‘Het is alleen het pure plezier van God dat ervoor zorgt dat slechte mensen op welk moment dan ook niet in de hel belanden.’ Een citaat uit de bekende preek ‘Zondaars in de handen van een boze god’ van de theoloog en protestante predikant Jonathan Edwards, die in de achttiende eeuw medeverantwoordelijk was voor een religieuze revival in het noordoosten van Amerika, ook wel genaamd de First Great Awakening.
We hebben na het eerste grote ontwaken nog een paar andere periodes van groot ontwaken gehad en ik meen dat met Trump nu ongeveer het Zevende Grote Ontwaken is begonnen. Men creëert zijn eigen absolute waarheden en zoekt vervolgens handlangers om minder alleen te zijn met die absolute waarheid. En om andermans zonde te bestrijden, uiteraard; weinig doet mensen een groter plezier dan dat. Dat alles wordt dan Ontwaken genoemd.
https://www.vn.nl/product/vrij-nederland-nr-10-2018/Van zonde naar ziekte
Sedona is een stadje in het noorden van Arizona met prachtige, roodbruine rotsformaties, ravijnen en dennenbossen. De zonde lijkt hier ver weg, maar van ontwaken is hier wel degelijk sprake. Sedona is het centrum van diverse spirituele bewegingen, oftewel new age. Tijdens deze paasdagen is de bevolking, normaal circa tienduizend inwoners, verdrievoudigd door toeristen en andere reizigers op zoek naar heling en ontwaken.

Het wemelt in Sedona van de genezers, zieners en waarzeggers. Hier lijdt de mens niet meer onder de zonde van de puriteinen, hij is gewoon ziek, op zijn minst behoeftig, en genezing ligt binnen handbereik; de oudtestamentische God en Zijn plezier zijn er niet meer voor nodig. Het mag vooruitgang heten, van zonde naar ziekte. En genezing is geen kwestie van willekeur van een ondoorgrondelijke maar naar het schijnt liefhebbende God, maar van onze eigen daden, wat ook weer nadelen heeft. Wie desondanks ziek blijft, moet wel slecht zijn, heeft het in elk geval aan zichzelf te wijten.
In het oneindige
Ik heb een ‘vortex-tour’ geboekt bij Melinda Leslie, een ietwat gezette dame van begin vijftig met kort blond haar. Ze draagt een zwarte broek en is aanvankelijk wat gereserveerd. De ‘vortex-tour’ voert langs energievelden niet ver van een kloof, de Long Canyon, die heilig is voor de oorspronkelijke bewoners. Van de oorspronkelijke bevolking zijn nog slechts plukjes over; de zonde waarover men liever niet spreekt.
Melinda is verlaat vanwege het verkeer, ze zegt een paar keer dat dat niet professioneel is, maar ik vind gebrek aan professionaliteit in deze context prettig, het mystieke moet niet met al te veel professionaliteit worden betreden.
Nadat Melinda haar boodschappen in haar woning heeft gezet, wandelen we langs de energievelden bij Rachel’s Knoll. Rachel, geboren in 1910 in Utah in een familie van Mormonen en oprichter en eigenaar van het Phoenix Thunderbird Motel, wilde op een gegeven moment naar Sedona verhuizen. Ze kwam aan bij de plek die nu Rachel’s Knoll heet en had daar een mystieke ervaring. Ze schijnt gezegd te hebben: ‘Ik voelde dat ik in het oneindige keek.’
Het uitzicht is inderdaad fantastisch, maar van energievelden merk ik vooralsnog weinig.
‘Hier kan de energie je geven wat je nodig hebt en wegnemen waar je vanaf wilt,’ zegt Melinda, die van de kleine wandeling buiten adem is. Ze wijst op bomen met gedraaide stammen, waardoor ze wat weg hebben van een kurkentrekker. ‘Dat doet de energie hier met de bomen,’ zegt ze.
Ontvoerd worden lijkt mij onprettig, maar Melinda spreekt erover met een zekere trots.
We gaan zitten bij een paal die de Vredespaal heet. Er wordt gretig naar de oorspronkelijke bevolking verwezen, zoals ze in Krakow graag verwijzen naar het Joodse verleden van die stad terwijl de Joden zelf grotendeels zijn verdwenen.
Melinda vertelt dat ze net terug is van een conferentie in San Francisco over ufo’s. In de avond geeft ze zogenoemde ‘UFO sighting tours’; ze laat ufo’s zien aan toeristen en andere ‘seekers’. Ik meld me meteen aan. Het zoeken zit mij in het bloed. Maar eerst moeten we nog gebruikmaken van de energievelden bij Rachel’s Knoll. Daarvoor dien ik op een papiertje te schrijven wat ik kwijt wil in mijn leven, en op een ander papiertje wat ik wil behouden. Ook Melinda noteert wat weg moet en wat ze nodig heeft.
Ontvoerd door buitenaardse wezens
Terwijl we daarmee bezig zijn, begint ze over ufo’s te vertellen. Zijzelf is ontvoerd door buitenaardse wezens, dan ben je een abductee. Er zijn mensen die alleen gecontacteerd zijn door buitenaardse wezens, dan ben je een contactee. Ontvoerd worden lijkt mij onprettig, maar Melinda spreekt erover met een zekere trots, zoals oorlogscorrespondenten met tevredenheid kunnen vertellen over de diverse soorten hel op aarde die ze hebben bezocht. Ik moet toegeven dat ik me hier ook weleens aan heb bezondigd.
Tijdens de conferentie in San Francisco sprak Melinda over haar ontvoering. Ze vraagt of ik weet dat The New York Times en de Washington Post verleden herfst grote artikelen publiceerden over een inmiddels beëindigd onderzoek van het Pentagon naar Unidentified Flying Objects. Het programma heette Advanced Aviation Threat Identification Program. Ik zeg dat ik die artikelen heb gelezen en vraag: ‘Hoe weet je eigenlijk dat je ontvoerd bent?’
‘Er is een lijst met vragen,’ antwoordt Melinda. Ze begint los te komen. ‘Als je driekwart van die vragen met ja beantwoordt, dan weet je bijna zeker dat je ontvoerd bent geweest. Bijvoorbeeld: weet je van bepaalde uren of dagen niet waar je bent geweest? Droom je weleens over buitenaardse wezens? Werd je weleens wakker en stond er een wezen naast je bed? Zijn littekens op raadselachtige wijze verdwenen? Heb je opeens drie puntjes in je lichaam, met name in je benen?’

Ik geloof niet dat ik ontvoerd ben geweest.
‘Ze vertellen ons wel iets,’ zegt Melinda, ‘het Pentagon, de geheime diensten, maar niet alles. Ze gebruiken de ufo’s om meer geld te krijgen voor Defensie, maar buitenaardse wezens zijn niet agressief. Amerika wil geld voor een nieuwe oorlog, zo is het met die grootmachten. Amerika, China, Rusland, allemaal hetzelfde.’
Fluorescerende tekens
Het valt me op dat geen van de mensen met wie ik tot nu heb gesproken, veel vertrouwen heeft in het eigen land of in welk natiesoort dan ook. Alleen God en de buitenaardse wezens hebben het goed met ons voor. Redding komt niet van de mens, zoveel is zeker. Wij zijn niet de reddertjes, hooguit de geredden.
‘Als de buitenaardse wezens niet agressief zijn, waarom ontvoeren ze ons dan?’ vraag ik. Melinda legt haar potlood neer. ‘De buitenaardse wezens ontvoeren ons voor onze eitjes en sperma. Ze willen het beschavingsproces vooruithelpen, ook omdat mensen de ruimte in dreigen te gaan. Ze willen ons iets van hun betere genen geven. Er zijn al hybride wezens, die zijn niet agressief, veelal veganistisch en sociaal bewogen.’
Ik ga na of ik hybride wezens ken.
‘Sommige mensen weten ze dat hybride zijn,’ vervolgt Melinda. ‘Of dat ze hybride kinderen opvoeden.’
‘Kun je je iets van het ruimteschip herinneren?’ vraag ik. ‘Ik neem aan dat de abductees aan boord worden gebracht van zo’n schip.’
Ze aarzelt, lijkt niet te weten of ze me dit moet vertellen. ‘Ja,’ zegt ze, ‘het was niet eng. Er bestaan hybride wezens die niet meer op mensen lijken. Als je in het schip bent geweest, heb je overal fluorescerende tekens op je lichaam die alleen te zien zijn in zwart licht.’
Het uitzicht is indrukwekkend, maar ik moet aan de buitenaardse wezens denken die zaad en eitjes stelen.
We lopen naar de plek waar we ons met behulp van de energie zullen ontdoen van onze negatieve krachten. Het uitzicht is indrukwekkend, maar ik moet aan de buitenaardse wezens denken die zaad en eitjes stelen.
Staand aan de rand van de kloof, de heilige plek voor de oorspronkelijke bevolking, steekt Melinda salie aan. Met moeite, want het waait flink. Ze laat de rook om ons heen waaien om ons te reinigen.
Melinda zegt: ‘Ik heb de dingen laten gaan die ik niet nodig heb en zij zijn nieuwe positieve liefdevolle energie geworden, want alleen in mijn perceptie waren deze zaken negatief.’
Het papiertje waarop de negatieve dingen staan wordt in brand gestoken, de as wordt in de kloof geblazen.
Dan vervolgt Melinda met dingen die ze in haar leven wil hebben. Ze zegt: ‘Ik stel dat mijn gewrichten geen pijn doen, dat ze buigzaam zijn. Ik heb een flexibel lichaam. Ik heb alle tijd van de wereld en ik kan goed met mijn tijd omgaan. Ik stel dat ik mager ben.’ Melinda moet er zelf om lachen.
Op mijn papiertje heb ik geschreven ‘uitslag op mijn borst’. Daar heb ik last van en misschien kom ik er nu vanaf. Als het gaat om de dingen die ik in mijn leven wil hebben, kom ik niet verder dan gemeenplaatsen over zelfvertrouwen, kalmte en meer geduld, vooral met mijn medemens.
Misschien helpt het ritueel, want het is nog niet volbracht of Melinda begint me te ontroeren. Seekers, zoekers, dat woord heb ik de afgelopen dagen vaak gehoord, bij de baptisten in Phoenix, bij de New Age in Sedona, bij een waarzegger/astroloog die ik ook nog even in Sedona heb bezocht.
Maakt het werkelijk zoveel uit waar de zoekers zich in hun duizeligheid aan vastgrijpen: een boze god, goedaardige buitenaardige wezens, literatuur of welke constructie mensen ook bedacht hebben om met minder vrees in het ontzagwekkende gat van het niets te staren? Tegelijkertijd komt het me voor dat het vele spreken over zondes, de zonde van de homoseksualiteit, de zonde van het ongezonde leven, de zonde van het wapenbezit, of de zonde er juist geen te bezitten, de zonde als Jood geboren te zijn, hier slechts pogingen zijn om de oerzonde van het Westen, de moord op de oorspronkelijke bevolking in Zuid-, Midden- en Noord-Amerika, te verdringen.
Kom naar ons toe
‘Ik ga een margarita drinken,’ zegt Melinda, ‘voor ik aan mijn ufo-tour begin.’
De tour begint vóór het Center for the New Age van Sedona. Twaalf mensen hebben zich deze avond aangemeld. Drie goedlachse vriendinnen van achter in de dertig, het is onduidelijk of ze de voorkeur geven aan een minnaar of een ufo, een Amerikaans-Aziatische familie, inclusief oma, die de ufo’s zeer serieus lijkt te nemen en een moeder met een dertienjarige dochter.
De ufo-tour kost 80 dollar per persoon, maar kinderen onder de veertien mogen gratis mee.
We rijden naar een heuvel buiten de stad waar tuinstoelen in een cirkel worden neergezet. Melinda vertelt dat ze al 875 van deze tours heeft gedaan, circa zesduizend mensen hebben haar tours gevolgd, en dat het slechts één keer voorkwam dat ze geen ufo’s zagen. Ze zegt: ‘Vandaar mijn garantie: geen ufo, geld terug.’
We krijgen nachtkijkers die volgens Melinda ook door het leger worden gebruikt. En een laser om de ufo aan te wijzen, want als we een ufo zien, moeten we die niet voor onszelf houden. Melinda legt uit dat vliegtuigen altijd knipperlichten aan hebben staan, militaire vliegtuigen knipperen snel, civiele vliegtuigen langzaam. Dan zijn er nog satellieten die we kunnen zien, maar die gaan langzaam en er kunnen niet meer dan twee per uur voorbijkomen. Kortom, vrijwel alles wat niet knippert en toch vliegt, is een ufo.
We wachten tot het donkerder wordt. Melinda trekt een grijs sweatshirt aan en al snel zien we de eerste ufo’s. Melinda geeft met de laser het SOS-signaal aan de ufo. ‘Soms licht hij dan op,’ zegt ze, ‘om aan te geven dat hij ons heeft gezien, want het SOS-signaal is in de hele kosmos bekend.’ Vervolgens roept ze: ‘Praat met ons.’ En inderdaad, de ufo licht op.
Als ik later die avond in een restaurant zit, zegt mijn vriendin: ‘Volgens mij hebben we naar satellieten gekeken.’
Mijn vriendin wordt steeds enthousiaster. ‘Ik heb er weer een,’ zegt ze – lang heb ik haar niet zo vrolijk gezien. Met de laser worden weer noodsignalen aan de ufo gegeven. Het dertienjarige meisje lijkt in extase te zijn. ‘Kom naar ons toe,’ roept ze tegen de hemel. ‘Alsjeblieft, kom naar beneden.’ Ontroering maakt zich weer van me meester, maar ook besef ik dat religieuze extase voor iedereen binnen handbereik is. Ga op een heldere nacht met een verrekijker op een heuvel staan, kijk naar ufo’s en sterren en roep: ‘Kom naar ons toe.’
Onbegrepen realiteit
Als ik later die avond in een restaurant zit, zegt mijn vriendin: ‘Volgens mij hebben we naar satellieten gekeken. Het verschil tussen een ufo en een satelliet was alleen een kwestie van snelheid. Dat waren we op een gegeven moment weer vergeten. En dat ze oplichten, was misschien zonlicht dat weerkaatste.’
Spinoza schreef al dat het wonder slechts onbegrepen realiteit was. Wetenschap en literatuur doen beide pogingen de onbegrepen realiteit van plausibele verklaringen te voorzien. De een moet voor bewijslast zorgen, de ander is daarvan vrijgesteld.
Wat me vanavond duidelijk is geworden, is dat je voor een religie een gemeenschap nodig hebt, hoe klein ook, die iets ziet wat anderen niet zien of die iets hoort wat anderen niet horen. De eenling is een dwaas, twee dwazen zijn een beweging. De politieke utopist verschilt bovendien niet zoveel van de staarder en zoeker naar ufo’s, ook hij ziet in de verste verte iets oplichten. Wat ik me wel afvraag, is of Melinda weet dat ze haar cliënten naar satellieten laat kijken.
Naast al het andere is religie ook een businessmodel.
De trots van een moeder
Om het businessmodel van de religie en de rol die gemeenschap speelt bij de religieuze beleving beter te kunnen doorgronden, reis ik naar Rio Rico, een dorpje in het zuiden van Arizona, niet ver van de Mexicaanse grens. Daar bevindt zich de commune van Gabriel of Urantia, ook wel genaamd de Global Community Communication Alliance.
Het was niet makkelijk om toestemming te krijgen voor het interview. Ik moest beloven dat Gabriel en zijn medewerkers het artikel vooraf konden lezen, en er mag niets pornografisch of al te negatiefs in voorkomen. De commune heeft slechte ervaringen met journalisten. Bij de poort worden we ontvangen door Centria. Ze is een goed verzorgde vrouw van in de zestig, geheel in het wit gekleed. Ze leidt ons rond in een golfkarretje en vertelt over de commune met de trots van een moeder die over haar kinderen spreekt.

‘We hebben paarden,’ vertelt ze. ‘We redden namelijk paarden. We hebben emoes. We eten samen, maar als je wilt, kan je ook alleen eten. Er zijn hier stagiaires, maar we hebben uiteraard ook leden. Als je lid wordt van de commune, dan is dat zo’n beetje alsof je trouwt.’ Ik vraag naar seks. Seks voor het huwelijk blijkt verboden, al zal ik later horen dat het er vanaf hangt hoe je huwelijk definieert. Ik begrijp dat er ruimhartige definities van het huwelijk mogelijk zijn. En misschien ook van seks.
Ze laat de gemeenschappelijke eetzaal zien die veel weg heeft van een sfeervol restaurant in de provincie.
‘We proberen zelfvoorzienend te zijn, maar op het gebied van elektriciteit lukt dat nog niet helemaal. We zaten eerst in Sedona, maar die gemeenschap is te rijk, te bourgeois, niet ontvankelijk voor ons. Zij waren al vervuld. Dertig jaar geleden ben ik bij Gabriel gekomen. Ik begreep niets van de wereld. Ik wilde uit de maatschappij.
Het gaat bij ons om wensen versus behoeftes. Wensen heeft iedereen, wensen worden ons aangepraat, maar wat zijn echte behoeftes? In Sedona hadden we zeven hectare, hier hebben we negentig hectare land. En er wonen hier ongeveer dertig kinderen en honderddertig volwassenen.’
Mijn interview zal door leden van de commune worden gefilmd. De setting is formeel. Er staan twee stoelen klaar, voor Gabriel en zijn vorige vrouw, Niánn. Hij heeft een nieuwe vrouw, maar die lijkt geen officiële functie in de gemeenschap te vervullen.
Krottenwijk van het universum
Gabriel en Niánn verschijnen. Hun opkomst is indrukwekkend, ook al door de kleding.
Gabriel is geheel in het wit gekleed met een in het oog springende oorbel en lange witte haren. Hij is 71 en wordt begeleid door zijn zoon, hij loopt met een stok. Zo stel ik me Jezus voor als hij niet was gekruisigd.
Niánn draagt een rode kaftan en daaronder een wit gewaad. Ze straalt sereniteit uit.
Naast me ligt een papier met vragen die ik zou kunnen stellen, want zekerheidshalve heeft men hier ook de vragen voorbereid. De pers is niet te vertrouwen, maar de gesouffleerde pers kan er net mee door.
Er zit natuurlijk waarheid in veel religies. En wij gebruiken al die waarheden.
‘Hoe heet uw religie precies?’ vraag ik, want dat is me nog niet duidelijk.
‘Urantia. Zoals het boek,’ zegt Gabriel. ‘Er zijn meerdere namen. Ik heb ook meer namen.’
‘Wie heeft het geschreven?’
‘Ik in een ander leven. Ik was het voertuig in een ander leven.’
‘Wanneer hebt u voor het eerst over Urantia gehoord?’
‘In 1987. Ik was in de Superstition Mountains in Arizona, ken je die bergen? En daar hoorde ik een stem, het was de eerste keer dat ik die stem hoorde en het was de eerste keer dat ik over Urantia hoorde. De stem zei tegen me dat ik een Apache-vrouw zou trouwen. En inderdaad, mijn vorige vrouw verliet me en ik kwam Niánn tegen. Ik wilde altijd zanger worden. Ik bén ook zanger. De eigenaar van een boekhandel in Pittsburgh vertelde dat daar een klant was gekomen die het boek Urantia wilde ruilen voor een cd van me.
Later kwam ik bij een leesgroep in Los Angeles waar ze het boek Urantia lazen. De leesgroep werd geleid door een voormalige generaal van het Amerikaanse leger. Het is een tekst geïnspireerd door sterrenmensen. Er zit natuurlijk waarheid in veel religies. En wij gebruiken al die waarheden. Wij geloven bijvoorbeeld ook in Jezus, maar we noemen hem Jezus Michael.
We zijn geen religie. Onze vrijwilligers – we hebben geen volgelingen, we hebben vrijwilligers – kunnen hun religie behouden, maar gek genoeg doen ze dat nooit. Adam en Eva waren sterrenmensen die hierheen waren gestuurd om het genetisch materiaal van de mensheid te verbeteren, maar Eva sliep met een mens en toen werd Adam jaloers en hij sliep ook met een mens. Ja, dat was het einde van de genetische verbetering.’
Af en toe onderbreekt Niánn, dan zegt ze: ‘Mag ik even?’
In vergelijking met Niánn is Gabriel uiterst concreet. Wat Niánn zegt, kan ik vaak niet helemaal begrijpen.
We komen te spreken over sterrenmensen (celestial beings), een ander, mooier woord voor buitenaardse wezens. De grote vernieuwing van Urantia in vergelijking met de Bijbel lijkt me de nadrukkelijke toevoeging dat ook andere planeten bewoond worden door ‘intelligente wezens die (…) Gods affectie ontvangen en van Hem op hun beurt houden.’
‘Jezus Michael was een schepper-zoon,’ vertelt Gabriel, ‘maar er zijn 350.000 planeten met leven en elke planeet heeft zijn eigen schepper-zoon en al die schepper-zonen zijn op de een of andere manier ook gekruisigd. We zitten hier wel in een uithoek van het universum op een van de slechtste planeten waar je kunt zitten, maar dat is niet onze fout. Dat komt door Adam en Eva. We zijn allemaal kinderen van de ons liefhebbende godheid.’
‘En hoe zit het met het lijden?’ informeer ik. Dat we in een uithoek van het universum, in de krottenwijk van het universum zitten, komt me aannemelijk voor.
‘Er is zoiets als vrije wil,’ zegt Niánn. ‘Zonde is tegen de wil van de Godheid ingaan.’
‘We stemmen wel,’ vertelt Gabriel nog, ‘maar het systeem deugt niet. Er zijn goede mensen in het systeem, maar ze kunnen niet zoveel doen.’
‘Hoe gaat het verder met de commune na uw dood?’ vraag ik. ‘Als u ooit doodgaat.’
‘Ik ben een sterveling,’ zegt Gabriel. ‘Ik ga naar een andere planeet. Ik was een christen. Eerst katholiek. Toen werd ik protestant. De ziel groeit. Ik ben een beter mens nu dan toen. We hebben hier een raad van bestuur. Het kan ook zonder mij doorgaan, ik ben slechts een voertuig. Urantia verbetert alle religies. Daar gaat het om. Ik maak ook muziek, Cosmo-pop, een genre dat ik heb vormgegeven. En ik ben revolutionair, maar een spirituele revolutionair.’
‘We delen in deze commune alles, ook elkaars kleren, maar dat betekent niet dat we elkaars onderbroek aantrekken.’
‘U draagt allebei wit, en Niánn ook wat roods, is dat een soort van uniform?’ wil ik weten. ‘Verwijst het naar zuiverheid?’
‘Nee,’ zegt Niánn. ‘Dit is gewoon mode.’ En Gabriel vult aan: ‘We delen in deze commune alles, ook elkaars kleren, maar dat betekent niet dat we elkaars onderbroek aantrekken.’
Een aangename uithoek
Het interview is klaar. Er zijn nog koekjes en crackers en buiten worden foto’s gemaakt van Gabriel en Niánn, door mijn vriendin en door fotografen van de commune. We bevinden ons in een uithoek van het universum en de commune bevindt zich in een uithoek van Amerika, toeval zal het niet zijn. Gabriels uithoek is een aangename uithoek.
Ik verlaat Gabriel en zijn vrijwilligers met het heilige voornemen om samen met mijn lezers, die geen lezers meer zijn maar vrijwilligers zullen heten, een commune te vormen. We delen elkaars kleren, maar iedereen heeft recht op een eigen onderbroek.
(Wordt vervolgd)


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.