Elf jaar was ik toen ik begon te twijfelen aan het bestaan van een godheid. In mijn geval Allah, omdat ik uit een moslimfamilie kom. In die tijd was ik veel bezig met planeten en het heelal. Op een dag stond ik onder de douche en trof het me als een donderslag hoe nietig wij zijn, en dat het eigenlijk helemaal niet kon dat we door een god zouden zijn geschapen. Ook over andere dingen begon ik te twijfelen. Waarom mocht ik geen varkensvlees eten? En waarom moest ik vasten tijdens de ramadan? Mijn vrienden op de lagere school – ik zat op een voornamelijk witte school vlakbij Brussel – aten gewoon, en zij kregen toch ook geen straf?

We hadden ruzies, mijn vader en ik. Over de Koranschool waar ik elk weekeinde naar toe moest, gevestigd in een oud gebouw met strenge mannen die met lange latten op je vingers sloegen of aan je oor trokken als je iets fout deed. Wat doe ik hier, vroeg ik me af, ik hoor hier niet thuis.

Diep teleurgesteld

Ik begon te protesteren, weigerde mijn bed uit te komen, en slaagde er vaak in mijn ouders zo gek te krijgen dat ik niet hoefde te gaan.

Op mijn vijftiende vertelde ik mijn ouders dat ik mezelf geen islamiet voelde. Het was thuis, in de woonkamer, ze zaten op de bank, mijn broer en zusjes zaten op hun kamer. Ik dacht dat ik het gewoon kon zeggen, dat het geen probleem zou zijn, het waren toch mijn ouders? Ik vertelde het in het Nederlands, dus mijn vader verstond me helemaal niet. Mijn moeder schrok zich dood en vertaalde het voor mijn vader. Zijn gezicht verstarde, hij begon te schreeuwen. Maar hij ging niet door, na twee of drie minuten stopte hij. Mijn vader zweeg. Mijn moeder nam het woord en zei dat ik, als ik volhardde in mijn idee, het huis uit moest. In dit huis woonde immers een moslimgezin.

Advertentie

Advertentie

Met slaande deuren ging ik naar mijn kamer, in totale paniek. Uiteindelijk werd de soep niet zo heet gegeten, ik bleef gewoon thuis wonen, maar de verhoudingen waren wel verstoord. Tussen mijn vijftiende en mijn negentiende voerde ik geen echte gesprekken meer met mijn ouders – en ook niet met mijn broer en zussen, trouwens. Ik zat veel op mijn kamer of ik was bij vrienden, waar ik soms ook sliep. Tot dan toe was ik de ideale zoon, maakte geen problemen, was vlijtig. Maar ik had mijn vader en moeder diep teleurgesteld. Ze drukten me op het hart het aan niemand buiten het gezin te vertellen.

Hoe bewerkte Sofyan El Bouchtili zijn persoonlijke, ingewikkelde verhaal tot een journalistiek stuk? Melle Meijer vroeg het hem in de VN-podcast ‘In gesprek met’. Sofyan: ‘Ik hoop dat meer verhalen als deze naar buiten komen, dat meer mensen de moed kunnen vinden om onder eigen naam hun verhaal te vertellen.’

SoundCloud

Deze dienst is alleen beschikbaar wanneer alle cookies zijn geaccepteerd

Wijzig cookie voorkeur

In het geheim al gestopt

In Vlaanderen en Nederland zijn veel meer mensen zoals ik. Hoeveel precies weten we niet, er is weinig onderzoek naar gedaan. Maar ik ken een heleboel jonge mannen en vrouwen afkomstig uit islamitische gezinnen, voor het merendeel van Marokkaanse komaf, die worstelen met hun geloof en er eigenlijk het liefst mee zouden willen stoppen. En velen zijn er in het geheim al mee gestopt. Wat opvalt, is dat er in Nederland nauwelijks plekken zijn waar voormalige moslims elkaar treffen, het is ook geen onderwerp waar veel over wordt gesproken. Wel zijn er Facebookgroepen en fora waar over dit onderwerp wordt gediscussieerd. Maar op de radar van de Nederlandse overheid staat het niet. In de politiek wordt er niet over gepraat.

Voor dit verhaal sprak ik vijf jonge afvalligen. Daarnaast ging ik terug naar twee vrouwen die in 2003, zestien jaar geleden, hun verhaal vertelden in Vrij Nederland. Zijn zij anno 2019 in staat om zich als vrije individuen te uiten in de Nederlandse samenleving?

Lees ook Afscheid nemen van de islam: 'Ik geloof niet in jouw Allah' 31 juli 2003
Een eenzaam bestaan

Op een koude zaterdag in maart hebben zich zo’n zestig mensen verzameld in een zaaltje in de Balie te Amsterdam voor een bijeenkomst onder de titel De Afvallige. En afvallig dan in de meest algemene zin van het woord. Op het podium Jolande Withuis, voormalig onderzoeker van het NIOD en biograaf van koningin Juliana. Maar ze is ook opgegroeid in een streng communistisch gezin.

Fatima El Mourabit en Asis Aynan, beiden voormalige moslims, zitten ook op het podium. De ex-communiste Withuis benadrukt dat de weg van ideologische afvalligheid per definitie ‘een diep individualistisch gebeuren is’. Het is aartsmoeilijk en eenzaam om tegen je opvoeding en de denkbeelden van je eigen familie in te gaan. Voor haar was het een lange weg, waarbij ze op haar 23ste in therapie ging om los te komen van haar achtergrond.

Asis Aynan, een tengere schrijver met bril, is actief in de islam-kritische groep Vrij Links. Ook hij benadrukt dat afvalligen een eenzaam bestaan leiden. Ze worden vaak uitgestoten door hun eigen groep.

Aynan wil dat de samenleving zich meer openstelt, dat mensen die besluiten de islam te verlaten elders wél welkom zijn. ‘In Nederland zal ik altijd als moslim worden gezien. Steeds moet ik uitleggen dat ik weliswaar van Marokkaanse afkomst ben, maar dat dat niet wil zeggen dat ik islamitisch ben.’ Het is me uit het hart gegrepen.

‘In Nederland word ik altijd als moslim gezien. Steeds weer moet ik uitleggen dat ik weliswaar van Marokkaanse afkomst ben, maar dat dat niet wil zeggen dat ik islamitisch ben.’

Na afloop raak ik in gesprek met Asis Aynan, casual chic, en Fatima El Mourabit, lang zwart haar en in een turquoise jurk. Fatima’s verhaal is sinds het verschijnen van het boek Nieuwe vrijdenkers. 12 voormalige moslims vertellen hun verhaal links en rechts opgepikt in de media. Het boek is vorig jaar uitgegeven op initiatief van het Humanistisch Verbond. El Mourabit is opgegroeid in een streng-islamitisch gezin en op haar dertiende getrouwd naar islamitisch recht met haar 21-jarige neef uit Nederland.

Ze verhuisde naar Den Haag en trok in bij hem en haar schoonouders. Op haar veertiende werd ze zwanger. De relatie met haar echtgenoot werd slechter en voor haar schoonouders was ze alleen een soort dienstmeisje. Naar school ging ze niet meer. Ze ontvluchtte het gezin toen ze zeven maanden zwanger was en ging weer thuis wonen.

In het boek zegt ze: ‘Toen mijn oudste dochter geboren was, kwam de kinderbescherming meteen over de vloer en wezen de voogdij over mijn dochter aan mijn ouders toe.’

Hoewel ze hierna in een rustigere periode kwam en weer naar school ging, begon een innerlijke strijd. ‘Ik droeg mijn hoofddoek wel, maar ik voelde mijn geloof niet. Ik zag het als een heerlijke innerlijke provocatie om tijdens de ramadan wél een hoofddoek op te hebben en toch stiekem te eten.’

Gewetensvrijheid

Aanvankelijk voelde El Mourabit zich niet schuldig over dit geheime spel, maar later begon het toch aan haar te knagen. Ze kon tijdens de lessen biologie en chemie en de evolutietheorie moeilijk rijmen met haar eigen wereldbeeld. Lange tijd duwde ze vragen weg, zag ze vooral zichzelf als het probleem: ‘Door me te verdiepen in de Koran dacht ik dat ik me wellicht religieuzer zou kunnen gaan voelen.’ Maar het hielp niet.

Toen ze begin twintig was, verliet ze haar tweede echtgenoot, met wie ze op de Veluwe woonde. Ze ging haar eigen leven leiden in Amsterdam. Uit een nieuwe relatie kreeg ze een tweede kind. Inmiddels is haar oudste dochter een tiener die tijdens de ramadan in haar naveltruitje over straat loopt met een flesje water in haar hand, vertelde ze in Trouw. ‘Dat maakt me heel gelukkig.’

Maar ook nadat ze alleen was gaan wonen, bleef ze twijfelen over het geloof. Ze bouwde het bidden af, maar begon weer wanneer het schuldgevoel groeide. Tot uiteindelijk het besef kwam: ‘Ik geloof het gewoon niet meer. Ik ben atheïst.’ Die acceptatie deed haar beseffen dat niet zij het probleem was, dat ze alleen op zoek was geweest naar wat ze haar ‘gewetensvrijheid’ noemt.

Uiteindelijk kwam het hoge woord eruit en kwam ze ‘uit de kast’, zoals ze dat zelf noemt. El Mourabits moeder wil tot op de dag van vandaag niet met haar over straat omdat ze niet decent is gekleed.

‘Er zal vast ruzie over komen met mijn ouders en met anderen binnen mijn familie. Ik zie er niet naar uit, maar het kan niet anders meer.’
Dubbelleven

In de weken die volgen, heb ik verschillende keren telefonisch contact met Fatima. Ze vertelt me dat ze op zoek naar lotgenoten belandde bij een avond die was georganiseerd door het eerdergenoemde Humanistisch Verbond. Die organisatie besloot in 2016 op initiatief van Boris van der Ham, voormalig kamerlid van D66 en voorzitter van de humanisten, om een platform te creëren voor voormalige moslims. Fatima El Mourabit voelde zich daar zo op haar plek dat ze inmiddels voorzitter is van wat de Nieuwe Vrijdenkers is gaan heten, voortgekomen uit die ontmoetingsavonden.

De Nieuwe Vrijdenkers organiseren nog steeds bijeenkomsten waar voormalige moslims onder begeleiding hun verhalen kunnen delen. ‘Het is belangrijk,’ zegt Fatima, ‘om als je zelf je leven op orde hebt en je je eigen gewetensvrijheid succesvol hebt opgeëist, ook anderen te helpen. Dat je als rolmodel mensen die uit dezelfde situatie komen de weg wijst. Als wij dit nu niet doen, lopen onze kinderen tegen hetzelfde probleem aan.’

De Nieuwe Vrijdenkers zijn ook actief op Facebook. Het is een besloten groep met 104 leden. Niet veel als je bedenkt dat er honderdduizenden moslims in Nederland wonen. Volgens De religieuze beleving van moslims in Nederland, een onderzoeksrapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 2018, is naar schatting 6 procent van de Nederlanders moslim.

Weinig afvalligen hebben blijkbaar de weg gevonden naar deze groep. Het is een bubbel op zichzelf, maar wel eentje die langzaam groeit.

Moed inspreken

Via de groep leer ik drie vrouwen en twee mannen kennen, allen twintigers. Ze leven alle vijf een dubbelleven, hebben niet aan hun ouders verteld dat ze het geloof hebben verlaten, en zijn verbaasd dat ik het op mijn vijftiende al vertelde aan mijn vader en moeder.

Malika is 25 jaar oud, net afgestudeerd econoom. We spreken elkaar op Amsterdam Centraal in een koffiebar. Een hoofddoek draagt ze niet meer. Vroeger wel, ze liep vijf jaar met een khimar, een hoofddoek die tot je knieën komt. ‘Op een dag keek ik in de spiegel, zag mezelf staan en dacht: waarom moet dit? Is mijn lichaam zo vreselijk, is het zo’n zonde, ben ik zo slecht dat ik me zo moet bedekken?’

Later, in diezelfde khimar, schoot ze tijdens een gebed in de lach. ‘Waar was ik mee bezig?’ zegt ze terugkijkend. ‘Ik was een atheïst in een lang gewaad.’

‘Als rolmodel kun je mensen die uit dezelfde situatie komen de weg wijzen. Als wij dit nu niet doen, lopen onze kinderen tegen hetzelfde probleem aan.’

Malika was bezig aan haar studie toen ze het geloof definitief verliet. Ze woonde toen nog bij haar ouders aan wie ze niets vertelde. Het viel haar psychologisch zwaar. ‘Ik kreeg zware paniekaanvallen. Mijn studie stond volledig stil en ik ging naar een psycholoog om alles op een rijtje te krijgen.’

Nu, drie jaar later, is alles op zijn plek gevallen. Malika woont inmiddels op zichzelf, ze heeft geen paniekaanvallen meer, is klaar met haar studie. Ze zet zich in voor lotgenoten in Marokko, voor wie ze een besloten Facebookgroep beheert.

‘De situatie daar is veel schrijnender dan hier,’ vertelt ze. Jongens van wie de ouders erachter komen dat ze van hun geloof zijn gevallen, worden van de ene op de andere dag op straat gezet. ‘Het is mooi om te zien dat die mensen elkaar uit de nood helpen en bijvoorbeeld slaapplaatsen regelen. Maar de ellende is vaak zo groot dat ik het meeneem in mijn hoofd. Ik heb het de laatste tijd dan ook een beetje losgelaten om aan mezelf te kunnen werken.’

Wat Malika in Marokko doet, lijkt veel op wat de Nieuwe Vrijdenkers onder elkaar ook doen. Elkaar steunen, concrete hulp verlenen, elkaar moed inspreken.

Grote gevangenis

De andere gesprekken verlopen langs min of meer dezelfde lijnen: zelfinzicht, twijfel, eenzaamheid, psychische nood, boze ouders, angst om over je besluit tot afvalligheid te spreken met moslimvrienden.

‘Zonen en dochters tot religie verplichten is een vorm van kindermishandeling,’ zegt studente Rachida (23) stellig. Ze groeide op in een klein dorp en woont nu in de Randstad.
‘Mijn moeder is te oud. Ik wacht tot ze sterft, dan vertel ik het mijn familie,’ zegt Morad, 28 jaar en beginnend ondernemer.
‘Ik ben mijn familie zat,’ geeft de 23-jarige student Ali toe.
Alledrie zijn ze van Marokkaanse afkomst.

De 22-jarige Loubna was een rebelse puber. Ze komt uit een moeilijk gezin, haar ouders zijn gescheiden, er werden veel hulpverleners bezocht. Loubna zag op de middelbare school dat andere kinderen vrij waren, konden doen wat ze wilden. Haar leven voelde steeds meer als een grote gevangenis. Ze verzonk tijdens haar tienerjaren in depressies en begon zoals ze zelf zegt ‘Allah te haten’, en dat vertelde ze ook aan haar ouders.

Haar leven voelde steeds meer als een grote gevangenis. Ze verzonk tijdens haar tienerjaren in depressies en begon zoals ze zelf zegt ‘Allah te haten’.

Die namen geen halve maatregelen. Ze vroegen een imam die zou beschikken over bovennatuurlijke krachten om hulp. De man kwam naar haar ouderlijk huis en de toen 16-jarige Loubna werd gedwongen om ‘twee of drie flessen olijfolie’ te drinken. Ze is niet de enige die dit overkomt, het is een eerder cultureel dan religieus gebruik in families met Marokkaanse wortels om dit soort charlatans los te laten op hun kinderen. ‘Ik was zo ziek: drie, vier dagen moest ik overgeven. Het was een traumatische ervaring, maar het hielp natuurlijk niets.’

Ze kijkt erop terug met een mengeling van geamuseerdheid over de onkunde van haar ouders en begrip voor de wanhoop die ze moeten hebben gevoeld. Maar we zijn het eens: zulke uitwassen zijn gevaarlijk.
Loubna is er, net als ik, min of meer in geslaagd niet te veel over het geloof te praten met haar vader en moeder. ‘Dan blijven de verhoudingen goed,’ zegt ze met een lachje.

Net twintig geworden, verzamelde ze al haar moed en verliet haar thuis zonder overleg met haar ouders. Achteraf, na goede gesprekken, bleek dit de juiste beslissing te zijn en is het contact met haar ouders verbeterd. ‘Mijn ouders hebben er geen moeite meer mee dat ik als ongehuwde vrouw op mezelf woon.’ Nu kan ze ook meer genieten van de momenten thuis bij haar ouders.

Hypocriet

Journalist Rachid Benhammou stelde samen met Boris van der Ham het boek Nieuwe vrijdenkers samen. Hij wilde afrekenen met het beeld dat alle ex-moslims zielig zijn. ‘Vaak loopt het moeilijk, maar er zijn ook situaties waarbij de familie heel relaxed reageert,’ zegt hij. ‘En we wilden vooral ook laten zien dat er iets verandert, dat er iets gaande is, dat steeds meer mensen twijfelen aan hun geloof en dat de moslimgemeenschap eens een keer moet ophouden zo’n immense druk uit te oefenen.’

Neem acteur Nasrdin Dchar, die met kerstmis een grappig bedoelde foto van zichzelf in djellaba naast een kerstboom op Instagram plaatste. Hij kreeg een bak vitriool over zich heen uit de moslimgemeenschap.

Instagram

Deze dienst is alleen beschikbaar wanneer alle cookies zijn geaccepteerd

Wijzig cookie voorkeur

‘Terwijl zoveel jongeren alles doen wat god verboden heeft, maar dan in het verborgene,’ zegt Benhammou. ‘En dan tegelijkertijd iemand anders helemaal kapot maken. Bemoei je toch met je eigen leven.’

Waarom, zo vraagt hij zich af, is er niemand in de moslimgemeenschap die het opneemt voor afvalligen? Nu hoor je in de media vaak alleen het geluid van extremistische salafisten die gesteund worden door Saoedi-Arabië of de afvalligen zelf. Hoogopgeleide liberale islamieten maken volgens hem in het dagelijks leven geen punt van afvalligheid, maar houden verder wel hun mond omdat ze ‘bang zijn hun achterban kwijt te raken’.

Daarmee doelt de journalist op de hoge sociale status die een ‘goede moslim’ – lees: praktiserend – geniet in de gemeenschappen. Benhammou: ‘Op het moment dat Wilders roept: “minder Marokkanen” staat iedereen op zijn achterste benen. Maar als een ex-moslim wordt bedreigd, houdt iedereen zijn mond. Hypocriet.’

‘Daar hebben we hier te veel last van: bangigheid om de ander te kwetsen. Terwijl als je gewoon heel eerlijk zegt waar het op staat, met de juiste intenties, dan beledig je helemaal niemand.’

Benhammou spreekt niet alleen de moslimgemeenschap vermanend toe, maar vraagt ook van de rest van Nederland om een hand uit te steken en op te houden met labelen. Gek wordt hij ervan als hij weer eens raar wordt aangekeken als hij een glas bier bestelt. ‘Arie, die christelijk werd opgevoed en seculariseerde, noemen we toch ook geen ex-christen?’

Wat Benhammou verbaasde, is dat niet een van de grote talkshows hun boek over voormalige moslims heeft opgepikt. ‘Alleen WNL. De andere vonden het te ingewikkeld en wilden “geen bevolkingsgroepen kwetsen”.’ Tegelijkertijd zendt de NPO wel een Ramadan-journaal uit en het programma Wij zijn moslims. ‘Het is zo politiek correct,’ zegt Benhammou. ‘Daar hebben we hier te veel last van: bangigheid om de ander te kwetsen. Terwijl als je gewoon heel eerlijk zegt waar het op staat, met de juiste intenties, dan beledig je helemaal niemand.’

Volgens Van der Ham is het niet uit onwil, maar uit onbegrip op de redacties. ‘Toen bijvoorbeeld atheïstische asielzoekers aangevallen werden door gelovige asielzoekers, wilden talkshows dat niet brengen. Later werd mij wel gevraagd of ik wilde komen praten over een lastiggevallen homoseksuele asielzoeker.’

‘Als ook maar één vijftienjarige zich na het lezen van dit stuk minder slecht voelt, ben ik geslaagd in mijn opzet.’
Verknipt

Mijn generatiegenoten in dit verhaal hebben nog maar relatief kort geleden het besluit genomen de islam de rug toe te keren. Een ingrijpende beslissing met net zulke ingrijpende gevolgen. Nu ik 24 ben, kan ik terugblikken op een zeer hectische periode in mijn leven. Maar hoe vergaat het afvalligen op de langere termijn?

Om die vraag te beantwoorden, zocht ik twee vrouwen op die zestien jaar geleden aan het woord kwamen in een artikel in Vrij Nederland. Onder de kop ‘Ik geloof niet in jouw Allah’ schreven Harm Ede Botje en Geneviève van Velzen een artikel over afvalligheid, naar aanleiding van de ophef die ontstond nadat Ayaan Hirsi Ali op televisie had aangekondigd de islam te verlaten.

IT-specialiste Aisha was toen 29 jaar oud, ze woonde met haar Nederlandse vriend in het centrum van een middelgrote stad. Ze rookte, dronk alcohol en at varkensvlees. De islam zei haar niets, de ramadan liet ze voor wat het was. Maar haar ouders liet ze in het ongewisse, want als ze zou vertellen dat ze de islam verlaten had, kon ze ‘wachten op de grote explosie’.

Haar ouders waren analfabete Berbers. ‘Ze begrijpen mijn leven niet, kunnen het niet begrijpen,’ zei ze destijds. ‘Naar mijn dagelijkse beslommeringen vragen ze nooit. Ze willen er niets van weten, anders moeten ze me verstoten om hun eer te redden ten opzichte van de rest van de familie. Ik ben pas echt vrij als mijn ouders overlijden.’

Haar moeder blijft eisen dat haar dochter de islam omarmt, dat haar vriend zich bekeert en haar kleinkinderen worden besneden.

Aisha gaf toe dat ze een verknipt leven leidde, maar het kon volgens haar niet anders. ‘Ik heb veel bereikt, je moet niet alles willen,’ zei ze. ‘Kinderen neem ik voorlopig niet, dat is met mijn gescheiden levens veel te ingewikkeld.’

Nu, zestien jaar later, ontvangt Aisha me in een ruime woning waar ze met haar nieuwe (opnieuw Nederlandse) man samenwoont. Haar vader is overleden, haar moeder leeft nog. En het dubbelleven dat ze destijds leidde, leidt Aisha nog steeds. Ook haar huidige vriend heeft ze nooit fatsoenlijk aan haar ouders voorgesteld.

Binnen haar familie was er een familielid die een kind had gekregen van een niet-islamitische man, wat haar moeder beschouwde als ‘een dieptepunt’. Ze vroeg Aisha om ‘alsjeblieft’ geen kinderen te nemen. Ze was verbaasd over de hardvochtigheid van haar moeder. Maar in plaats van toe te geven, werd ze standvastiger. ‘Ik heb die dag besloten juist wél kinderen te krijgen, ik wilde me niet laten leiden door de wensen en eisen van mijn moeder.’

Ongelovig kleinkind

Toen Aisha zwanger was van haar eerste kind, verhulde ze dat voor haar moeder. ‘Ik heb toen in alle rust mijn zwangerschap voldragen. Ik wilde ruimte in mijn hoofd, genieten van mijn kind en had geen zin in ingewikkeld gedoe met mijn moeder.’

Pas toen haar eerste zoon tien maanden was, vertelde ze haar moeder over hem. Maar ook nadien bleven de verhoudingen moeizaam. Haar moeder blijft eisen dat haar dochter de islam omarmt, dat haar vriend zich bekeert en haar kleinkinderen worden besneden. Gevolg is dat de bezoeken aan het ouderlijk huis heel schaars zijn.

‘Onze kinderen hebben hun oma twee keer gezien,’ zegt Aisha. ‘Mijn moeder wil alleen ontvangen met de gordijnen dicht, om te voorkomen dat de buren zien dat ze een ongelovig kleinkind heeft. Ik heb geprobeerd het vanuit haar standpunt te bekijken, ze is 83, ik heb het geaccepteerd, maar ga er niet in mee.’

Waar Ayaan Hirsi Ali compromisloos haar eigen weg ging, blijft Aisha haar moeder trouw. Ze heeft altijd geholpen in de huishouding, doet boodschappen, gaat met haar moeder naar de dokter. Maar altijd zonder de rest van haar familie. Een deel van haar broers en zussen wil nog steeds niet weten dat ze kinderen en een relatie heeft met een niet-moslim, die ziet ze maar één keer per jaar. Maar er is ook een zus die wél regelmatig langskomt. Ook twee rebelse nichtjes, dochters van een oudere zus, komen regelmatig over de vloer.

In zestien jaar is er voor Aisha weinig veranderd. Maar ze heeft wel een eigen leven kunnen opbouwen. Iets waar ze trots op is, maar waarover ze – ook na zestien jaar – nog steeds niet met haar eigen naam wil vertellen, om zichzelf te beschermen en omdat ze de familierelaties niet onder druk wil zetten.

Alternatieve familie

De Vlaamse theatermaker en actrice Nadia Abdelouafi heeft wél altijd de confrontatie gezocht. Ze liep weg van huis en vormde met haar vrienden wat ze destijds omschreef als ‘mijn eigen alternatieve familie’. Bij haar thuis deed haar vader niet veel met het geloof, haar moeder wel, beiden handhaafden de ongeschreven culturele regels die horen bij een Marokkaans gezin. Daartegen kwam ze in haar puberjaren voluit in opstand. Zeker nadat haar grote broer in Antwerpen naar school ging en daar van zijn vrienden hoorde dat hij beter op haar moest letten, kwamen de verhoudingen onder druk te staan.

‘Als je praat, leer je je ouders dingen over jou. Je leert hun dat het jouw keuze is, en dat dat mag. Je laat je ouders zien dat er mensen zijn die op een andere manier in het leven staan dan zijzelf. En dat dat niet per se slecht is.’

In 2003 vertelde ze dat ze regelmatig slaag kreeg. Van haar oudere broer mocht ze niet naar de stad met haar vriendinnen en afspreken met jongens. Toen ze begon met theater, kreeg ze te horen: ‘Theater is voor hoeren.’ Toen de spanningen weer eens hoog opliepen, greep ze naar een mes en stak haar oudere broer in zijn zij, waarna ze in paniek het huis uit rende en onderdak vond bij een regisseur met een tienerdochter.

Nu, zestien jaar later, zijn de verhoudingen goed. ‘Mijn oudere broer is absoluut niet meer de jongen die ik destijds beschreef,’ zegt ze. ‘We hebben het allemaal uitgesproken. Hij is open minded, is niet eens getrouwd met een Marokkaanse. Hij werd destijds beïnvloed door zijn omgeving.’

In de war

Nadia Abdelouafi begrijpt niet dat Aisha en anderen een dubbelleven kunnen leiden. ‘Het moet toch een hoop energie kosten om de hele tijd bezig te zijn met de vraag hoe je je moet gedragen. Het lijkt me niet gezond voor je brein als je constante geheimhouding gaat zien als iets acceptabels. Daarvan moet je wel in de war raken.’

Volgens haar is het beter om – zoals ik ook heb gedaan – het gesprek aan te gaan. ‘Als je praat, leer je je ouders dingen over jou. Je leert hun dat het jouw keuze is, en dat dat mag. Je laat je ouders zien dat er mensen zijn die op een andere manier in het leven staan dan zijzelf. En dat dat niet per se slecht is. Je kan alleen maar dingen leren als je ze tegenkomt, als je ze ontmoet, maar dan ook echt.’

Afvalligen die niet openlijk uitkomen voor hun gedachten en opvattingen, maken het ook moeilijker voor de generatie die na hen komt, vindt Abdelouafi. ‘Ik begrijp heel goed dat het makkelijker is voor jezelf om geen gevecht aan te gaan. Om de vrede te bewaren. Maar je schuift het probleem een generatie door. Je staat de ontwikkeling in de weg.’

Uit liefde voor elkaar

Hoezeer ik Aisha ook begrijp, toch denk ik dat Nadia Abdelouafi het op een betere manier heeft aangepakt. In haar geval, en ook in het mijne, zie je dat er na verloop van jaren weer begrip komt en de contacten zich herstellen. Hoewel het af en toe moeilijk blijft, leert je directe familie om je te aanvaarden ondanks je geloofsafval.

Het kan er heftig aan toe gaan wanneer die confrontatie plaatsvindt binnen families, maar anders dan tijdens publieke debatten of op de televisie – waar conservatieve imams vaak op mogen treden als woordvoerder voor de hele islamitische gemeenschap – liggen de meningen binnen gezinnen in de meeste gevallen uiteindelijk niet zo ver uit elkaar. Vaak zie je dat dan de scherpste kanten van het debat ontweken worden uit liefde voor elkaar. De prioriteit komt dan toch te liggen bij het proberen samen te leven en minder op geloofsregels; je moet met elkaar door.

Terwijl ik dit stuk schrijf, krijg ik een WhatsApp-bericht van mijn moeder, een rondzend-bericht waarin wordt opgeroepen het vasten te eerbiedigen tijdens de Ramadan. Ze begrijpt nog steeds niet hoezeer ze mij daarmee kwetst, denk ik. Het voelt voor mij als een provocatie, omdat het herinneringen bovenhaalt aan de frequente ruzies die we hebben gehad over mijn geloofsafval. Terwijl ze dat vast niet zo bedoeld heeft.

De meesten in mijn familie weten nog steeds niet dat ik geen islamiet meer ben. Ik heb nooit te koop gelopen met het feit dat ik het geloof heb verlaten. Maar nu ben ik op een punt gekomen dat ik er niet langer omheen draai. Daarom dit verhaal. Er zal vast ruzie over komen met mijn ouders en met anderen binnen mijn familie. Ik zie er niet naar uit, maar het kan niet anders meer. Als ook maar één vijftienjarige na het lezen van dit stuk meer perspectieven krijgt en zich minder schuldig en slecht voelt, ben ik geslaagd in mijn opzet.

Dit artikel is tot stand gekomen met medewerking van Harm Ede Botje en de steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor jonge journalisten.

Malika, Morad, Rachida, Ali, Loubna en Aisha zijn pseudoniemen – spreken over afvalligheid kan grote sociale gevolgen hebben in moslimgemeenschappen. Hun identiteit is bekend bij de redactie.