Toen de mecenas Harry graaf Kessler in 1937 overleed was zijn geld op. Hij was te gul geweest, speciaal voor kunstenaars. Dat was maar één van zijn eigenschappen, een andere was dat hij een dagboekschrijver en chroniqueur van zijn tijd zonder weerga was, zoals een tentoonstelling in Berlijn laat zien. Dit jaar verschijnt het negende deel van zijn dagboek. Bij elkaar 15000 pagina’s scherpzinnige observaties.

Het is een passende locatie: om de hoek van de Brandenburger Tor, het brandpunt van internationaal treffen in Berlijn, is in het voormalige huis van de schilder Max Liebermann een tentoonstelling over Harry graaf Kessler, de kosmopoliet, Europeaan en man met vele eigenschappen die met zijn vijftienduizend pagina’s tellende dagboek niet alleen de chroniqueur van zijn tijd (1868-1937) was, maar er zelf ook aller intensiefst aan deel nam. Kessler was de uitgever, kunstverzamelaar, politicus, mecenas, diplomaat, museumdirecteur, vriend, schrijver en anti-fascist die op een grootse manier wist te falen. Met alles wat hij aanpakte bereikte hij grote hoogten, maar uiteindelijk moest hij het loslaten. De Cranach Presse, zijn uitgeverij van superieur uitgegeven boeken, moest hij stopzetten. Hij liet er zijn eigen lettertypen en papier voor maken. Elk nummer van het tijdschrift dat hij uitgaf, Pan, was een typografisch kunstwerk op zich. Tussen 1895 en 1914 verwierf Kessler zo’n 150 schilderijen, waaronder veel neo-impressionisten. Het was de belangrijkste verzameling moderne kunst van zijn tijd. Zijn verzameling met Seurats (waaronder Les Pouseuses), Van Goghs (het Portret van Dr. Gachet), Maillols, Signacs, Munchs en Gauguins moest hij geleidelijk verkopen omdat hij als mecenas te vrijgevig was geweest. In 1926 verkocht hij Les Pouseuses voor 100.000 mark. Hij nam afscheid van ze ‘wie von geliebten Wesen.’

Kessler schreef het concept voor de oprichting van de Volkerenbond, maar werd er zelf geen onderdeel van. Na aanvankelijk enthousiast aan de Eerste Wereldoorlog deelgenomen te hebben werd hij een overtuigd pacifist. Hoewel hij veel diplomatieke diensten verrichtte was hij maar één jaar ambassadeur voor Duitsland in Warschau. Hij was directeur van het belangrijkste kunstmuseum in Weimar, maar was te modern voor het van conservatieve kitsch houdende burgerdom van de stad. Na een conflict met keizer Wilhelm II over een tentoonstelling met Rodins aquarellen van naakten vertrok hij. Als sociaal-democraat en ‘rode graaf’’ lukte het hem niet om in de Reichstag te komen. Na de machtsovername van Hitler verbleef Kessler nog vaker elders in de wereld.

Kessler hield vanaf zijn twaalfde, toen hij in Engeland op kostschool zat, een dagboek bij dat jarenlang in een bankkluis lag, tot de zevenenvijftig schriften met vijftienduizend dichtbeschreven pagina’s tevoorschijn kwamen en de afgelopen tien jaar in acht kloeke delen vakkundig geannoteerd zijn uitgegeven. Dit jaar verschijnt, met gepaste ironie, het laatste deel, deel 1. Omdat hij een rijk man was als zoon van een bankier kon hij al zijn zinnen schijnbaar flanerend bevredigen, maar alles wat hij deed ging gepaard met gedrevenheid. Voor zijn Cranach Presse maakten Maillol, Eric Gill en Edward Gordon Graig de illustraties. Henry van de Velde ontwierp de interieurs voor zijn huizen in Weimar en Berlijn (die door de nazi’s in de jaren dertig werden geplunderd). Zijn ogen wilden de beste en vernieuwendste kunst, zijn oren de belangrijkste conversaties, zijn intelligentie de zinnigste ideeën, zijn gevoel de sensitiefste indrukken.

Kesslers dagboek was bedoeld als materiaal voor het schrijven van essays, memoires en portretten van vrienden en kennissen. Al schreef hij een reeks essays over kunst, een biografie over de vermoorde politicus Walter Rathenau en een boek met memoires,  het dagboek groeide uit tot het échte werk en de kroniek van zijn tijd. Er komen 12000 mensen in ter sprake. Kessler was een gezelschapsmens, hij kende ‘iedereen’: Einstein, Rathenau, Nietzsche in zijn laatste jaren, Rilke, Hofmannsthal, André Gide, Rodin, Munch (die hem twee keer schilderde), Josephine Baker, Georg Grosz, Bonnard, Max Beckmann, Isadora Duncan, Chanel. Over zichzelf heeft Kessler het niet (ook niet over zijn discrete homoseksualiteit). Hij is de intieme observator, de scherpe waarnemer met oog voor details, die we alleen leren kennen via de anderen. Kessler is een ogen-en-orenmens, steeds op zoek naar ‘geistiges Neuland’, overtuigd van ‘de karaktervormende kracht van de kunst’. Op de tentoonstelling (nog tot 25 september) is voor alle eigenschappen van Kesslers kaleidoscopische figuur aandacht in de vorm van films, de Cranach-boeken, de echte dagboeken, schilderijen, foto’s en beelden (Maillols Méditerranée). Bij Kessler hoef je je niet af te vragen wat een Europeaan ook al weer was.