Daar zit Moppie. Naast zijn advocaat, pal voor de perstribune in de rechtszaal. De verdachte is klein en tenger. Hij wipt onrustig heen en weer op zijn stoel, en draait zich af en toe om naar het publiek. Dan toont hij een vriendelijke lach. In niets wijst zijn uiterlijk op dat van een koelbloedige moordenaar. Toch is Moppie eerder veroordeeld voor meerdere liquidaties.
Hij is in 1972 geboren in het Marokkaanse Beni Said en heet eigenlijk Mohamed. Maar dat was te lastig voor de Amsterdamse beroepscriminelen met wie de huurmoordenaar omging. Die houden niet van ingewikkeld. In die kringen word je vanzelf De Lange, de Schele, de Sigaar, de Neus, Zuurkool of Bolle genoemd. Of ‘Moppie’ in het geval van Mohamed. Hij is inmiddels old school, draait al twee decennia mee in het circuit van foute kaaskoppen. En dat maakt hem tot een goed voorbeeld van een volledig geïntegreerde criminele Marokkaan.
Niets in zijn uiterlijk wijst op dat van een koelbloedige moordenaar. Toch is Moppie eerder veroordeeld voor meerdere liquidaties
Terwijl Moppie al jaren vastzit en nu in hoger beroep terechtstaat in het grote liquidatieproces, moorden zijn jongere collega’s er lustig op los. De laatste jaren en maanden zijn er meerdere Marokkanen geliquideerd, voornamelijk in Amsterdam. In twee jaar tijd is deze groep beeldbepalend geworden binnen de Nederlandse georganiseerde criminaliteit. De jochies die tien jaar geleden in bepaalde wijken buurtoverlast veroorzaakten, zitten nu in de internationale drugshandel. Meerdere politiemensen hebben het eerder al openlijk beweerd: ‘de nieuwe Holleeder is een Marokkaan.’

Dubbele moord
Voor de buitenwereld lag het bewijs voor die stelling in de brute liquidatie van twee criminelen op 29 december 2012 in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. De daders schoten op toegesnelde motoragenten. Die dubbele moord lijkt een ijkpunt in de opkomst van wat sinds kort de ‘Mocro Maffia’ heet. Dat is niet toevallig ook de titel van het boek dat vorige week bij uitgeverij Lebowski verscheen. De auteurs Wouter Laumans en Marijn Schrijver schetsen daarin gedetailleerd, beeldend en met gevoel voor drama hoe de ‘kut-Marokkanen’ van weleer zijn opgeklommen tot de hedendaagse leiders van de Nederlandse onderwereld.
Mocro Maffia is doorspekt met liquidaties en pogingen daartoe, met veel aandacht voor voorafgaande en opvolgende onderwereldvetes en vermeende complotten. Voor de lezer zijn die onderlinge verhoudingen soms niet te volgen, maar dat de auteurs een ‘brandende kwestie’ hebben aangesneden, blijkt wel uit het feit dat de filmrechten al waren verkocht voor de verschijningsdatum van het boek. Marokkanen, zeker die met een smetje, zijn hot.
Marokkanen, zeker die met een smetje, zijn hot
Een stuk minder ronkend, maar net zo verontrustend is de vergelijkbare schets die Parool-journalist Paul Vugts geeft in zijn boek Doorgeschoten, dat eind mei verscheen. Hij benoemt de Marokkaanse roots minder expliciet, maar heeft het over ‘de nieuwe generaties onstuitbare criminelen’. Toch figureren in beide boeken dezelfde hoofdpersonen, voor een belangrijk deel van Marokkaanse afkomst. En op beide publicaties staat de inmiddels iconische foto van de zwarte Range Rover, de met kogels doorzeefde patserbak waarin de slachtoffers van de liquidatie in de Staatsliedenbuurt reden.
Daarmee lijken de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap er een nieuw probleem bij te hebben. Waar de jongens voorheen in één adem werden genoemd met buurtoverlast, straatroof, overvallen en jihadisme, spelen ze nu ook een hoofdrol in de serieuze misdaad.
Kille opsomming
Hoe dat zo is gekomen en of dat beeld terecht is, vraagt cultureel antropoloog Frank Bovenkerk zich af in zijn boek Marokkaan in Europa, crimineel in Nederland, dat vandaag verschijnt. Als voormalig hoogleraar criminologie deed Bovenkerk eerder baanbrekend onderzoek naar georganiseerde misdaad (onder meer voor de commissie Van Traa in de jaren negentig). Voor zijn nieuwste studie trok de wetenschapper Europa in en reisde af naar Marokko. Bovenkerk heeft gepoogd te achterhalen of in andere vestigingslanden met een grote Marokkaanse gemeenschap zich dezelfde problemen voordoen. En passant geeft hij gedetailleerd weer hoe in Nederland het fenomeen van criminele Marokkanen zich ontwikkelde.
Van alle mannen met een Marokkaanse achtergrond en tussen de 15 en 25 jaar oud is 52% ooit verdacht van het plegen van een misdrijf.
Eerst de feiten. Uit cijfers van het CBS blijkt dat in 2008 in Nederland 334.788 personen met een Marokkaanse achtergrond woonden, waarvan 59.725 mannen tussen de 15 en 25 jaar oud. Daarvan zijn er 31.282 (52%) ooit verdacht van het plegen van een misdrijf.
Waar gaat het dan om? Bovenkerk geeft een kille opsomming van de delicten. Bedreiging, intimidatie, agressie tegen hulpverleners, straatrellen, straatroof, homobashing, seksuele agressie tegen vrouwen, huiselijk geweld, loverboypraktijken, groepsverkrachtingen en uiteindelijk georganiseerde criminaliteit.
De wetenschapper staat nog apart stil bij politieke misdaad en noemt de Marokkanen Mohammed Bouyeri, Samir A. Yehya Kaddouri, Nouredine El F. en Rachid B. (de laatste twee waren leden van de Hofstadgroep) als voorbeelden. ‘In Nederland en België heeft 80 procent van de Syriëgangers de Marokkaanse achtergrond,’ schrijft Bovenkerk, om vervolgens droog te constateren: ‘De misdaad die wordt gepleegd door Marokkanen maakt ook bijzondere indruk op het publiek, omdat het eigenlijk altijd gaat om misdrijven met duidelijke aanwijsbare slachtoffers.’
Dát groepen migranten van de eerste, tweede en soms derde generatie oververtegenwoordigd zijn in misdaadcijfers, is geen nieuws. Ook niet dat immigratiefamilies worden geplaagd door generatieconflicten, gefrustreerde ouders en vervreemde kinderen. Bovenkerk verwijst naar het boek dat Leornard Covello in 1944 schreef over Zuid-Italianen die twintig jaar daarvoor naar de Verenigde Staten waren gekomen en zich hadden gevestigd in East Harlem. Die studie deed de cultureel antropoloog nog het meest denken aan de situatie van de Nederlandse Marokkanen.
Toch benoemt hij ook meteen een groot verschil met veel andere groepen migranten. Het probleem van de criminele Marokkanen duurt ‘opmerkelijk lang’, schrijft Bovenkerk. ‘Over het algemeen rekent men voor de integratie van immigranten een periode van vijftig jaar. Daarna zou men verwachten dat zo’n criminaliteitsprobleem is opgelost. Dat is hier niet het geval.’
En dat terwijl de misdaadcijfers in Nederland over de breedte lijken te dalen. Maar van alle etnische groepen scoren de Marokkanen nog steeds het hoogst. Ze worden ook nog eens steeds jonger en er duiken meer meisjes op in de statistieken. Terwijl er op dit moment op sommige plekken in Nederland toch met man en macht wordt gewerkt om het probleem terug te dringen. In de Top 600-aanpak van de gemeente Amsterdam werken maar liefst dertig instanties samen om de grootste raddraaiers intensief te screenen, aan te pakken en te begeleiden.
‘Het gaat eigenlijk altijd gaat om misdrijven met duidelijke aanwijsbare slachtoffers’
Het biedt op de korte termijn vooralsnog weinig soelaas. In de hoofdstad spreken opsporingsambtenaren en hulpverleners inmiddels van het Dalton-effect: als je één jongen uit de groep haalt, staat de volgende al weer klaar. Vaak een jonger broertje, niet ouder dan 12 of 13 jaar. In Doorgeschoten refereert Parool-journalist Paul Vugts aan een GGD-rapport uit 2013, waarbij 200 van de jongens uit de Top 600 zijn onderzocht, en dat zijn in de meerderheid Marokkanen. De gezondheidsdienst constateerde dat 99 procent een slecht ontwikkeld geweten heeft, 89 procent geen of weinig empathie voelt en 86 procent impulsief is en zijn agressie niet kan beheersen. Gemiddeld hebben de jongeren een IQ van 80.
Typisch Nederlands
In de andere Europese landen die Bovenkerk in zijn onderzoek betrok (Duitsland, Frankrijk, België, Spanje en Italië), lijkt het probleem veel minder pregnant. Terwijl er toch de nodige overeenkomsten zijn. Ook daar komen veel Marokkaanse migranten uit het Rifgebied, bestond de eerste lichting voornamelijk uit laaggeschoolde gastarbeiders en werden ze allen aangestuurd door de Marokkaanse regering.
Maar er zijn ook significante verschillen. In Italië kwam de migratiestroom veel later op gang, in Frankrijk worden Marokkanen niet specifiek benoemd, maar gerekend tot de Noord-Afrikanen, waarbij de Fransen vooral problemen lijken te hebben met Algerijnen. En in Duitsland is er weliswaar een flink Marokkaans smaldeel, maar dat valt in het niet bij de Turken. Bij de oosterburen lijken de Marokkanen gezagsgetrouwer, meer aangestuurd door de Marokkaanse regering en spelen ze nauwelijks een rol in de criminaliteit.
Om te achterhalen waarom het probleem van criminele Marokkanen typisch Nederlands is, toetst Bovenkerk in zijn boek het fenomeen aan meerdere modellen uit de criminologie, sociologie en culturele antropologie. En soms geeft hij commentaar gebaseerd op eigen observaties en zijn ‘gut feeling’.
Interessant wordt het als hij een nieuwe criminologische theorie aanhaalt. ‘We waren er tot nu in de criminologie altijd van uitgegaan dat de meeste (commune) criminaliteit vooral en in de eerste plaats wordt veroorzaakt door armoede, werkloosheid en geblokkeerde kansen op maatschappelijk succes,’ schrijft Bovenkerk. Volgens hem waren die problemen met goed beleid ‘tot op zekere hoogte’ te verhelpen. Wie eenmaal werk vond, zou zijn leven beteren.
‘Soms gebruiken criminele en radicale jongeren dezelfde religieuze rechtvaardigingen voor hun daden’
Maar bij de Nederlandse criminele Marokkanen ziet hij iets anders gebeuren. ‘Bij zulke hoge criminaliteitscijfers zou causaliteit wel eens omgekeerd kunnen werken. Als jongens zich inlaten met criminaliteit nog voordat zij de school verlaten of de arbeidsmarkt kunnen betreden, verspelen zij hun kansen bij voorbaat.’
Voor wie opgroeit in een sociale omgeving waar de verlokking van de criminaliteit voortdurend aanwezig is, wordt het plegen van delicten gewoonte of norm, stelt de onderzoeker. Dat geldt volgens hem ook voor jongeren die kiezen voor de strijd in Syrië. Ze hebben hetzelfde sociale profiel. ‘Er zijn jongens die zijn begonnen als plegers van overlast en criminaliteit en die daarna politiek radicaliseren. En om het nog ingewikkelder te maken: soms gebruiken criminele en radicale jongeren dezelfde religieuze rechtvaardigingen voor hun daden.’
Dat heeft grote gevolgen. Volgens de cultureel antropoloog gaat er geen afschrikkende werking meer uit van arrestatie en gevangenisstraf, want daders lijden in eigen kring geen gezichtsverlies. Waarop Bovenkerk concludeert: ‘Het is dan niet achterstand die criminaliteit veroorzaakt, maar criminaliteit die maatschappelijke achterstand tot gevolg heeft.’ In het boek van Vugts noemt een chef van de Amsterdamse recherche dit het kip-of-het-ei-dilemma. ‘Doordat ze weinig kansen krijgen, worden Marokkaanse jongens vaker crimineel. Ze krijgen weinig kansen omdat ze het imago hebben crimineel te zijn.’
De ultieme integratie: Marokkanen hebben hun eigen chapter binnen motorbendes.Verstikkend sociaal vangnet
Die constatering zegt op zich nog niets over de unieke positie waarin de Marokkaanse criminelen in Nederland zich zouden bevinden. Daarvoor duikt Bovenkerk in de migratiegeschiedenis van de etnische groep. Hij constateert vervolgens onder meer dat er ergens in de jaren tachtig een paar ontwikkelingen op een fatale manier zijn samengevallen.
Kort gezegd komt het hier op neer: de eerste lichting gastarbeiders bestond uit vaders die in hun geboorteland een autoritaire verhouding tot hun zoon hadden. Ergens in de jaren tachtig gaat het fout met deze ‘tijdelijke’ werknemers: als gevolg van de economische malaise raken ze werkloos of arbeidsongeschikt. Ze worden opgevangen in het alles verstikkende sociale vangnet dat Nederland in die tijd heeft en verworden tot lethargische uitkeringstrekkers die hun oorspronkelijk trots en eer kwijt zijn.
Juist in die periode worden veel gezinnen herenigd. Vrouwen en kinderen komen over om zich permanent bij de mannen te vestigen. Die voelen zich mede door hun passieve economische status onmachtig om hun zonen discipline bij te brengen. ‘Ik hoor verhalen over oude vaders die pas ’s avonds laat thuiskomen om de confrontatie met hun kinderen te ontlopen,’ schrijft Bovenkerk. Ouders scheiden en moeders komen er alleen voor te staan. De opvoeding van de kinderen ontbeert toezicht en discipline. In Doorgeschoten schets Vugts een cultuur waarin Marokkaanse jongens ‘veelal als prinsen worden behandeld in gezinnen waar de vader afwezig is en de moeder niets te zeggen heeft’.
Ze worden opgevangen in het verstikkende sociale vangnet dat Nederland in die tijd heeft en verworden tot lethargische uitkeringstrekkers
Voor Bovenkerk is die constatering overigens niet nieuw. Hij deed begin jaren tachtig onderzoek in Utrecht. Daar leefden de Nederlandse arbeiders gebroederlijk zij aan zij met hun Marokkaanse collega’s, tot de crisis toesloeg. Daarna trokken niet de Nederlanders, maar de Marokkanen zich terug. De ‘bevoogdende hartelijkheid’ van de Nederlanders werd afgewezen, constateerde de cultureel antropoloog. Marokkanen kozen voor maatschappelijk isolement. Moeders hielden binnenshuis de Marokkaanse cultuur hoog, gemengde huwelijken werden niet meer getolereerd en vaders kozen voor het geloof.
In die periode kreeg de orthodoxe, soennitische variant van de islam voet aan de grond in Nederland en de godsdienst werd een reden om niet mee te doen aan de Nederlandse cultuur. Zo ontstond een parallelle samenleving. Dat was in landen als Duitsland veel minder het geval. Daar was meer werk te vinden en bleven gastarbeiders – met gepaste trots – onderdeel van de economie.
‘Doordat ze weinig kansen krijgen, worden Marokkaanse jongens vaker crimineel. Ze krijgen weinig kansen omdat ze het imago hebben crimineel te zijn’
Ontmande vaders, losgeslagen zonen, een lonkende drugsmarkt. Daarbij komt nog een vierde, typisch nationaal ingrediënt. Dat wordt door Bovenkerk omschreven als het gebrek aan Zivilcourage, het niet optreden als iemand anders de fout in gaat. Wat in Nederland lange tijd gold als prijzenswaardige tolerantie was in feite niet veel meer dan een pragmatisch ‘leven en laten leven’. Loumans en Schrijver geven een treffend voorbeeld met hun bijschrijving van de Amsterdamse wijk Bos en Lommer, waar de Marokkaanse jeugd en yuppies ongestoord samenwonen. ‘Tussen de avondswinkels, belzaken en dönerkebabtentjes vind je genoeg hippe koffietenten, broodjeszaken en restaurants. […] Twee werelden leven langs elkaar heen, het zijn parallelle samenlevingen.’
Bemoei je zo min mogelijk met een ander, dan valt die ander je ook niet lastig. In Nederland heeft dat volgens Bovenkerk geleid tot een tekort aan disciplinering van de jeugd, terughoudendheid bij het corrigeren van anderen en het ontbreken van expliciete gedragsregels. Kortom, het was hier een paradijs voor losgeslagen jongeren die zich niets aantrokken van het gezag, thuis noch op straat. Dat gezag was er domweg vaak niet.
Zie hier de giftige cocktail die zomaar de basis zou kunnen zijn voor het ‘unieke en hardnekkige sociale probleem’ van criminaliteit onder Marokkaanse jongens. Een probleem waar volgens de de wetenschapper in Nederland veel meer onderzoek naar is gedaan dan in het buitenland. Waar ook veel meer beleid voor is ontwikkeld. Tevergeefs, dat tonen de cijfers aan.

Training in assertiviteit
Het is slechts een van de mogelijke verklaringen die Bovenkerk in zijn boek noemt om de verschillende tussen de Europese landen te duiden. Misschien wel zijn belangrijkste conclusie is dat jonge criminele Marokkanen in Nederland juist heel goed cultureel zijn geïntegreerd. Ze spreken de taal, ambiëren welvaart, spiegelen zich aan westerse rolmodellen (net als Italiaanse maffiosi koketteren ze graag met Tony Montana, de Cubaanse migrant die in de film Scarface uitgroeit tot een succesvolle Amerikaanse drugsbaron). ‘Het valt juist op hoe Nederlands zij zijn geworden,’ schrijft Bovenkerk. ‘De Nederlandse cultuur is hun aangeboden als een training in assertiviteit, heeft hun individualistische instelling aangemoedigd en een aanmerkelijke generatiekloof met de ouders veroorzaakt.’
Wie wil weten waar dat in de praktijk toe leidt, moet in Mocro Maffia het verhaal van de 21-jarige Rida Bennajem lezen, een huurmoordenaar die zelf wordt geliquideerd. Het jochie at thuis geen couscous en tajine, weten de schrijvers, maar ‘aardappelen, groente en vlees’. Hij vond de moskeeschool niets, voetbalde liever op straat, zijn ouders leefden gescheiden en hij zag zijn vader niet. Rida ‘hing’ dagelijks op pleintjes met andere jongens uit de buurt, die met z’n allen verlangden naar Vespa’s, designgympen en de nieuwste BlackBerry.
‘Tussen de belzaken en dönerkebabtentjes vind je genoeg hippe koffietenten en restaurants. Twee werelden leven langs elkaar heen, het zijn parallelle samenlevingen’
Tot slot maakt Bovenkerk nog een belangrijke pas op de plaats. Het zou ook kunnen dat we het probleem hebben geframed. De laatste tien jaar, met de moord op Theo van Gogh als startpunt, kan de Marokkaan in Nederland weinig goed doen. Door de groep zo duidelijk iedere keer te benoemen als een probleem, door criminele Marokkanen als fenomeen te betitelen, wordt het vanzelf waar. Van de weeromstuit handelen de ‘kut-Marokkaantjes’ naar verwachting: jullie noemen ons criminelen, dan gedragen we ons zo. Bovenkerk vraagt zich af wat het effect zou zijn als je de groep anders zou definiëren, bijvoorbeeld als het probleem van ‘verstandelijk gehandicapte jongeren’, van ‘verwaarloosde kinderen’ of ‘delinquenten uit de lagere sociale klasse’. Maar de voormalig hoogleraar criminologie weet ook dat de tijd niet rijp is om op zo’n manier afstand te nemen, dat het klimaat er niet naar is om het probleem te relativeren. ‘Wie nu nog nuance aanbrengt in de discussie, loopt het risico dat hem politieke correctheid wordt tegengeworpen.’
Wat ook de oorzaken, feit is dat Marokkanen zijn doorgedrongen tot de bovenlaag van de onderwereld. Daar zijn de auteurs van de drie boeken het over eens. ‘De oude generatie van de Nederlandse onderwereld heeft veel minder te vertellen,’ weet Bovenkerk. ‘Destijds zaten zestig Nederlandse vrachtwagenchauffeurs vast in Marokkaanse gevangenissen. Nu niet één meer. In 2011 zijn in Spanje wel 1595 drugshandelaren van Marokkaanse afkomst aangehouden. Nu ook voor harddrugs en coke.’
De schrijvers reisden allen af naar Marokko. Daar zagen ze hoe uit Nederland afkomstige Marokkaanse criminelen het breed laten hangen. Aan de boulevard van Tanger stoppen ze hun drugsgeld in vastgoed, in luxe nachtclubs slaan ze gemakkelijk tienduizend euro stuk op een avond. Steeds vaker doet het Nederlandse Openbaar Ministerie rechtshulpverzoeken aan hun Marokkaanse autoriteiten in het kader van een witwasonderzoek.
Jonge criminele Marokkanen zijn verrassend goed geïntegreerd: ze spreken de taal, ambiëren welvaart en spiegelen zich aan westerse rolmodellen
Aan het einde van Mocro Maffia staat nog een opvallend proces-verbaal vermeld. In december 2012 schrijft een rechercheur van de Criminele Inlichtingen Eenheid dat Danny K., Greg Remmers en Mink Kok zich hebben gemengd in de ruzie tussen de Marokkaanse groepen. Dat zijn drie klinkende namen uit de top van de Nederlandse onderwereld. ‘Mink Kok is in Libanon (waar hij vastzit voor cokesmokkel, HL) bezocht, zodat hij van daaruit invloed kan uitoefenen in het conflict,’ schrijft de verbalisant.
Als het bericht waar is, is dat het ultieme bewijs van de emancipatie en integratie van de Marokkaanse crimineel: in één zin worden genoemd met leidende figuren uit wat tot voor kort ‘de Hollandse netwerken’ heette. Daarmee kunnen ze zich meten aan Moppie R., die al jarenlang dezelfde dubieuze status geniet als zijn autochtone partners-in-crime. Nu is het de beurt aan mannen met namen als Benaouf, Houssine, Said en Hakim.
Genoemde titels
Marokkaan in Europa, crimineel in Nederland; een vergelijkende studie, Frank Bovenkerk, Boom Lemma, €25,00.
Doorgeschoten; De nieuwe generatie onstuitbare criminelen, Paul Vugts, De Kring, €14,95.
Mocro Maffia; geld, ambitie, hoogmoed en verraad in de onderwereld, Wouter Laumans en Marijn Schrijver, Lebowski, €17,50.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.