Maartje Gerretsen is een van Fidan Ekiz’ meest dierbare vrienden. Als klein meisje verloor ze haar broertje, op vakantie. ‘Nu heb ik voor het eerst ruimte om het verlies te verwerken. Dat kon niet. Ik moest overleven.’
Het was mijn eerste dag op De School Voor de Journalistiek. In een volgepropte aula aan de Ravellaan in Utrecht werden onze namen omgeroepen: ‘Fidan Ekiz en Maartje Gerretsen.’ Of we ons wilden melden bij de afdeling financiële administratie. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik moest mijn studie zelf betalen en had die maand geen rode cent op mijn rekening. ‘Zo zeg, we worden nu al van school getrapt,’ zei Maartje, terwijl we de zaal uitliepen. Tijdens die wandeling werden we vriendinnen. Ik verheugde me er altijd op om haar weer te zien. Ze fleurde mijn dag op. Met Maartje aan mijn zijde voelde ik me minder onzeker op school.
Maartje was opgegroeid in het Gooi, maar woonde sinds een paar jaar in Amsterdam. Ze was een tikkeltje rebels, authentiek, ongelofelijk eerlijk, slim, geestig en vooral opvallend zorgzaam. Alsof ze me wilde beschermen tegen de boze wereld. We grapten vaak dat ik zo ‘Amish’ was: bleu, opgegroeid in een dorp bij Rotterdam, een beetje wereldvreemd. Maartje had veel gezien en meegemaakt. Dat wist ik vanaf het moment dat ik haar ontmoette. In die opgewekte blauwgroene ogen schuilde ook droefheid. Dat intrigeerde me. Soms was ze ineens afwezig, alsof ze vertrok naar een andere, ondoorgrondelijke wereld. Ze wilde alles weten over mijn Turkse familie en mijn culturele achtergrond. De twee werelden waarin ik leefde, fascineerden haar. Omdat het in de gemeenschap waarin ik opgroeide niet zo vanzelfsprekend was dat ik op mezelf woonde, reisde ik dagelijks zes uur heen en terug voor school. Totdat mijn ouders Maartje ontmoetten. Ze waren dol op haar. Steeds vaker bleef ik bij haar thuis slapen, totdat ik zowat bij haar woonde. Heel bijzonder vond Maartje dat vertrouwen. Ze was duidelijk op zoek naar erkenning, liefde en aandacht.

Een vlindernetje
Maartje was acht toen haar twee jaar jongere broertje Stijn overleed. Het gezin was op vakantie in Frankrijk. ‘We hadden geluncht in een café in Auxerre. Mijn moeder was even weg om iets te halen. Wij gingen met mijn vader op een bankje aan de boulevard zitten. Stijn had voor zijn verjaardag een vlindernetje gekregen. Hij vroeg me of ik meeging guppy’s vangen. Ik wilde mijn vader helpen bij het schrijven van ansichtkaarten. Stijn ging alleen weg en kwam nooit meer terug.’
Een zoekactie werd op touw gezet voor het vermiste jongetje. Overal werd gezocht. Ook in de rivier de Yonne. ‘Twee duikers doken om en om het water in. Intussen zag het zwart van de mensen op de boulevard en op de brug over het water. Twee uur na zijn vermissing werd Stijn gevonden. Een oudere vrouw met een lange rok en grijs haar pakte Stijn over van de duiker en legde hem neer.’
‘Ik zag het allemaal gebeuren. Mijn vader was er toen niet bij, mijn moeder werd meteen meegenomen naar het café waar we eerder hadden geluncht. Ze was helemaal verdoofd. Ook ik werd weggetrokken bij het water, maar keek achterom en zag Stijn levenloos in de armen van die vrouw. In het café ben ik heel lief opgevangen door de eigenaar en Nederlandse vakantiegangers. Later hoorde ik dat Stijn nog is gereanimeerd. Hij had al zo lag in het water gelegen, het was zinloos, maar je probeert alles… Voordat Stijn werd weggereden in een ambulance, heb ik mijn broertje nog gezien. Dat is het laatste beeld. Hij lag er vreedzaam bij. Heel koud. Maar zo mooi. “Stijn, slaap je?” vroeg ik.’
‘Kinderen laten toe wat ze zelf aankunnen. Ik wist dat Stijn dood was en miste hem ontzettend. Het gevoel van verlies was zo immens groot. Maar ik durfde niet over hem te praten, al spoorden mijn ouders me daar wel toe aan. Een kind was uit het gezin weggerukt. Ik wilde ze niet nog meer verdriet geven; ik wilde het niet nog erger maken. We hadden een poes, ‘Streepje’, daar praatte ik tegen. Vaak keek ik naar de wolken die voorbijdreven, in de hoop om Stijn op een wolk te zien.’
De dood van Stijn was verschrikkelijk traumatisch, en wat daarna gebeurde was in de herinnering van Maartje heel heftig. Het gezin viel uit elkaar. Haar vader kon niet met het verdriet omgaan. ‘Ik kon het verlies niet verwerken, omdat ik niet in een omgeving zat waar ik me veilig voelde. Als kind voel je een enorme loyaliteit naar je ouders, ook wanneer dat onterecht is. Onbewust ging ik in de overlevingsstand en sloot mezelf af.’
Door het vuur
Nadat haar ouders waren gescheiden, bleef de schuldvraag. Die werd nooit uitgesproken, maar beheerste wel het leven van Maartje en haar ouders. ‘Ik voelde mij schuldig: als ik met Stijn was meegegaan, had alles misschien voorkomen kunnen worden. Maar ik voelde ook dat mijn vader mij schuldig achtte. Dat heeft hij jaren later ook toegegeven. Doordat hij zijn aandacht aan mij moest geven, kon hij niet op Stijn letten. Maar ik was nog zo klein. Tegelijkertijd weet ik dat hij zich schuldig voelt. Zijn strijd tegen dat schuldgevoel en tegen mij overschaduwde mijn verdriet voor Stijn. De dood van mijn broertje heb ik al die jaren niet kunnen verwerken. Pas nu ik 40 ben, lukt het beetje bij beetje.’
Het zwaarste was, zei Maartje altijd, dat ze haar leven nooit zou kunnen delen met haar broertje. Vriendschappen zijn misschien daarom wel zo belangrijk voor haar. ‘Ze gaat voor je door het vuur,’ zei haar beste vriendin Manon ooit tegen mij. Maartje ziet Manon en mij als haar bloedeigen zussen, en mijn familie als een tweede familie. Dat verklaart waarom ik altijd voel dat ze voor me wil zorgen: wie je liefhebt, wil je beschermen.
Ik zag haar door de jaren worstelen met het verlies van haar broertje, de strijd met haar vader. Ze viel, stond op, viel weer, maar krabbelde altijd weer op. We verloren elkaar soms uit het oog, maar we vonden elkaar altijd weer terug. Beetje bij beetje zag ik het lijden afnemen. Ze werd een succesvol programmamaker en een heel lieve moeder.
‘De dood van Stijn krijgt steeds meer een plekje. Nu ik zelf twee zoontjes heb, ben ik er heel erg mee bezig. Een van mijn zoontjes is geboren op de verjaardag van Stijn. Ongelofelijk is dat. Ik zie er ook iets moois in. Een onverklaarbaar teken. Nu heb ik voor het eerst ruimte om het verlies te verwerken. Dat kon niet. Ik moest overleven. Eigenlijk heb ik dat na de dood van mijn broertje altijd gedaan: overleven. Ik denk erover om een film over Stijn te maken. Een film vol liefde voor mijn broertje. Stijn verdient het om heel mooi herinnerd te worden.’

Boven: Maartje Gerretsen, rechts met Fidan, links met haar broertje Stijn. ‘Zijn dood heb ik al die jaren niet kunnen verwerken. Ik voelde mij schuldig: als ik met Stijn was meegegaan, had alles misschien voorkomen kunnen worden. Maar ik voelde ook dat mijn vader mij schuldig achtte. Tegelijkertijd voelde hij zich ook schuldig. Zijn strijd tegen dat schuldgevoel en tegen mij overschaduwde mijn verdriet om Stijn. Pas nu ik 40 ben, lukt het beetje bij beetje zijn dood te verwerken.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.