Als er iets niet voor hand ligt dan is het ‘groot denken’. Alles moet tegenwoordig op huiskamerformaat zijn. Maar niet voor de essayist Thijs Lijster. De wereld wordt niet gered door het eten van biologisch geteelde wortels.

We hebben wel te maken grote problemen in deze geglobaliseerde tijden (zoals de uitdrukking luidt), maar groot denken is er niet meer bij. Er is een flinke huiver ontstaan om in het groot te denken door de fatale mislukkingen van het totalitaire nazisme en fascisme, gevolgd door het communisme. Ook het alomvattende karakter van het christendom werd drastisch minder en veranderde in een individuele beleving van het geloof. Denken in alomvattende principes en overkoepelende structuren is verdwenen.

Maar tegelijk is alles geglobaliseerd, en hangt alles meer dan ooit met alles samen. We móéten wel in het groot denken. Dat gebeurt ook, maar niet meer op basis van alomvattende principes. Meer pragmatisch, omdat het wel moet vanwege het wereldwijde web aan belangen, relaties, samenwerkingen en afhankelijkheden dat we hebben laten ontstaan.

Alles moet huiselijk, persoonlijk, individueel, lokaal en intiem zijn.

Hoe alles ook pragmatisch geglobaliseerd is, ondertussen is de werkelijkheid dat alles zo veel mogelijk klein wordt gehouden. Dat beweert Thijs Lijster in zijn ‘essays over cultuur in een onoverzichtelijke wereld’ onder de titel De grote vlucht inwaarts. Alles moet huiselijk, persoonlijk, individueel, lokaal en intiem zijn, schrijft hij. Hij keert zich tegen de ‘ikeaficatie’ van de samenleving, de focus op het huiselijke interieur en de neiging om de publieke ruimte om te vormen tot een gezellige huiskamer. Dat gaat voorbij aan waarom het echt gaat: ‘Juist de geglobaliseerde wereld van hypermobiliteit, communicatie en international handel verbiedt ons om bescheiden te denken.’ Lijster laat de postmoderne fragmentering van de werkelijkheid achter zich, en ziet juist hoe alles samenhangt. Hij is een cultuurcriticus die, gebruikmakend van oude en nieuwe ideeën (Walter Benjamin Theodor Adorno, Jürgen Habermas,Fredric Jameson, René Boomkens, Peter Sloterdijk.) tot eigen inzichten komt. Lijster breekt met de postmoderne verkleining van de wereld en pleit ervoor om groot , ‘totaal’, te denken om de problemen aan te kunnen. Er moeten grote antwoorden komen op de ‘macroprocessen die ons dreigen te overmeesteren.’

Met de klok mee: Habermas, Adorno, Benjamin, Jameson, Boomkens, en Sloterdijk.

De huiver die elke vorm van totaliteit of het totalitaire teweeg brengt verandert weinig aan het feit dat we er in positieve of negatieve (of allebei) zin van alles mee te maken hebben. Het gaat wat ver om te zeggen, zoals Lijster doet, dat we allemaal een ’totaalmens’ zijn, maar velen komen er aardig bij in de buurt wanneer hij beschrijft waaruit die totaalmens bestaat: hij is onafscheidelijk van zijn smartphone en laptop, hij wil ‘spannend’ werk hebben, uitblinken als minnaar, ouder, tourist, fijnproever, hij wil autonoom zijn, flexibel en goed in het onderhouden van contacten. Het kenmerkende van de totaalmens is dat hij in alle opzichten (totaal) is gemobiliseerd, er is geen ruimte meer voor ledigheid. Alles staat in dienst van het totaal. Ook het slapen, schrijft Lijster: geslapen wordt er alleen nog maar om er de volgende dag weer helemaal fris tegenaan te gaan. Zelfs het middagdutje is een onderdeel van de mobilisatie: dat wordt een ‘power nap.’

Het begrip ‘totaliteit’ heeft Lijster in de ban. Hij stuit op de ‘totaalmens’ bij zijn analyse van de hedendaagse mens, maar uitgesproken positief kan hij niet over hem zijn. Hij wordt bijna geleefd. Dat is ook echt het geval wanneer Lijster ons voorhoudt hoezeer (totaal) we aan alles in de wereld gebonden zijn: dat we ons bij elk slokje koffie dat we drinken en bij elke chocoladeletter die we eten, of met de kleding die we dragen, medeschuldig maken aan ‘uitbuiting, kinderarbeid en slavernij.’ Ons algehele consumptiepatroon draagt bij aan de vervuiling. In hoeverre, vraagt Lijster zich af, investeer ik in de wapenindustrie via mijn pensioenfonds of spaarbank? In de traditie van Hegel, degene die het begrip ‘totaliteit’ bedacht, moeten we ons afvragen in hoeverre we afzonderlijk deel zijn van het geheel, en er dus ook verantwoordelijk voor zijn. Om de hedendaagse mens aan die verantwoordelijkheid te ketenen leent Lijster een begrip van negativist Adorno: als je onderdeel bent van die totaliteit dan is er sprake van ‘totaler Schuldzusammenhang.’ Niemand kan zijn handen nog in onschuld wassen, voegt Lijster er nog aan toe, mocht iemand zich uit de voeten willen maken omdat hij niet wil dat deze totale schuld op hem geladen wordt, ook al drinkt hij wel eens andere koffie dan die van Max Havelaar.

Totalitaire regimes zoals het communistische tot 1989, waren totalitair omdat elk mens een onderdeel moest zijn, en zich ook een onderdeel moest voelen, van het totale communisme. Men was een rader, er was geen ontkomen aan. Er was sprake van een totalitaire samenhang. Wanneer Lijster ons met het begrip van Adorno allemaal schuldig maakt aan de toestand in de wereld, loopt hij het gevaar dat hij even totalitair gaat denken. ‘Natuurlijk betekent dat niet dat we bij iedere loszittende stoeptegel de “totaliteit” maar de schuld moeten geven’, schrijft Lijster, maar daar nodigt die totale schuldsamenhang van Adorno wel toe uit: je hoeft de loszittende stoeptegel maar te veranderen in een genietende koffiedrinker.

Lijster breekt ook met de slogan ‘Een beter milieu begint bij jezelf.’ Voor hem moet het zijn: ‘een beter milieu begint bij de totaliteit.’

Lijster breekt ook met de slogan ‘Een beter milieu begint bij jezelf.’ Voor hem moet het zijn: ‘een beter milieu begint bij de totaliteit.’ Grote ecologische, economische en humanitaire problemen moeten totaal, groot, politiek en structureel aangepakt worden. Niet klein beginnen, groot beginnen. Het is net als met armoede, die los je niet op met liefdadigheid, maar met solidariteit en structurele veranderingen. Wie zich vervolgens afvraagt op welke manier die grote problemen dan in het groot opgelost moeten worden volgens de cultuurcriticus, is bij Lijster aan het verkeerde adres. Hij schrijft: ‘dat door de criticus geen pasklare oplossing kan worden geboden voor deze problemen, doet niets af aan de geldigheid van een dergelijk perspectief.’ Lijster vindt ‘het besef van het ontbreken van een oplossing vooralsnog beter’ dan een schijnoplossing.

Dit lijkt misschien een nederlaag wanneer je zo hoog van de toren hebt geblazen als Lijster, maar dat is het niet: ‘Door het probleem als probleem te blijven erkennen, verplichten we onszelf in elk geval tot het vinden van structurele oplossingen.’ Het is een bescheiden uitkomst, maar dat zijn deze essays verder niet. Die zijn stuk voor stuk prikkelend, goed geschreven en op de hoogte van wat er zich in de wereld afspeelt. Ook al leunt Lijster behoorlijk op andere denkers, er komt genoeg uit hemzelf. Hij moet natuurlijk wel zowel groot als klein (en iets er tussenin) gaan denken en voorzichtig zijn met dat woord ‘totaliteit’. Dat kan beter vervangen worden door ‘alomvattend’, dat is ook veel mooier.

De grote vlucht inwaarts, door Thijs Lijster, is uitgegeven bij de Bezige Bij.