Waarom moet terechte aandacht voor discriminatie en racisme zulke groteske wendingen nemen? Je hoeft er niets bij te verzinnen om te overtuigen.

De ouderen onder ons herinneren het zich nog: hoe aan het begin van de jaren zestig, vorige eeuw, de slavenschepen uit Marokko en Turkije aanlegden in Rotterdam en IJmuiden. Hoe de vracht gelost werd en de mannen op het bureau van de burgerlijke stand een M. (moslim) achter hun naam kregen, zodat ze geen gebruik zouden maken van wc’s die voor echte Nederlanders bestemd waren, en niet in dezelfde tram- of treincoupé mochten plaatsnemen. Berucht is ook hoe de latere migranten in 1986 werden geweerd bij de stembureaus; zij moesten in tal van gemeenten aanvullende examens afleggen waarin werd gevraagd naar de namen van de opeenvolgende stadhouders plus die van hun echtgenotes. Het slagingspercentage was 0,3 %. Jim Crow in Nederland, nog maar zo kort geleden.

Het is alleen niet waar: deze geschiedenis is regelrecht geïmporteerd uit de Verenigde Staten en voor het dramatisch effect toegeschreven aan de migranten die zich in de tweede helft van de twintigste eeuw in Nederland vestigden. Daar valt genoeg discriminatie, onderbetaling en xenofobie aan te wijzen, maar bovenstaande voorbeelden horen allemaal tot een verzonnen traditie, die een klein deel van de derde generatie moslim-Nederlanders zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.
Ik was verbaasd toen ik in de Volkskrant las hoe cultureel antropoloog Sinan Cankaya in één adem spreekt van ‘de Nederlander met een migratie-, slavernij- of vluchtelingenverleden’, alsof migratie en slavernij welbeschouwd op hetzelfde neerkomen. Het lijkt me, om maar iets te noemen, een ernstige onderschatting van wat slavernij betekent. Ik zou ook verkeers- en Holocaustslachtoffers niet in hetzelfde rijtje noemen. Niet alles komt zo’n beetje op hetzelfde neer.

De mythe van het gedeelde slavenverleden van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders is noodzakelijk om één verdrukt volk te creëren, dat dezelfde herinneringen deelt aan de Spaanse bok (pansboko), en o ja, de weigering bij de disco. Het ongelijksoortige wordt moeiteloos verbonden.

In NRC lees ik over die moslims ‘die zich laten inspireren door de strijd van Malcolm X voor gelijke rechten van zwarten in de Verenigde Staten’. Inspiratie is een mooi ding, en lekker vaag ook; het komt altijd van pas en valt nooit te controleren. Het is kennelijk geen probleem dat Malcolm X, naast een moedig strijder tegen raciale ongelijkheid, het grootste deel van zijn leven ook een uitgesproken antisemiet was, een homohater, een man die geloofde in de onderdanige positie van de vrouw et cetera. De drie Nederlandse moslims hebben alvast Malcolms lingo overgenomen, want spreken van ‘huismoslims’ als ze een andere moslim ontwaren die het niet onvervaard met ze eens is. Niemand van hen heeft ooit op een plantage gestaan en katoen geplukt, en nu ineens is Ahmed Aboutaleb een ‘huisslaaf’ en jongerenwerker Ibrahim Wijbenga zelfs een ‘basja’: de slaaf die namens de blanke eigenaren toezicht hield op de slaven.

Dit alles is bij elkaar verzonnen in een achterkamer te Zoetermeer, met behulp van internet en een megalomane verbeelding. Weet je nog oudje, die tijd in Sobibor? Nee, dat weet je niet, want Jules Schelvis was de enige Nederlander die het kon navertellen, en die is nu ook dood (3 april 2016).

Ik snap niet waarom terechte aandacht voor discriminatie en racisme zulke groteske wendingen moet nemen. Uitsluiting op de arbeidsmarkt, etnische profilering, het nauwelijks ingedaalde slavernijverleden bij blank Nederland – de onderwerpen zijn ernstig genoeg. Je hoeft er niets bij te verzinnen om te overtuigen.

De kop boven het interview met de drie boze moslimmannen: ‘We zijn er. Wen er maar aan’. Fair enough. En dan, een paar alinea’s later, zegt een van hen, Salaheddine, over ex-politicus Tofik Dibi dat hij zijn homoseksuele ‘zonde’ had moeten bedekken, met de woorden: ‘Wij zijn toch geen Nederlanders, Tofik, wij zijn moslims.’

Heren, maak uw keuze.