Om half vier precies gaat de deur dicht. De wethouders sociale zaken van veertien gemeenten in de regio rond Leiden hebben er dan al een vergadering van anderhalf uur opzitten.
Met achttien mannen en vrouwen in een warm zaaltje op de zevende etage van een anoniem kantoorgebouw nabij het treinstation van Leiden. Dit is het hoofdkwartier van de regio ‘Holland Rijnland’. In een hoekje mocht ik meeluisteren naar de bestuurders uit gemeenten als Voorschoten, Oegstgeest en Hillegom. Maar nu gaan ze verder praten over het budget voor Jeugdhulp in 2015 en de gezamenlijke inkoop van zorg. En daar mag ik niet bij zijn, dat is vertrouwelijk. Vriendelijk maar beslist leidt SP-wethouder Roos van Gelderen van Leiden – de voorzitter van het overleg – me naar buiten. Ze rekent op begrip: ‘Weet je,’ zegt Van Gelderen, ‘dit gaat over geld.’ Later zal ik horen dat er vermoedelijk een fiks probleem ligt in de regio: er zal volgend jaar fors meer hulp nodig zijn dan de gemeenten gezamenlijk in kas hebben.
Misschien is het de gebruikelijke gang van zaken: financiën behandelen we in vertrouwelijkheid, zonder pottenkijkers. Toch is het ook tekenend voor de weinig doorzichtige decentralisaties die nu hun beslag krijgen. Op 1 januari 2015 is het ‘Big Bang’. De circa vierhonderd gemeenten in Nederland worden op dat moment verantwoordelijk voor drie omvangrijke taken: jeugdzorg, zorg voor ouderen, gehandicapten en chronisch zieken en de begeleiding naar werk. Daarvoor maakt minister Dijsselbloem van Financiën voortaan jaarlijks een dikke tien miljard euro extra belastinggeld over op de bankrekeningen van gemeenten. Maar de meeste gemeenten zijn veel te klein om die zorgtaken op zich te nemen. Drie ontsporende jongeren binnen de grenzen en een gemeente als Lisse zit financieel in de problemen. Dus sluizen de gemeenten het leeuwendeel van dat geld onmiddellijk door naar regionale samenwerkingsverbanden als Holland Rijnland of een van de vele tientallen andere in het land.
Uit cijfers uit Zeeland blijkt bijvoorbeeld dat 81% van de gemeentelijke budgetten voor jeugdzorg terechtkomt bij zo’n regionaal samenwerkingsverband. ‘Dat is het beeld in heel Nederland,’ zegt Frits van Vugt, die onderzoeken doet in opdracht van lokale rekenkamers die de taak hebben de doelmatigheid van overheidsbestedingen in de gaten te houden. Voor de ouderenzorg die naar gemeenten gaat, zullen die cijfers, zegt hij, nauwelijks lager liggen, al gaat het geld daarvoor vaak weer naar andere regio’s. Regio’s die bij de doorsnee burger volstrekt onbekend zijn, maar waar wel wordt besloten wat er met het geld gebeurt. Begrijpelijk misschien. Toch is die lappendeken aan regionale bestuurtjes allesbehalve transparant, en van stevige democratische controle is geen sprake. Wie beslissen er eigenlijk over al die miljarden?
Van Bollen5 naar Bollen0
Niet de inwoners van Hillegom. Begin vorig jaar besloot Vrij Nederland dit plaatsje in de Bollenstreek – deelnemer aan Holland Rijnland – te ‘adopteren’. Om te onderzoeken hoe de aangekondigde ‘decentralisaties’ in de lokale praktijk zouden uitwerken. Een jaar lang bezocht ik geregeld de Zuid-Hollandse gemeente van 21.000 inwoners. Ik ontmoette tal van mensen die hun uiterste best deden om wat van hun nieuwe opdracht te maken: hulpverleners, gemeenteambtenaren en bestuurders die enthousiast vertelden hoe goed het was dat de zorg voortaan lokaal georganiseerd zou worden. Jongeren, ouderen en werkzoekenden moesten één aanspreekpunt krijgen. ‘Keukentafelgesprekken’, dat was de sleutel. Tijdens zo’n gesprek kon worden beoordeeld welke zorg écht nodig was. In de regio werd de nieuwe strategie bedacht, daar werd het broodje voorgebakken en globaal bepaald wie er mochten mee-eten. Hillegom mocht het broodje ‘afbakken’.
Eigenlijk had het toenmalige college van burgemeester en wethouders, met bestuurders van VVD, PvdA en D66, wel willen fuseren met andere gemeenten in de Bollenstreek. Ze vonden Hillegom eenvoudigweg te klein voor al die nieuwe taken. Een nieuwe grote Bollengemeente van meer dan 100.000 inwoners zou de zorgtaken goeddeels zelf kunnen doen, vage regionale samenwerkingsverbanden zouden daarmee overbodig worden. Maar lokale partijen zijn sterk in de Bollenstreek en voor hen was fusie onbespreekbaar.
Dus zochten de dorpen gezamenlijk naar lichtere varianten. Het liep uit op een drama. Als Bollen5 gingen Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen om tafel. Eerst viel Noordwijk af. De overblijvers stuurden nog een tijdje montere persberichten rond onder het kopje ‘Bollen4 op koers’. In die periode onderhandelden de Bollengemeenten over een ‘Bollenraad’ waarin lokale raadsleden het Bollenbestuur konden controleren. Maar vervolgens stapte ook Noordwijkerhout uit het bootje. En toen lokale partijen bij de gemeenteraadsverkiezingen klinkende overwinningen boekten, werd Bollen3 uiteindelijk Bollen0.
‘Het was een en al treurigheid,’ blikt Ton van Rijnberk terug. Als D66-wethouder zat hij namens Hillegom in de ‘stuurgroep’ die de Bollenraad moest voorbereiden. ‘Het was een logische stap geweest, ook een poging om iets aan het gebrek aan democratische legitimatie te doen, maar het is uiteengevallen.’ Van Rijnberk keerde niet meer terug in het nieuwe college waarin maar één wethouder bleef zitten.
Duivels dilemma
Voor veel nieuwe taken viel Hillegom terug op Holland Rijnland, dat al bestond. Een ‘gemeenschappelijke regeling’ van veertien gemeenten, gedomineerd door Leiden en in mindere mate Alphen aan de Rijn. Aanvankelijk vooral een praatgroep, maar vanwege de decentralisaties steviger opgetuigd. Daar worden nu de lijnen uitgezet. Die club onderhandelt met aanbieders van jeugdzorg. Cruciale beslissingen dus. Namens Hillegom neemt de nieuwe CDA-wethouder Frits Roelfsema die middag in Leiden deel aan het overleg. Nergens voert hij het woord. In de pauze zegt hij waarom: ‘Die Bollenraad is dan niet gelukt, maar we hebben als wethouders uit de Bollenstreek wel vooroverleg. We proberen vooraf een gezamenlijk standpunt te bepalen. Als Hillegom afwijkt, laat ik me heus wel horen.’
‘Regio’s die bij de doorsnee burger volstrekt onbekend zijn, beslissen wat er met het geld gebeurt.’
Vlak voor de deur dichtgaat, ontspint zich een interessante discussie over machtsverhoudingen. Natuurlijk, ‘we komen er met zijn allen altijd uit’, zegt iedereen. Toch is er behoefte aan ‘een noodprocedure’. Hebben alle veertien gemeenten één stem, of worden de stemmen gewogen naar inwonertal, of naar de hoeveelheid geld die een gemeente meebrengt? Men zoekt balans. Leiden mag de kleintjes niet domineren, maar de kleintjes mogen ook Leiden de wil niet opleggen. ‘Hoe moet ik me verantwoorden in mijn raad als ik tegen ben?’ vraagt wethouder Jos Roeffen van Oegstgeest zich af. ‘Moet ik dan zeggen dat ik gedwongen ben? Dat lijkt me democratisch niet in orde.’ Veel collega-wethouders vallen over hem heen: ‘Ja zeg, dat is de consequentie van samenwerken.’ Voorzitter Roos van Gelderen tracht de gemoederen te bedaren: ‘Dit is het duivelse dilemma: of je bent volstrekt democratisch, of je bent slagvaardig.’ Roeffen snapt het wel. ‘En toch doet het pijn.’ Boeiend debat, zeg ik tegen Van Gelderen na afloop. ‘Tja,’ zegt ze, ‘niet alles kan via de koninklijke weg. Daar is gewoon geen tijd voor.’
Slikken of stikken
Afgelopen zomer mocht KRO-radioprogramma Reporter een opname maken bij net zo’n vergadering in Arnhem. Daar zaten twaalf gemeenten bij elkaar in BRESDO-verband (Bestuurlijke Regiegroep Sociaal Domein-Overleg). De verslaggeefster viel met haar neus in de boter. Te horen is hoe het grote Arnhem namens allemaal een tweejarige overeenkomst had voorbereid met thuiszorggroep MEE. Tegen de zin van een aantal kleinere gemeenten als Lingerwaard, die de voorkeur gaven aan plaatselijke aanbieders van thuiszorg. Het was ‘slikken of stikken’, volgens wethouder Johan Sluiter. Slechts met grote moeite kon een groep kleine gemeenten de verplichting voor zichzelf nog terugdraaien naar een overeenkomst met MEE voor een jaar, om later vrij te zijn andere keuzen te maken. Dit tot groot onbegrip bij wethouder Kok van Arnhem. Als rapporteur voor de Rekenkamer van Over-Betuwe, een van de deelnemende gemeenten, noteerde Frits van Vugt onderkoeld: ‘Afzonderlijke gemeenten zullen zich op cruciale issues moeten conformeren aan de meerderheid in het regionale samenwerkingsverband. Dat kan spanningen opleveren.’
En dat is dan nog alleen het armpje drukken tussen wethouders van gemeenten onderling. Wethouders van kleine gemeenten staan op achterstand bij wethouders van grotere gemeenten en bij ambtenaren in de regio die het beleid voorbereiden. Soms sluiten die wethouders kongsi’s en kunnen ze toch iets bereiken. De grote vraag is echter of de gemeenteraden nog wel grip hebben op dat ingewikkelde spel. Terwijl daarin toch de rechtstreeks door de burger gekozen volksvertegenwoordigers zitten. Daarover maken lokale rekenkamers zich in elk geval zorgen. ‘Het is een enorme operatie, het gaat om heel veel geld en ook nog eens om kwetsbare groepen,’ zegt Ans Hoenderdos van de Amsterdamse Rekenkamer en bestuurder van de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers en Rekenkamercommissies (NVRR). ‘Daarom is die democratische legitimering zo belangrijk.’
Eerste woede achteraf
In januari werden 1154 leden van gemeenteraden ondervraagd door raadslid.nu, de vereniging van raadsleden. Met de stelling dat de toename van gemeenschappelijke regelingen (samenwerkingsverbanden) een bedreiging is voor de lokale democratie was 68% het ‘eens’ of ‘sterk eens’. NVRR-bestuurder Gerrit Hagelstein, griffier in Ede, is daarover niet verbaasd. Hij maakt dit soort regionale samenwerkingsverbanden al langer van dichtbij mee. ‘De gemeenteraden zijn pas aan zet als het bijna voldongen feiten zijn. Er was in dit soort samenwerkingen altijd al sprake van een democratisch deficit. Dat is door al die nieuwe taken alleen maar groter geworden. De facto gaan de besturen van die samenwerkingsverbanden er met de prijzen vandoor.’ Frits van Vugt, betrokken bij allerlei onderzoeken door het land: ‘Een wethouder zegt: dit plan ligt in twaalf gemeenten voor. Hoe dacht u dat te amenderen? U kunt het alleen maar aannemen.’
Het is de democratische praktijk van alledag. Documenten van samenwerkingsverbanden gaan doorgaans als hamerstukken door de raad. Pas als er financiële tekorten dreigen, worden raadsleden wakker. Want dan moet de gemeente bijbetalen. De eerste voorbeelden van woede achteraf liggen er al. Tot hun verbijstering lazen raadsleden van negen gemeenten rond Tilburg twee weken geleden in de krant dat de jeugdhulp in hun samenwerkingsverband ‘Hart van Brabant’ afstevent op een tekort van 5,7 miljoen euro. Dat zou volgens het Brabants Dagblad vooral het gevolg zijn van de inkoop van specialistische zorg door Tilburg namens alle gemeenten.
Aan tegenvallers zal Hillegom evenmin ontsnappen.

Frits Roelfsema zit in zijn werkkamer in het mooie witte stadhuisje midden in Hillegom. De wethouder verwacht dat ook hier jeugdzorg duurder zal uitvallen dan begroot. ‘Het gereserveerde bedrag voor persoonsgebonden budgetten zal waarschijnlijk niet toereikend zijn. Zware gevallen zijn kostbaar. Dat kan zo oplopen tot 40.000 euro per persoon per jaar.’ Meer geld erbij of minder zorg, dat is de keuze. Hoe groot het gat is, wil hij niet zeggen. Een maand eerder had hij het definitieve plan over de jeugdzorg, afkomstig van Holland Rijnland, nog zonder rimpeling door de raad gekregen. Uit alle fracties klonken waarderende woorden. Ria Heemskerk van Bloeiend Hillegom zei: ‘We moeten het als raad nu ook een beetje loslaten.’ Over de inkoop van jeugdzorg door Holland Rijnland ter waarde van 4 miljoen Hillegomse euro’s hoefde zelfs helemaal niemand het woord.
Het was wel een beetje wennen geweest, erkent Roelfsema. Voor de verkiezingen was de Groninger nog gewoon raadslid van een eenmansfractie onder eigen naam. En nu is hij wethouder voor het CDA met de zware decentralisaties op zijn bord. ‘Het kostte me wel even voordat ik wist hoe de hazen lopen. Vooral al die samenwerkingsclubs waar je als wethouder in het bestuur zit, dat heeft me verrast. Ik zie mijn collegawethouders in de regio vaker dan mijn collega’s in Hillegom.’
Op rekenkamers bezuinigd
Bij de ouderenzorg kreeg Roelfsema meer tegenwind dan bij de jeugdzorg. PvdA-raadslid Annemieke van Dijk brak in juli een lans voor de Hillegomse welzijnsorganisaties. Die waren al met veel verve aan ‘keukentafelgesprekken’ met ouderen begonnen, daar moesten ze wat haar betreft maar mee doorgaan. Een PvdA-amendement voor een dergelijke couleur locale kreeg steun van de hele raad. Maar dat paste totaal niet bij de plannen van de vijf Bollengemeenten die voor die gesprekken hun gezamenlijke sociale dienst, ISD Bollenstreek, naar voren hadden geschoven.
Daar streefde men naar een ‘uniforme werkwijze’ voor alle gemeenten, zoals Roelfsema in de raad betoogde. Het zijn ook de gezamenlijke gemeenten die op 6 november in totaal maar liefst 53 inkoopcontracten hebben gesloten rond de zorg voor ouderen, gehandicapten en chronisch zieken. De Bollengemeenten zoeken nog naar een oplossing, maar Van Dijk ervaart fikse pressie: ‘Ik krijg toch de indruk dat ons het idee van de regio wordt opgelegd.’
Van Dijk erkent dat de decentralisaties voor een raadslid alleen al door tijdgebrek moeilijk zijn te volgen. ‘Er zijn wel informatieavonden, maar ik kan gewoon niet overal zijn. Ik moet ook nog werken en de rest van mijn leven op orde houden.’
‘Een wethouder zegt: dit plan ligt in twaalf gemeenten voor. Hoe dacht u dat te amenderen? U kunt het alleen maar aannemen.’
Ook Gerrit Hagelstein van de NVRR ziet dit probleem om zich heen: ‘De werkdruk voor raadsleden neemt hand over hand toe.’ Daarom is het volgens hem zo belangrijk dat gemeenten lokale rekenkamers inschakelen om het beleid van het college te controleren. Dat kan ze helpen grip te houden. Maar juist op die rekenkamers wordt op veel plaatsen bezuinigd. Meestal gaat dat geleidelijk, maar in sommige plaatsen fors. Zo verloor de rekenkamer in Arnhem de helft van het budget, waarna de leden vorige week hun vertrek aankondigden. Pikant detail: de wethouder die de korting voorstelde, was eerder publiekelijk woedend geworden over een rekenkamerrapport dat kritisch oordeelde over zijn woonbeleid. ‘Zoiets is zorgelijk,’ zegt Hagelstein. ‘Een rekenkamer hoort geen speelbal te zijn van politieke luimen.’
Maatschappelijk dynamiet
Maarten Allers, hoogleraar economie van decentrale overheden in Groningen, ziet het allemaal hoofdschuddend aan. We ontmoeten elkaar in de restauratie van het treinstation in Amersfoort. Daar houdt hij vandaag ‘kantoor’ om contacten uit de Randstad te ontmoeten. ‘Laten we nu even teruggaan naar het begin,’ zegt hij. ‘Waarom gingen we ook al weer decentraliseren? Om de zorg dichter bij de burger te brengen. Maar wat is de praktijk? Dat de belangrijkste besluiten vallen in onduidelijke regio’s en subregio’s. Het draait allemaal om de verdeling van schaarse middelen, de politieke vraag bij uitstek. Wie krijgt een aangepaste woning, wie krijgt hulp bij het zoeken naar een baan? En waar leggen we die vragen neer? Niet bij de volksvertegenwoordigers in de gemeenteraad, maar bij bureaucratische tussenbesturen. Als raadslid sta je niet eens aan de zijlijn, je staat buiten het stadion. Als gemeenteraad kun je proberen kaders te stellen, maar veel van de relevante feiten komen pas boven tafel tijdens onderhandelingen met zorgaanbieders waar je buiten staat. Het enige wat je als raad nog kunt doen, is de wethouder naar huis sturen, maar dan blaas je je eigen bestuur op. En intussen rijdt de regionale trein gewoon verder.’

Op de keper beschouwd waren de decentralisaties bij voorbaat al geen goed idee, vindt Allers. ‘Maatwerk en keukentafels, dat is prima. Maar dat is uitvoering, daarvoor hoef je de bevoegdheid om in grote lijnen te beslissen wie welke hulp krijgt niet te decentraliseren. Met decentralisatie krijg je verschillen in dienstverlening tussen gemeenten. Dat kan heel nuttig zijn. Burgers vinden het prima als in Staphorst de winkels op zondag dicht zijn en in Amsterdam open. Maar als onderzoek íets uitwijst, is het dat als het om zorg gaat, ze géén verschillen willen tussen gemeenten. Enquêtes daarover geven Noord-Koreaanse uitslagen.’ Het is dan ook niet ongevaarlijk waarmee we bezig zijn, denkt Allers. ‘Het probleem in Nederland is niet zozeer dat de overheid slecht functioneert, maar dat mensen zich niet gehoord voelen. Die trend kun je met zo’n decentralisatie enorm versterken. Burgers kunnen best tegen beslissingen waar ze het niet mee eens zijn, maar ze moeten wel weten waar die worden genomen. Ik vind dat maatschappelijk dynamiet, want zo stabiel zijn we niet.’
Een nog bontere lappendeken
De opgekomen mist zou in elk geval voor een deel kunnen worden opgelost als gemeenten groter zouden worden. Dan kunnen ze de meeste nieuwe taken binnen de gemeentegrenzen organiseren en gaat de gemeenteraad er weer gewoon over. Het kabinet zag dat ook wel in toen in november 2012 het regeerakkoord werd gepresenteerd. Naast de decentralisaties kondigde Rutte II een opschaling van gemeenten aan naar 100.000 inwoners of meer. Het protest van gemeenten was oorverdovend. Het was zo ongeveer de eerste beleidsdaad van minister Plasterk van Binnenlandse Zaken: de gedwongen schaalvergroting ging van tafel.
Daarvoor in de plaats wilde Plasterk ‘congruente’ samenwerkingsverbanden die de nieuwe taken konden uitvoeren. Ook dat is niet gelukt. Hillegom is een mooi voorbeeld: jeugdzorg ligt bij Holland Rijnland, de ouderenzorg voornamelijk bij vijf Bollengemeenten en Katwijk, terwijl bij de begeleiding naar werk ook Voorhout en Oegstgeest een rol spelen. Het resultaat is een nog bontere lappendeken van regiobestuurtjes dan er al lag. ‘Van Plasterk zou je regie verwachten als verantwoordelijk minister voor het openbaar bestuur,’ zegt Allers. ‘Maar waar was hij? Hij stak zijn energie in een inmiddels afgeschoten superprovincie die nergens voor nodig was. Echt bizar. Waarom?’
Souterrains, vides, trappetjes
Ook de Algemene Rekenkamer, de controleur op de besteding van de Rijksmiddelen, maakt zich zorgen. In mei waarschuwden de rekenmeesters in Den Haag al voor de effecten van de decentralisaties. Collegelid Arno Visser, oud-Kamerlid voor de VVD en voormalig wethouder in Almere, maakt een vergelijking met de grote liberaliserings- en privatiseringsoperatie uit de jaren negentig, toen allerlei overheidstaken als energie en openbaar vervoer werden afgestoten. ‘Toen zetten we bevoegdheden en organisatie op afstand, maar vergaten we dat controle en bijsturing mee moesten verhuizen. Het leergeld is dat je dat vooraf goed en transparant moet regelen, want anders weet je straks niet meer waar je moet zijn.’
Visser wil niet op de conclusies vooruitlopen, maar hij heeft wel zorgen over de bestuurbaarheid van het land. Voor de Rekenkamer is het ook steeds moeilijker geworden de geldstromen te volgen en te controleren. ‘Ooit was er de heldere indeling met Rijk, provincie en gemeenten, alle drie gecontroleerd door volksvertegenwoordigers. Dat Huis van Thorbecke staat nu al dertig jaar in de steigers. We hebben daar souterrains, vides, trappetjes en balkonnetjes bijgebouwd. En dat doen we met die decentralisaties opnieuw. Nu kunnen we dat huis natuurlijk restaureren, bijvoorbeeld door de gemeenten groter te maken zodat je wat tussenverdiepingen kunt slopen. Maar misschien is het moment gekomen om een architect in te huren voor volledige nieuwbouw.’
‘Waar was Plasterk? Hij stak zijn energie in een superprovincie die nergens voor nodig was. Echt bizar. Waarom?’
Er zijn veel meer effecten die we niet kennen, zegt Visser. Om er een paar te noemen: kan de provincie voldoende toezicht houden op de financiën van gemeenten? Krijgt een gemeente inzicht in gegevens over zorginstellingen waarmee ze in zee gaan? Die liggen bij de Inspecties, maar die zijn van het Rijk. Daarom pleitte de Rekenkamer al eerder voor vaste evaluatiemomenten en een Autoriteit die de operatie in de gaten houdt. Het is uiteindelijk een ‘transitiecommissie’ geworden die vanaf september aan het werk is en nog voor het einde van het jaar een eerste rapport zal uitbrengen. Met als voorzitter oud-vakbondsman en oud-PvdA-senator Han Noten, nu burgemeester van Dalfsen.
De Burgemeesterslobby
Han Noten zit in de trein naar Den Haag als hij zijn mobiel opneemt. Hij reageert behoorlijk geërgerd als ik hem vertel over de kritiek op de democratische controle bij de decentralisaties. Hij vindt het zo jammer dat niemand de ‘vooruitgang’ ziet. ‘Er is nog nooit zoveel over zorg gesproken als nu. Bij ons op het gemeentehuis kwamen meer dan honderd mensen met een persoonsgebonden budget langs om te praten. Democratie gaat niet alleen over eens in de vier jaar stemmen, maar ook over het gesprek tussen overheid en burgers. En dat is er volop. Wist jij vroeger wie er besloot over jouw zorgaanvraag? Je werd van het kastje naar de muur gestuurd. Nu hebben we de zorg uit de donkere krochten van de bureaucratie naar het licht gebracht.’ Als ik tegenwerp dat bij Holland Rijnland toch echt de deur werd gesloten, zegt Noten: ‘Maar je weet wel bij wie je moet zijn met je probleem: bij de wethouder.’ Natuurlijk zijn er wel problemen met de democratische legitimatie, geeft hij later toe. ‘Maar die zijn er nu ook.’ Noten vindt dat we vooral goed moeten nadenken over ‘nieuwe vormen’. Welke? ‘Dat weet ik nog niet.’
Daar kan Gerard Schouw niet op wachten. Het Tweede Kamerlid van D66 ergert zich al jaren groen en geel aan de wildgroei van gemeenschappelijke regelingen. ‘Mij werden de ogen geopend door oud-wethouder Van der Horst van Amsterdam die in 2006 of zo begon over de bestuurlijke spaghetti waarin hij moest werken.’ Volgens Schouw hebben sommige partijen belang bij zo veel mogelijk ‘hulpstructuren’. De ‘burgemeesterslobby’ bijvoorbeeld: ‘Burgemeesters vinden het hartstikke leuk om in de regio met elkaar te praten. Dan hebben ze ook wat te doen. Maar als er over 70% van het gemeentelijke budget in gemeenschappelijke regelingen wordt besloten, heeft een gemeente dan nog wel bestaansrecht?’
Ook Schouw mist de regie van minister Plasterk. ‘Hij is de minister van Democratie en die democratie wordt nu verder uitgehold.’ In de Tweede Kamer deed Schouw onlangs al een oproep om het mes te zetten in het aantal samenwerkingsverbanden. Nu kondigt hij aan dat D66 met een initiatiefwet komt. Schouw wil daarin meer inspraak en transparantie regelen. In de besturen van samenwerkingsverbanden moeten in de toekomst verplicht raadsleden zitten, en niet alleen maar wethouders zoals nu bijna overal; gemeenten moeten makkelijker uit zo’n club kunnen stappen; en als meer dan 70% van een gemeentelijk budget via samenwerkingsverbanden loopt, volgt een ‘oriënterend gesprek’ met de provincie over een fusie met andere gemeenten. ‘Zie het als onderhoud aan onze democratie.’
In Hillegom vertelt wethouder Frits Roelfsema dat binnen Holland Rijnland wel wordt nagedacht over manieren om de invloed van de gemeenteraden te versterken. Maar het blijft een probleem. ‘We doen bijna niks meer alleen. Je hoeft maar te roepen en er is weer een nieuwe gemeenschappelijke regeling.’ Op termijn kan dat niet doorgaan: ‘We zijn te klein om de kwaliteit te leveren die nodig is, uiteindelijk zal een fusie onvermijdelijk blijken te zijn. Dan is het democratische lek ook gedicht. De Hillegomse schaal blijft heus wel bestaan, maar dan in een dorpsraad.
’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.