Fidan groeide op in een hechte Turkse gemeenschap. Alles daarbuiten was een vreemde wereld. Vandaar haar fascinatie voor autochtone Nederlandse families en hun familieleven.

Wanneer je opgroeit in een dorp, binnen de Turkse gemeenschap, dan mis je meer van Nederland dan je meemaakt. Alles buiten mijn eigen leefomgeving was mij lang onbekend. Het leven elders in het land, en bij autochtone Nederlandse families, heeft me dus altijd gefascineerd: hoe ging het bij hen thuis? Mijn honger naar het antwoord op die vraag houdt nooit op en wordt beantwoord door al die mensen die mijn levenspad kruisen en bij wie ik binnen mag kijken.

Zo ontmoette ik jaren terug Hans Heesen. Geboren en opgegroeid in Zutphen, 58 jaar, docent aan de Filmacademie in Amsterdam. Samen met Jos Stelling schreef hij scenario’s voor films als No Trains No Planes en Duska. Ik had hem al een tijd niet gezien toen ik op Facebook zag dat zijn vader was overleden.

‘Mijn vader is overleden. Ik had hem al 17 jaar niet meer gezien, toen ik hem een paar maanden terug opzocht in het verzorgingstehuis waar hij de laatste twee jaar woonde. Hoe dement hij op dat moment ook al was, zijn ogen spogen vuur zodra hij begreep wie ik was: zijn vermaledijde zoon. Praten kon hij niet meer, maar zijn blik zei alles. (…) Zo lang het leven voortging, duurde de woede voort, en het onverzoenlijk gelijk. Ik hoop dat hij nu eindelijk rust en vrede vindt.’

Een maand later overleed zijn moeder.

‘Vanmiddag is mijn goede, lieve moeder overleden. Vrijdag zou ze 86 worden. Op de een of andere manier wist ze er altijd het beste van te maken, soms tegen de verdrukking in. Zelfs de laatste dagen in het ziekenhuis nog, toen haar bewustzijn al steeds verder weg raakte. Op de vraag van een verpleger, eergisteren, of ze wist waar ze was, antwoordde ze heel stellig: “Ja.” Om er met een lichte aarzeling aan toe te voegen: “In een hotelletje?” Ik hoop dat ze lekker uitrust, maar ik ga haar vreselijk missen!’

Na de dood van zijn ouders begon Hans verhalen te schrijven. ‘Het was de bedoeling dat ik één verhaal zou schrijven. Het werden er zeven.’ Op de dag dat ik hem spreek, wordt het huis van zijn moeder leeggehaald.  ‘Opgroeien in Zutphen eind jaren zestig was een tijd van hokjes,’ zegt hij. Er waren zeven voetbalclubs: een protestantse, een katholieke enzovoort. Mijn moeders wereld, als kind, was niet groter dan 15 vierkante kilometer. Toen haar zus naar Zuid-Afrika emigreerde, waren ze er vast van overtuigd dat ze elkaar nooit meer terug zouden zien. Ik weet nog toen er voor het eerst een groep Molukkers bij ons op school kwam. Dat vond ik geweldig. Alsof de grenzen ineens opengingen. Een soort wijds perspectief. De wereld werd groter.’

Zijn moeder was huisvrouw, zijn vader werkte bij het Zuiveringsschap. Het was geen gelukkig huwelijk. Ze kregen drie kinderen. De oudste, Marja, verongelukte toen ze 14 was. Onderweg naar school werd ze op haar fiets aangereden door een vrachtwagen. Hans was toen 11. ‘Ik werd uit de klas gehaald door het schoolhoofd. De rest heb ik verdrongen. Mijn ouders wisten zich geen raad van verdriet. Dat was meteen het einde van het gezin.’

Het is wonderlijk dat onze levens zo sterk beïnvloed worden door onze ouders.Hans denkt dat zijn vader vóór de dood van zijn dochter van plan was geweest het gezin te verlaten, maar dat hij uit plichtsbesef is gebleven. ‘Hij ervoer ons gezin als een gevangenis met ons als cipiers. Wij verpestten zijn leven door er te zijn. Toen ik 40 was, merkte ik dat ik daar nog steeds onder leed. Daarom confronteerde ik hem ermee. Hij had niets te zeggen, gaf geen krimp. Toen besloot ik dat het voorbij was.’

De verdrietige periode van haar leven

Hoe ging zijn moeder verder na de dood van haar eerstgeborene? ‘Ik vroeg het haar twee jaar geleden. Ze antwoordde dat het verdriet alleen maar heftiger was geworden. Toen het gebeurde, was ze een vrouw van 39 met nog twee kinderen. Voor ons moest ze wel door. Toen wij ouder werden en ze niet meer voor ons hoefde te zorgen, kwam alles opnieuw keihard binnen. Hartverscheurend vond ik het om dat te horen.’ Hierover schrijft Hans in een van zijn verhalen:

‘Mijn moeder was 28 toen ze mij kreeg. Ik hoorde dus bij de verdrietige periode van haar leven. Daar kon ik niets aan veranderen, maar ik wilde graag horen over de tijd dat haar leven nog goed en hoopvol was. Haar jeugd in Eefde. De verhalen die ze daar af en toe over verteld had, waren voornamelijk zintuiglijke herinneringen, aan de stof van een bepaalde zondagse jurk, aan de smaak van de kersen die ze plukten in de tuin, aan de muziek die uit het eerste transistorradiootje schalde dat in huis kwam, aangeschaft toen haar zusje Stien drie maanden lang het bed moest houden met een gipsen spalk om haar heupafwijking te corrigeren. Water haalde je uit de pomp. De oven werd gestookt op takkenbossen. Het graven van het Twentekanaal, dat Eefde van Zutphen scheidde, bracht twee arbeiders, jongens nog, in huis tegen kost en inwoning. De tram stopte voor de deur. Op Nieuwjaarsdag vervoerde die hen naar de IJsselkade, vanwaar het te voet verder ging naar Voorstonden om opa en opoe gelukkig nieuwjaar te wensen. Het was een wereld die zij achter zich liet toen ze de brug overstak om te trouwen, en die voorgoed was verdwenen.’

Marja, kort voor haar dood. Onderweg naar school werd ze op haar fiets aangereden door een vrachtwagen. Hans was toen 11. ‘Ik werd uit de klas gehaald door het schoolhoofd. De rest heb ik verdrongen. Mijn ouders wisten zich geen raad van verdriet. Dat was het einde van het gezin. Foto: privéarchief Hans Heesen.

Met de dood van zijn moeder besefte Hans hoe hij jarenlang haar pijn met zich heeft meegedragen. ‘Wij hadden als kinderen ons eigen verdriet, maar ook dat van onze moeder erbij. Dat begreep ik pas nadat ze was overleden. Ineens was dat heftige gevoel verdwenen.’

Ik blijf het wonderlijk vinden dat onze levens zo sterk beïnvloed worden door onze ouders. Die wetenschap maakt mij als moeder soms angstig: doe ik het wel goed? Ik vraag Hans hoe dat nu voor hem is.

‘Weet je, Fidan,’ zegt hij, ‘als je meemaakt dat iemand zomaar van het ene op het andere moment verdwijnt, ben je daarna altijd een beetje op je hoede. Van iemand houden wordt dan nogal gevaarlijk.’

Hans Heesen met zijn zusjes. De oudste, Marja, verongelukte toen ze 14 was. Rechts Marja kort voor haar dood. Onderweg naar school werd ze op haar fiets aangereden door een vrachtwagen. Hans was toen 11. ‘Ik werd uit de klas gehaald door het schoolhoofd. De rest heb ik verdrongen. Mijn ouders wisten zich geen raad van verdriet. Dat was meteen het einde van het gezin.’