Na acht van de twintig colleges die Freek de Jonge onder de titel ‘Mijn koude oorlog’ geeft in het Rijksmuseum is duidelijk dat dit een uniek project is. Het is de microgeschiedenis van zijn familie en carrière gecombineerd met de macrogeschiedenis van Nederland en de wereld. Een publiek zelfonderzoek.
Er zijn natuurlijk veel voordelen aan om Hans Teeuwen te zijn, maar ook nadelen. Over één ervan had Freek de Jonge het een tijdje geleden in een interview op de radio. Hans Teeuwen heeft zijn bestaan zo ingericht dat hij altijd leuk moet zijn. Hij kan nooit eens niet leuk zijn. Zelfs als hij in een winkel op zijn beurt moet wachten maakt de humor zich van hem meester, hij moet dan iets zeggen of doen. Die drang neemt bezit van hem, daar heeft hij bijna niets over te zeggen. Bij Freek de Jonge is het snedige terzijde ook nooit ver weg, maar er is in principe een duidelijke scheiding tussen zijn dagelijks leven en zijn optredens. Hij laat die twee niet standaard door elkaar heen lopen.
Vandaar dat hij niet speciaal als komiek, maar als een komisch ingestelde burger met een rijke geschiedenis aan one-manshows, onder de titel Mijn koude oorlog in het Rijksmuseum een reeks van twintig autobiografische colleges kan geven, zonder speciaal op de lach uit te zijn (al klinkt die nog vaak genoeg). Het zijn ‘colleges’ omdat De Jonge er zijn leven en werk in onderzoekt tegen de achtergrond van Nederland en de wereldgebeurtenissen in de jaren vijftig, zestig, zeventig en verder. Na acht van de twintig colleges is wel duidelijk dat het hier om een uniek project gaat. Het goed gevulde auditorium van het Rijksmuseum maakt iets eenmaligs mee: het leven van Freek vanaf zijn geboorte, door hem met de nodige ernst, humor en zelfspot verteld en geïllustreerd aan de hand van foto’s, documenten en curieuze filmpjes uit het familiealbum, uit publieke journaals en uit de obscuurste archieven.
Het is micro- en macrogeschiedenis, verrassend, herkenbaar en leerzaam, zoals dat hoort bij colleges. De verleiding van de Bruynzeelkeuken voor de huisvrouw in de jaren vijftig én de atoombom op Hiroshima, het eerste door Freek uitsproken woord (‘verzet’) én de protestantse richtingenstrijd en ontkerkelijking dan wel progresieve vernieuwing waarmee zijn vader, dominee De Jonge, te maken kreeg.
Freek is heel goed in staat om ook alleen zijn familiegeschiedenis te vertellen (getuige boeken als Zaansch Veem, Het damestasje, De brillenkoker, Neerlands bloed), maar hij zorgt nu dat aan de microgeschiedenis ook iets groters vastzit. Wanneer hij in zijn eerste college over zijn vader vertelt, komt uitvoerig diens leermeester in Groningen ter sprake: de theoloog Gerard van der Leeuw, aanhanger van het personalistisch socialisme en minister van onderwijs in het kabinet Schermerhorn. Hij was de eerste die aan cultuurpolitiek deed. Ook was hij een aanhanger van de doorbraakgedachte, het willen doorbreken van de verzuiling in Nederland. Hij vond dat er een nationale omroep moest komen. Van der Leeuw zorgde ervoor dat Freeks vader zwaar ging nadenken over de toekomst van het geloof. Hij beschouwde de secularisatie als een niet te stoppen ontwikkeling, maar er moest toch iets zijn dat de verwondering over het bestaan in tact liet. Iets moest er toch nog heilig zijn, en hoe wisten we dat? Er hoefde niet speciaal een God te zijn, als er maar een soort oerontzag voor het leven was, zodat het niet op nihilisme uitliep. Het maakte van Freeks vader een cultuurpessimist, maar wel een die van sport hield, van ongeveer alle sporten.
De vader van De Jonge overleed al in 1968. Dat betekende dat zijn vrouw nog alle gelegenheid had gehad om van een beetje boerse jonge man een keurige dominee te maken. Zij, als vrouw van stand – zoals ze zelf vond, stak hem in nette kleren, bezorgde hem goede manieren en leerde hem voor zichzelf op te komen. Freek leerde van haar dat ambitie niet alleen een vies woord hoefde te zijn. Zijn moeder stond model voor de nette huisvrouw van de jaren vijftig, inclusief het plakken van AH-zegels, lid zijn van de tennisclub en het dameskransje met natte cake. Jammer dat ze een broer had die fout was geweest in de oorlog.
Zoals bij het eerste college over zijn vader de kunsthistoricus en domineeskind Henk van Os aanschoof om het in samenspraak met Freek te hebben over de sociologie van de dominee, zo verscheen Cisca Dresselhuys bij het tweede college over zijn moeder om het te hebben over de eerste tekenen van feminisme. In het derde college over de tijd dat De Jonge in Zaanstad woonde (de ‘frontlinie’ van de ontkerkelijking) filosofeerde de psycholoog Douwe Draaisma over het geheugen. Hij probeerde met Freek de vraag te beantwoorden waarom we zoveel knulligheden uit het verleden onthouden (suiker als broodbeleg, sucade in de krentenbol). We hebben een goed geheugen voor bijzaken, maar moeten aan de grote gebeurtenissen herinnerd worden. Hij herinnerde er aan dat De Jonge zelf een uitstekende oplossing had gevonden om met zijn geheugen om te gaan: bijvoorbeeld door in zijn one-manshows met een rode draad te werken, een basisverhaal waar voortdurend van afgeweken kon worden om er later weer bij terug te kunnen keren.
Freek heeft altijd tussen geloof en blasfemie geslingerd, tussen aan iets geloven en het belachelijk maken.
Freek de Jonge treedt in deze colleges ook op als een klassieke explicateur wanneer hij familiefoto’s laat zien en met een aanwijsstok uitlegt wie wie is. Ook oude filmpjes worden regelmatig stilgezet om extra uitleg te geven. Bij deze foto’s, filmpjes en explicaties wordt gebruikgemaakt van de laatste digitale techniek en van opgediepte visuele internetschatten, iets waar de Jonge met volle teugen van geniet. Zo komt de opkomst van de zelfbedieningswinkel langs in de vorm van foto’s en flimpjes over Albert Heijn, Simon de Wit, de Coöp en De Gruyter met zijn ‘Snoepje van de week’, geen onbelangrijke zaak omdat elke winkel min of meer geliëerd was met een religieuze of politieke denominatie. De Coöp was voor de socialisten. Freeks moeder kon daar niet komen omdat ze van de CHU was, maar zijn vader had sympathieën voor de PSP.
Een hoogtepunt wat betreft archiefmateriaal deed zich voor tijdens het college dat onder de paraplu ‘Open het dorp’ over de televisie in de jaren zestig ging, in aanwezigheid van Mies Bouwman en Bob Rooyens, de virtuoze regisseur van amusementsprogramma’s. Dat zorgde voor een visuele orgie, een stroom van in hoog tempo langskomende fragmenten van creatieve televisie. In die aflevering zat ook de film waardoor De Jonge zeker ging weten dat hij komiek of conferencier wilde worden: de sketch van Toon Hermans met de stoel waarop koningin Wilhelmina in Londen heeft gezeten. Over de zitting waarop ze gezeten zou hebben meiert Hermans maar door, met uitgekiende pauzes. Die sketch heeft De Jonge als kind niet thuis op de televisie gezien: ze hadden geen televisie. Wilde hij iets zien, dan moest dat bij vriendjes of, zoals in het geval van de one-manshow van Toon Hermans, bij een kinderloos echtpaar dat hij kende. Voordat de televisie aan ging moest hij eerst gezellig met de gastvrouw converseren en het kopje thee afslaan. Dat zorgde maar voor uitstel.
In de komende twaalf afleveringen van Mijn koude oorlog (te beginnen op dinsdag 8 maart) zal het gaan over Bram Vermeulen, over roem, de Aktie Argentinië, zijn vrouw Hella, sport, de teloorgang van de ‘Grote verhalen’, Pim Fortuyn en Theo van Gogh, secularisatie, onderwijs en wat De Jonge ‘De kloof’ noemt. Welke kloof hij hier bedoelt is afwachten.
Voor het laten ontstaan van kloven in zijn eigen carrière is De Jonge nooit teruggeschrikt. Dat had te maken met zijn opvatting van satire: daar moest je je als publiek ongemakkelijk bij gaan voelen. Die opvatting moet iets met zijn vader te maken hebben. Die was aanvankelijk dominee in het Friese Workum, een toen slaperige stad waar het geloof een vast anker was en niet erg ter discussie stond. Toen Freeks vader werd beroepen in Zaandam was dat niet meteen een uitgemaakte zaak. Daar moest hij het met zichzelf over eens worden, zoals blijkt uit de wikkende en wegende brief aan zijn ouders die Freek op het scherm liet zien. In Zaandam zou je je in de ‘frontlinie’ van het geloof gaan bevinden, daar was van alles gaande, tot en met erediensten waarin het kruis ergens in een hoek werd gezet of waaruit Jezus helemaal werd geweerd om hem daardoor juist meer aanwezig te laten zijn. Freek heeft altijd tussen geloof en blasfemie geslingerd, tussen aan iets geloven en het belachelijk maken. Dat heeft er ook voor gezorgd dat hij een aantal jaren geen contact meer had met zijn moeder. Dat was de moeder die hem met een zelfgemaakte collectebus liet collecteren voor de Paaskerk. Die had genoeg gekregen van zijn godslasterlijke taal op de televisie. Dat heeft niet verhinderd dat Freek de Jonge de komiek is geworden die het openlijkst en vruchtbaarst worstelt met zijn engagement en geweten.
Het laatste college in de reeks Mijn koude oorlog is op woensdag 8 april. Inlichtingen: freekdeleek.nl
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.