Al dertig jaar is hoogleraar Pier Vellinga spin in het web van de klimaatdiscussie. Nu hij met emeritaat gaat, kijkt hij terug op de opkomst van de klimaatsceptici, de haatmails die hij kreeg, het verzet van de fossiele industrie. ‘Door naming and shaming zullen landen zich wel twee keer bedenken voordat ze verzaken.’

‘De klimaattop Parijs zou wel eens een historisch kantelpunt kunnen worden,’ zegt klimaathoogleraar Pier Vellinga. ‘Het moment dat de wereld zich realiseert dat het kán, dat we met zijn allen in welvaart door kunnen gaan met deze aarde.’ Het zijn opvallende woorden uit de mond van een man die naar eigen zeggen ‘30 jaar lang alarmistisch heeft geklonken’. Dat stelt hij nu bij, want ‘er worden forse stappen gezet’. Volgens de laatste berichten leiden alle opgetelde toezeggingen over het reduceren van de CO2-uitstoot die tot nu toe door landen werden gedaan, tot een opwarming van de aarde van 2,7 graden. ‘Na 25 jaar stagnatie lijkt er in Parijs een begin van een oplossing te zijn; 2,7 graden is nog steeds veel te veel, maar de komende jaren kan dat nog verder omlaag.’

Vorig jaar stond de stand nog op vier à vijf graden, wat volgens Vellinga een catastrofe zou hebben betekend. ‘Dan waren er tussen nu en honderd jaar honderden miljoenen mensen op drift geraakt en waren grote delen van de wereld onleefbaar geworden.’

Een draai ten goede

11 november 2014 was voor Vellinga een belangrijk moment. Op die dag sloten de Amerikaanse president Barack Obama en zijn Chinese collega Xi Jinping een akkoord over de terugdringing van de CO2-uitstoot door beide landen. ‘Tot dan toe zei ik altijd: het is te laat, het is te weinig. Maar nu deze twee landen eindelijk na dertig jaar echt stappen zetten, vind ik dat niet minder dan een doorbraak.’
Afgelopen zomer werd hij gesterkt in zijn vertrouwen dat een draai ten goede mogelijk is nu niet alleen de grote landen tot afspraken lijken te komen, maar ook de duurzame energie een echte doorbraak beleeft. Zonnepanelen worden goedkoper, net als windturbines. Vellinga geeft in hoog tempo voorbeelden van positieve ontwikkelingen. In China worden rondom Beijing kolencentrales gesloten, het land investeert massaal in groene energie. Er wordt voor de opwekking van electriciteit wereldwijd inmiddels meer geïnvesteerd in duurzaam dan in fossiel. Binnen vijf à tien jaar is elektrisch rijden goedkoper dan op benzine. ‘Duurzame energie wordt niet langer gezien als iets dat moet, maar als iets dat geld oplevert. Alle onderzoeken wijzen uit dat bedrijven die in duurzaamheid zitten meer rendement maken dan bedrijven die niet duurzaam zijn.’

Komen de afspraken van notoire vervuilers als China en de VS en de technologische doorbraken niet te laat?
‘De gevolgen van klimaatverandering worden steeds duidelijker zichtbaar. Maar we kunnen een catastrofe afwenden als alle landen hun beloften nakomen én we er over vijf jaar bij een volgende conferentie nog een schep bovenop doen om ruim beneden die twee graden te komen.’

Wat kunnen we de komende decennia verwachten?
‘In de atmosfeer zit al zoveel CO2 dat we zeker nog duizend jaar last hebben van een stijgende zeespiegel. We zullen een toenemend aantal “natuur”-rampen krijgen als gevolg van de klimaatverandering. Door droogtes rond de Middellandse Zee zullen vluchtelingenstromen blijven komen. In Syrië zijn misoogsten geweest door jarenlange droogte. Natuurlijk, het land is slecht bestuurd, maar het klimaat is een belangrijke factor geweest in de burgeroorlog, blijkt uit onderzoeken van collega’s die ‘The Arab Spring and Climate Change’ hebben geschreven. Droogtes kunnen de verhoudingen in explosieve regio’s op de spits drijven.’

‘Het kan veel beter.’ Foto: Maarten Kools

Met natuurrampen en vluchtelingen in het vooruitzicht spreekt u toch van een kantelmoment?
‘Ik heb al veel eerder moeten accepteren dat er door de vijfentwintig jaar internationale stagnatie in CO2-vermindering vrijwel zeker een hoop ellende op ons afkomt. De afspraken in Parijs en vervolgafspraken kunnen nu juist het verschil maken tussen een wereldwijde catastrofe en grote regionale schade. Ze kunnen voorkomen dat grote delen van de aarde onbewoonbaar worden en dat ecosystemen ontwricht raken. Maar we zullen ook bij succesvolle afspraken in Parijs moeten leren leven met de schade die al in de pijplijn zit.’

Hoe weet u dat die in Parijs gemaakte afspraken zullen worden nagekomen?
‘Heel simpel, omdat er geld te verdienen is. Het levert geld op om te investeren in duurzame energie. Een investering in een zonnepark in Benin levert een hoger rendement op dan de aandelen in de fossiele industrie. Google en Apple investeren volop in duurzame initiatieven. Ikea wil helemaal klimaatneutraal zijn in 2020 en zo zijn er heel veel voorbeelden.’

U was altijd een voorstander van van boven opgelegde afspraken. Dat gebeurt in Parijs niet, landen doen toezeggingen en er zijn geen sancties als ze die niet nakomen.
‘De top down-benadering waar ik lange tijd voorstander van was, heeft dertig jaar lang niet veel opgeleverd. Wij gingen uit van actie op basis van verantwoordelijkheid en een verdeling van de inspanningen naar draagkracht met de VN als regisseur en bewaker. Nu doen landen toezeggingen op basis van vrijwilligheid. Of die toezeggingen worden nageleefd, zullen landen onderling gaan controleren. Als ze niet doen wat ze beloven, zal dat publiek bekend worden gemaakt via naming and shaming. Dat zal ertoe leiden dat landen zich wel twee keer bedenken voordat ze verzaken. Landen en bedrijven die niet meedoen worden riskant voor investeerders. En vergeet niet: duurzame energie is veruit superieur als het gaat om zaken als luchtkwaliteit, autonomie, werkgelegenheid en, zoals de praktijk nu voorzichtig laat zien, ook de kosten. De markt kan vanaf nu een groot deel van het werk doen. Overheden moeten zorgen voor eerlijke prijzen, vermindering van subsidies op fossiel en meenemen van de milieukosten. Dan gaat het rollen.’

Naomi Klein stelt in haar boek ‘This Changes Everything: Capitalism vs The Climate’ dat alleen een grootscheepse hervorming van de economie uitkomst biedt.
‘Ik vind ook dat het kapitalisme waarbij de politiek gekocht kan worden, zoals dat in Amerika bij klimaatverandering het geval leek te zijn, is doorgeschoten. Ook in Europa hebben lobbyisten te veel macht. Maar er is geen tijd om het hele kapitalistische systeem op zijn kop te zetten. We moeten het klimaatprobleem nú aanpakken en dat moeten we doen met het bestaande systeem, ook al is dat niet ideaal.’

Maar zullen de oliebedrijven niet ongelofelijk gaan tegenwerken, dat hebben ze toch altijd gedaan?
‘De gewone burger komt in opstand. Nu al zie je heel succesvolle desinvesteringscampagnes, net zoals die ooit tegen de Apartheid in Zuid-Afrika, en daar is het uiteindelijk ook gelukt. Fondsen trekken hun gelden terug uit de fossiele industrie omdat die niet meer rendabel is, of onder druk van de publieke opinie. Onlangs nog het Rockefeller Brothers Fund, nazaten van de oprichters van het oliebedrijf Exxon. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds heeft onlangs aangekondigd een deel van hun investeringen in fossiele industrie terug te trekken, tenzij ze de CO2 fors reduceren. De Noorse hoofdstad Oslo en de staat Californië zijn bezig hun investeringen terug te trekken uit de fossiele industrie. Dat komt aan. Ik volg de koersen van de oliebedrijven op de voet en die blijven maar dalen. En kolenbedrijven? Die zijn de laatste tijd 50 tot 90 procent van hun beurswaarde verloren. Ik verwacht dat al die bedrijven op hun knieën gedwongen zullen worden.’

Hoe lang geeft u een bedrijf als Shell nog?
‘Oh, nou, nog vijftien of twintig jaar. Shell lukt het maar niet om economie en duurzaamheid te integreren.’

Maar Shell is nog steeds almachtig, oud-politici als Dick Benschop en Nebahat Albayrak werken er. Het bedrijf heeft een enorm lobbyapparaat in Brussel en wist in 2014 plannen te dwarsbomen om landen op te leggen 27 procent van hun energie uit duurzame bronnen te halen (zie p. 34-41). Waarom zou Shell plannen die tegen hun belangen ingaan niet blijven tegenhouden?
‘Ja, je mag verwachten dat de grote internationale oliebedrijven sterk weerstand gaan bieden. Dat zie je nu al. Maar inmiddels zijn ze minder machtig dan bedrijven die investeren in elektrische auto’s zoals Apple en Google en ze missen de steun van de burgers nu er alternatieven zijn voor fossiele brandstoffen. Klimaatverandering is ook een moreel vraagstuk. Een groot bedrijf is kwetsbaar wanneer het ingaat tegen de heersende moraal. Dat weet ook Shell. Ze zoeken naarstig naar nieuwe wegen. Nu is dat de grote investering in gas. Maar het bedrijf heeft alleen toekomst als het overschakelt op duurzame energievormen. Ik vermoed dat de leiding van het bedrijf dat ook weet.’

‘Wij zijn een van de weinige landen in Europa die duurzaamheid nog steeds zien als luxe.’ Nederland is het vieste jongetje van de klas, we bungelen onderaan wat betreft de inzet van duurzame energie. Hoe kan dat?
‘Ons land zou het veel beter moeten doen, we zijn de twintigste economie in de wereld! De afgelopen vier kabinetten hebben het probleem zwaar verwaarloosd. Ze zijn kennelijk hun vertrouwen in de wetenschap kwijtgeraakt en gevoeliger gebleken voor de lobby van bedrijven. De plannen voor wind op zee, die zijn overeengekomen in het Energieakkoord, zijn een goede stap. Maar de rest van dat akkoord? Het komt niet voldoende van de grond. Waarom investeert dit kabinet niet grootscheeps in “nul op de meter”-woningen en elektrische auto’s? Waarom geen belasting op grootverbruik van energie door bedrijven? In de jaren tachtig en negentig was Nederland koploper op milieugebied. Er is een reactie gekomen van politici als Geert Wilders en Henk Bleker die de gevoelens van burgers, onder wie veel kleine ondernemers, verwoordden die vooral last hadden van milieuregels. Boeren die moesten investeren in ammoniakmaatregelen, bouwers die niet verder konden als er weer een korenwolf was gesignaleerd. De reactie was een soort non-milieubeleid onder Rutte 1, en in die fase zitten we eigenlijk nog steeds. De opeenvolgende kabinetten willen maar niet inzien dat duurzaamheidsbeleid bij uitstek een banenmotor is, zoals Duitsland laat zien. Wij zijn een van de weinige landen in Europa die duurzaamheid nog steeds zien als luxe, terwijl het een bestaansvoorwaarde is, ook economisch.’

Licht op rood

Als ik Pier Vellinga begin november voor de eerste keer spreek, is het 17 graden boven nul en staat de zon te stralen aan een strakblauwe hemel. Als ik hem een week later bel voor een tweede gesprek, is het nog stééds vijftien graden. ‘We zullen eraan moeten wennen. De gemiddelde temperatuur in ons land is de afgelopen dertig jaar met twee graden gestegen,’ zegt Vellinga. ‘En ja, dan krijg je een warme herfst, heftiger regenbuien en vaker aanhoudende droogte en hittegolven, precies wat je nu ziet.’

Vellinga is al dertig jaar spin in het web als het gaat om de klimaatdiscussie. Hij was in de jaren tachtig en negentig adviseur van de milieuministers Ed Nijpels en Hans Alders, was een van de oprichters van het International Panel on Climate Change (IPCC), adviseur van de VN en auteur van gezaghebbende wetenschappelijke artikelen. Hij was adviseur van het tweede Deltacomité dat een rapport schreef over de verdediging van de Nederlandse kust en zette nationale klimaatonderzoeksprogramma’s op. Ook is hij voorzitter van de werkgroep duurzaam van D66 en van Urgenda, de organisatie die dit jaar de klimaatzaak tegen de staat won en de afgelopen weken The Climate Miles organiseerde, de mars naar Parijs voorafgaand aan de top.

In april is Vellinga 65 jaar geworden en in december neemt hij afscheid van de Universiteit Wageningen waar hij de afgelopen jaren hoogleraar klimaat en water was. Hij kijkt terug op zijn loopbaan, op de jaren dat het leek of na de zure regen en het gat in de ozonlaag ook de uitstoot van CO2 snel zou worden opgelost, de jaren van stagnatie die volgden door het massale verzet van de fossiele industrie, de opkomst van de klimaatsceptici, de angst van politici om doortastend op te treden, de agressieve haatmails en doodsbedreigingen die hij ontving, de mediastilte die hij in acht nam en zijn optimisme over een mogelijke keer ten goede.

Vellinga haalt een knipsel uit een grote bruine envelop. Het is een plaatje van een stoplicht, dat hij voor de eerste keer liet zien op de tweede wetenschappelijke wereldklimaat conferentie over klimaatverandering in Genève in 1990. Hier werd door hem en zijn collega Robert Swart voor een groot publiek de 2-graden-grens geïntroduceerd, die inmiddels algemeen aanvaard is. Het stoplicht vatte het klimaatprobleem samen. Zolang de opwarming minder dan een graad is, staat het licht op groen, de schade is dan beperkt en er is een gering risico op instabiliteit. Tussen de een en tweede graden is het licht oranje, dan is er uitgebreide schade aan ecosystemen en grote kans op instabiliteit. Boven de twee graden wordt het rood, dan moet je dus al gestopt zijn.

De Amerikaanse olie-lobbyisten zorgden met de Saoedi’s en de Chinezen voor 25 jaar stagnatie. Vorig jaar rond deze tijd leek het er nog op dat de wereld naar een temperatuurstijging van maar liefst vier graden zou gaan. Dat zou een catastrofe betekenen. Kustgebieden zouden overspoeld worden door de zee, grote stukken land, vooral in de subtropen, zouden door droogte en hitte nagenoeg onbewoonbaar worden, honderden miljoenen mensen zouden een heenkomen zoeken in hogere en koelere gebieden, aldus het IPCC. Aan de vooravond van Parijs zijn door bijna alle landen toezeggingen gedaan die ertoe leiden dat de opwarming van de aarde in het jaar 2100 wordt beperkt tot 2,7 graden. Maar dat is nog steeds veel te veel, het licht staat op rood.

De Watersnoodramp

Pier Vellinga is de tweede zoon uit een gezin van acht kinderen en groeide op op een boerderij in het Friese dorp Nijland. Hij was drie toen de dijken braken in Zeeland, evacués van de Watersnoodramp werden ondergebracht bij de familie Vellinga. ‘Ik was te klein om me dat nog te kunnen herinneren, maar de Watersnoodramp was in de verhalen bij ons aan tafel nooit ver weg. We woonden temidden van sloten en middeleeuwse dijken. Nijland was het eerste dorp gebouwd in de terugtredende Middelzee, in de elfde eeuw. Voor de hoofdonderwijzer op mijn dorpsschool was er maar één optie voor kinderen die goed konden leren: die moesten naar Delft.’ En zo geschiedde. Pier studeerde kustwaterbouw en ook zijn broer Tiedo werd civiel ingenieur. Die laatste werkt nu bij het Rotterdamse Havenbedrijf en is daarnaast in Delft ‘hoogleraar groene havens’. Pier Vellinga: ‘We zitten allebei in de duurzaamheid.’
De eerste keer dat Vellinga zich ten volle bewust werd van de enorme problemen die de opwarming van de aarde met zich mee zou brengen, was in 1983, tijdens een kustwaterbouwconferentie in Washington. Daar werd gesproken over het mogelijk snel afsmelten van de ijskap van West-Antartica, waardoor de zeespiegel met vijf tot zeven meter zou kunnen stijgen. ‘Ik wist hoe gevoelig een kust is, ook voor kleine stijgingen van de waterstanden, dus ik dacht: stel je voor dat dit waar is!’ Vellinga was op dat moment adjunct-directeur van de divisie havens en kusten bij het waterloopkundig laboratorium, een instituut dat zich bezighield met de Nederlandse kustverdediging, maar ook het internationale bedrijfsleven adviseerde bij de aanleg van havens.

‘Het past blijkbaar beter bij onze cultuur om jezelf eerst te redden.’ Foto: Maarten Kools

Na deze eerste berichten over klimaatverandering ging hij zich steeds meer richten op de gevolgen voor de stijging van de zeespiegel. ‘Op een gegeven moment was ik wereldwijd zo’n beetje dé expert op dit gebied,’ zegt Vellinga. Toen hij zich voor het onderwerp begon te interesseren, was het hele debat over de uitstoot van CO2 en de opwarming van de aarde nog sterk academisch. Maar in 1987 besloot een twintigtal klimaatexperts, onder wie Vellinga, dat het probleem zo groot was dat het op de politieke agenda moest worden gezet. Het waren de jaren dat met vereende inspanningen de zure regen was teruggedrongen en door krachtig optreden ook een oplossing was gevonden om het gat in de ozonlaag te dichten. Er heerste optimisme. ‘We zeiden tegen elkaar: het moet opgelost worden en het kan ook. De latere voorzitter van het IPCC Bert Bolin grapte zelfs dat als er tijdig zou worden ingegrepen, we misschien wel nooit te weten zouden komen of er nou echt een probleem was geweest. Nou, het is ons niet gelukt het tijdig op te lossen. Overal om ons heen zien we nu de signalen van de klimaatopwarming.’

Verbijsterd

Aanvankelijk was er bij regeringen groot enthousiasme. In Noordwijk werd in november 1989 de eerste internationale politieke conferentie gehouden over de kwestie, waarbij Vellinga als rechterhand van Ed Nijpels een belangrijke rol speelde. Milieuministers uit zestig landen kwamen bij elkaar en spraken af de uitstoot van CO2 met tien procent te beperken in het jaar 2005 ten opzichte van 1990. Nederland – dat toen nog het beste jongetje uit de klas wilde zijn – wilde méér. Premier Ruud Lubbers liet weten in vier jaar tijd maar liefst acht procent uitstoot te willen reduceren, iets wat overigens nooit zou gebeuren. In het internationaal baanbrekende rapport ‘Zorgen voor morgen’ bracht het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu alle milieuproblemen in kaart en agendeerde het ‘voorzorgsprincipe’: de plicht van de overheid om iets te doen wanneer de kans op diep ingrijpende gevolgen te groot is, ook al zijn er nog wetenschappelijke onzekerheden.

Ik ben een oliepresident, my electorate is big oil. Wat verwacht je nou?  Allemaal heel veelbelovend, maar er waren twee problemen. Ten eerste waren er begin jaren negentig nog geen goede alternatieven voor fossiele energie. ‘In Noordwijk zeiden we tegen elkaar: de enige manier om de uitstoot te halveren, is een andere levensstijl. Minder vliegen, minder in de auto, een warme trui aan. Zonne-energie, wind, biomassa, het stond allemaal nog in de kinderschoenen. Al snel bleek dat de burgers niet makkelijk mee te krijgen waren. Die wilden hun comfort niet opgeven.’

En dan had je ook nog de industrie. In Amerika werden klimaatsceptische denktanks opgericht als het Heartland Institute, die al snel grote invloed uitoefenden. ‘De industrielobbyisten hadden door dat als je de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek ter discussie stelde, je tijd kon kopen. En dat gebeurde dan ook.’
Begin jaren negentig, toen Vellinga tijdens het Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie deelnam aan conferenties ter voorbereiding van de grote klimaattop in Rio de Janeiro, zag hij hoe Amerikaanse lobbyisten betaald door de olie-industrie samenspanden met de onderhandelaars van Saoedi-Arabië. ‘Ze zeiden dat als Europa zijn zin krijgt, jullie je olievelden wel kunnen sluiten.’ En dus stelden de Saoedi’s dat het allemaal wel meeviel met de opwarming van de aarde, dat er geen bewijzen waren. Ook kregen de lobbyisten de Chinezen in hun kamp, maar dan met andere argumenten. ‘De Chinezen wilden meer welvaart voor hun bevolking, nieuwe wegen, treinen, steden, fabrieken. Daarvoor wilde ze veel kolencentrales inzetten, want de Chinezen hadden grote kolenvoorraden. En dus wuifden zij ook de klimaatproblemen weg. En de Amerikanen? Die wilden hun energie-intensieve levensstijl niet opgeven. En zo zorgden de Amerikaanse olielobbyisten met hulp van de Saoedi’s en de Chinezen voor vijfentwintig jaar stagnatie op dit dossier.’

Toen Vellinga in die periode met een regeringsdelegatie een bezoek bracht aan het Witte Huis en met en George Bush sr. op de foto mocht, kon hij het niet laten om te vragen waarom de president niet meer deed aan klimaatbeheersing. ‘Ik?’ antwoordde Bush verbaasd. ‘Ik ben een oliepresident, my electorate is big oil. Wat verwacht je nou?’ Met een stevige handdruk liet Bush een verbijsterde Vellinga achter.

Omdat de Amerikanen niet meededen en burgers niet echt warm liepen voor problemen die ooit wellicht heel ver in de toekomst zouden gaan spelen, haakte het Europese bedrijfsleven ook al snel af. ‘Het voorzorgsprincipe werd weggewuifd door de captains of industry. Ze zeiden: eerst zien dan geloven. Het bleek allemaal weerbarstiger dan we in eerste instantie dachten.’

Een Nieuw Deltaplan

Naarmate de jaren vorderden, werd Vellinga somberder. De conferentie van Rio, die van Kyoto en Kopenhagen, geen van allen leverden ze een echte doorbraak op. ‘Het waren allemaal verwaterde versies van Noordwijk.’ In 1991 verruilde hij het politieke adviseurschap voor een carrière in de wetenschap. Eerst als hoogleraar aan de VU en directeur van het Instituut voor Milieuvraagstukken en later, in 2007, ook in Wageningen. Omdat er jarenlang geen enkele voortgang werd geboekt in het terugdringen van de CO2-uitstoot, maakte Vellinga zich steeds meer zorgen over Nederland, een deltagebied en dus zeer kwetsbaar voor overstromingen. Toen hij in 2003 werd gevraagd de Erasmus-lezing te houden over klimaatverandering en de veiligheid van Nederland, luidde hij de noodklok: ‘Ik kwam er toen achter dat de dijken helemaal niet op orde waren. Er was twintig jaar achterstallig onderhoud, we voldeden niet aan de normen die we onszelf hadden opgelegd.’
Er zaten veel zwakke plekken in onze primaire waterkering, de kans op dijkdoorbraak was volgens Vellinga plaatselijk tien tot honderd keer groter dan vastgelegd in de Deltawet.

De lezing leidde aanvankelijk niet tot veel ophef, maar in 2005, toen de orkaan Katharina veel slachtoffers maakte en grote schade aanrichtte in New Orleans, stond het onderwerp in één klap op de politieke agenda. In 2007 werd een commissie onder leiding van oud-minister Cees Veerman ingesteld die onderzoek deed naar de gevolgen van de klimaatveranderingen voor de Nederlandse kust en ook naar de afvoer van een toenemende hoeveelheid water via de rivieren in de toekomst. Vellinga was een belangrijk adviseur van de commissie. In 2014 stelde minister Melanie Schultz van Haegen twintig miljard euro beschikbaar om het nieuwe Deltaprogramma uit te voeren.
Ook was Vellinga tien jaar lang directeur van het ‘Kennis voor Klimaat’-programma, waarbij wetenschappelijke instellingen praktische oplossingen bedachten om de samenleving aan te passen aan de gevolgen van de opwarming van de aarde. ‘Nederland heeft het laten afweten als het gaat om de reductie van CO2, maar het verhogen van dijken, daar zijn we goed in. Het past blijkbaar beter bij onze cultuur om jezelf eerst te redden en dan pas de wereld.’

 
 

 
Pier Vellinga is al dertig jaar actief in de klimaatdiscussie – hier met Al Gore in 2006. Foto’s: privéarchief Pier Vellinga
Paniekzaaier

Als Vellinga één dieptepunt moet aanwijzen, zijn het de jaren dat de klimaatsceptici op hun hoogtepunt waren. In augustus 2009 riep weekblad Elsevier Vellinga uit tot ‘klimaatalarmist’ van het jaar. In de jaren daarvoor had Elsevier-redacteur Simon Rozendaal een stelselmatige campagne gevoerd tegen de hoogleraar, hem afgeschilderd als ‘evenknietje van Al Gore’, als iemand die rondreed in een ‘benzineslurper’, hoewel hij toen al een milieuvriendelijke auto had, als iemand die niet bewezen gevolgen van klimaatverandering ‘kwaakt’. Vellinga zucht eens diep. De Elsevier-redacteur is volgens hem iemand die al twintig jaar lang bezig is ‘misinformatie over de klimaatveranderingen’ te verspreiden en hoopt op die manier ‘het bedrijfsleven een dienst te bewijzen’.

Ook klimaatsceptische websites als Climate Gate zetten Vellinga weg als ‘klimaatpaus’, ‘paniekzaaier’ en iemand die ‘raaskalt’ en ‘orakelt’. De suggestie werd gewekt dat Vellinga overdreven verhalen verspreidde en het klimaat er ‘met de haren bijsleepte’ om zo miljoenen binnen te halen voor nutteloze onderzoeksprojecten waarvan hij alleen zelf beter werd.

Gerenommeerde experts als Vellinga werden nog verder in de hoek gedreven toen eind 2009 de inbox van een klimaatwetenschapper van de universiteit van East Anglia werd gehackt. Deze Brit zou in de jaren negentig gegevens hebben verdraaid die de opwarming van de aarde tegenspraken. Achteraf bleek van wetenschappelijke fraude geen sprake, maar het was koren op de molen van de klimaatsceptici.

Begin 2010 ontstond er grote commotie toen er foutjes werden gevonden in het drie jaar daarvoor gepubliceerde IPCC-rapport. De gletsjers van de Himalaya zouden niet al in 2035 helemaal zijn gesmolten, maar pas later, de claim dat bergijs in onder meer de Andes zou verdwijnen werd door het IPCC gestaafd met een afstudeerscriptie.

Ook Vrij Nederland deed destijds een duit in het zakje met het artikel ‘Zelfbevlekkende klimaatkunde’. Daarin werd opgemerkt dat niet 65 procent, zoals het IPCC meldde, maar 25 procent van Nederland onder het zeeoppervlak ligt. (Overigens is bij stormvloed of hoge rivierafvoer wel ongeveer zestig procent van Nederland kwetsbaar voor overstromingen door zee of rivieren.) Inmiddels zijn er verschillende onderzoeken geweest die hebben vastgesteld dat het om kleine foutjes ging die inmiddels waren gecorrigeerd, en dat de IPCC-rapporten als zodanig recht overeind staan. Maar in de Tweede Kamer werden wetenschappers als Vellinga naar aanleiding van de rel door toenmalig PVV’er Richard de Mos uitgemaakt voor ‘boeven’ en het IPCC voor ’een klimaatrovershol’. Erger was dat ook minister Jacqueline Cramer haar vertrouwen in het IPCC en de klimaatwetenschap onder druk van de publieke opinie tijdelijk opschortte. Ze wilde blind kunnen varen op het IPCC en fouten duldde ze niet langer. ‘In deze fase raakte ik echt in paniek,’ zegt Vellinga. ‘De minister leek zich niet staande te kunnen houden in het populistische geweld, ook vanuit haar eigen partij. Zelfs Diederik Samsom vond opeens dat ook klimaatontkenners serieus moesten worden genomen. Onze geloofwaardigheid was weg.’

Die tijd ontving Vellinga na elk publiek optreden ‘een diarree’ aan haatmail.In die tijd ontving Vellinga na elk publiek optreden ‘een diarree’ aan haatmail met teksten als ‘jullie belazeren de zaak’, ‘we hangen je op aan de hoogste boom’, ‘we zullen je kapot maken’, ‘je bent een querulant’. Vellinga raakte onzeker. ‘Zou het kunnen zijn dat ik me vergist had? Zo ver was het wel gekomen ja. Ik dacht: ben ik nou gek? Ik ben in zee gegaan met een coach en heb me twee jaar lang teruggetrokken uit het publieke debat.’
In de luwte deed hij overdag zijn werk. ’s Avonds thuis ging Vellinga na of hij iets over het hoofd had gezien. ‘Ik vroeg me dingen af als: is het toch de zon die voor variaties in temperatuur zorgt? Snappen we die ijstijden wel? Overdrijven we de zaak? Ik ben alles nagaan, heb alles nagerekend.’ De resultaten van zijn zoektocht legde hij vast in het boekje Hoezo klimaatverandering? Feiten, fabels en open vragen. Tot echt andere inzichten is hij niet gekomen. ‘De feiten liegen niet. De opwarming van de aarde wordt door de mens veroorzaakt en het zal de komende honderd jaar warmer worden.’

Grote ineenstorting

In de dystopie The Collapse of Western Civilization van de Amerikaanse auteurs Naomi Oreskes en Erik Conway kijkt een Chinese wetenschapper in het jaar 2393 terug op deze tijd na jaren van oplopende temperaturen, droogtes, stijgende zeespiegels, miljoenen vluchtelingen, oorlogen en geweld die culmineerden in de ‘grote ineenstorting in 2093’.
Inmiddels zijn Amsterdam, Miami en New York in de golven verdwenen. Reden van alle ellende: begin eenentwintigste eeuw – nu dus – zijn pogingen om de CO2-uitstoot onder controle te krijgen mislukt. Oorzaak: de politieke en economische elite joegen alleen kortetermijndoelen na en konden niet verder kijken dan hun eigen herverkiezing of de jaarlijkse winstcijfers. Zo zou het toch ook kunnen gaan? Vellinga: ‘Ja, zo kan het gaan, als in Amerika de Tea Party het voor het zeggen krijgt, als in Nederland Geert Wilders premier wordt, als Marine Le Pen president van Frankrijk wordt en als Vladimir Poetin nog jaren aan de macht blijft. Maar waarom zou het zo gaan? Er is nu zoveel dat hoop biedt, er is nu een positieve beweging, ook economisch, laten we daaraan vasthouden.’