860) ligt het plein erbij als een zee. In plaats van golfjes zijn het steentjes. Zo’n zee van straatstenen moet hij graag geschilderd hebben, liefst met wat plukjes pratende vrouwen, een paar honden en een witte kip. Het zijn altijd eenvoudige volksvrouwen, allemaal min of meer identiek gekleed en nooit zonder een wit kapje en een witte omslagdoek. Die witte kapjes zijn een zegen voor de Weissenbruchs. Gezeten burgers zie je niet op zijn schilderijen.
Het realisme van Jan Weissenbruch blijkt van een heel eigenaardige soort. Hij is een fijnzinnig schilder die bij voorkeur niet fijnzinnige onderwerpen schildert als binnenplaatsen, armoedige huizen, vervallen stadspoorten en verweerde muren. Hij is verfijnd robuust. Waar Jan Hendrik zijn landschappen liet oplichten door de mast van een schip op een strategische plaats goed wit te schilderen, zo gaf Jan leven aan dode muren van huizen door ze in de felle zon te zetten. Hij denkt abstraherend en componeert in lichtvlakken, schaduwen en luchten. Het is daarom niet zo vreemd dat Helene Kröller-Müller in 1914 zowel Huizen in aanbouw aan de Anna Paulownastraat te Den Haag (1878) van Jan Weissenbruch kocht, maar ook Compositie in lijn en kleur (1913) van Mondriaan. Ze hadden iets met elkaar gemeen.
De tentoonstelling Jan Weissenbruch is tot 8 januari 2017 in Teylers Museum in Haarlem.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.