Naargeestige determinisme kenmerkt het huidige racismedebat. Volgens Elma Drayer ketenen we daardoor iedereen, blank én zwart, vast aan wat we bij onze geboorte hebben meegekregen.

Eind deze zomer brak er een relletje uit rond NRC Handelsblad. Correspondent Guus Valk had drie boeken tegen het licht gehouden over racisme in de Verenigde Staten. Buiten diens medeweten kwam er boven de recensie een citaat uit een van de besproken titels te staan: ‘Nigger, are you crazy?’ – maar dan zonder aanhalingstekens. Tekeningen van een karikaturale zwarte vrouw met rode lippen illustreerden het racisme dat de boeken beschreven. En dat de recensent uitvoerig hekelde.

Daags erna klonk er op Twitter wat gepruttel over die plaatjes en het gebruik van het n-woord – maar daar bleef het bij. Per slot was het een productie zoals we van het liberale avondblad gewend zijn: keurig, op het saaie af. Fout was hooguit het ontbreken van die aanhalingstekens.
Tot een opinieredacteur van The Washington Post er lucht van kreeg. Dertien hele dagen later wijdde deze Karen Attiah een woedende blog aan het stuk, waarin ze kop en illustraties ‘beyond comprehension at least, and rage-inducing at worst’ noemde. Maar ja, schamperde ze, wat kun je ook verwachten van een land waar ‘a good portion of the population’ verbeten strijdt voor behoud van het ‘blackface character Zwarte Piet’.
Haalden ze bij NRC Handelsblad de schouders op over deze malle uitbarsting van over de oceaan? Welnee. Ze waren er zo van onder de indruk dat ze onmiddellijk door het stof gingen. ‘Wij betreuren de keuze van de kop en de illustratie, omdat ze geen recht doen aan de genuanceerde strekking van het artikel,’ schreef de hoofdredactie. En haalde de illustraties schielijk offline.
Het was een nieuw dieptepunt in een debat dat daar toch al rijk aan is. En dat almaar hysterischer trekjes vertoont.

Witte columniste

Maar eerst even dit. Ik zou liegen als ik niet enige aarzeling voelde om me in de kwestie te mengen. Uit ervaring weet ik onderhand dat de Quinsy’s van dit land je dan meteen de kleur van je huid nadragen – met een gretigheid die ik omgekeerd niet in mijn hoofd zou halen. Als ‘witte columniste’ snap ik namelijk niks van racisme.
Nu klopt het dat mijn wiegje stond in de Friese gemeente Smallingerland – lelieblanker dan dat is nauwelijks te vinden. Het klopt ook dat ik zelfs bij benadering niet weet wat het is om ‘gevangen te zitten in een zwart lichaam’, zoals de Amerikaanse auteur Ta-Nehisi Coates zo indringend beschrijft in zijn recente boek Between the World and Me.
Maar ik heb, zoals dat heet, mijn ogen niet in de zak. Natuurlijk is ook Nederland geen aards paradijs waarin alle vooroordelen zijn uitgeroeid. Openlijke en geniepige, bewuste en onbewuste discriminatie op grond van je afkomst – alle varianten komen voor. Dat dit verschijnsel allerminst vanzelf verdwijnt, lijkt me al even evident. Dus kunnen luide protesten en felle polemieken beslist geen kwaad.
Toch zie ik in het huidige racismedebat te veel dat me te weinig bevalt. En ik zou niet weten waarom ik daarover beleefd moet zwijgen. Omdat ik nooit aan den lijve heb ondervonden hoe het voelt om racistisch bejegend te worden? Lijkt me een nogal curieus bezwaar. Genitale verminking, kindermishandeling, verkrachting – ze behoren evenmin tot mijn biografie. Gek genoeg krijg ik nooit te horen dat ik over deze verschijnselen geen praatjes mag hebben. Waarom dan wel als het gaat om racisme?

‘Institutioneel racisme’

Voor u me van het tegendeel verdenkt: de teloorgang van Zwarte Piet heb ik van harte toegejuicht. De argumenten (‘Oer-Hollands!’ ‘Eeuwenoude traditie!’) om het ventje te handhaven, schreef ik twee jaar geleden in een column, zijn flinterdun. Welbeschouwd is hij niet meer dan het bedenksel van een brave, negentiende-eeuwse schoolmeester. En bedenksels kun je weer afschaffen – helemaal als ze mensen onbedoeld kwetsen en krenken. Zo belangrijk was hij nu ook weer niet, zeker niet voor de doelgroep: of hij nu paars, geel of zwart is, het kan geen kleuter schelen. Nog een paar decembers, schat ik zo, en de krullenbol met roodgeverfde lippen en gouden oorringen zal definitief taboe zijn. Volkomen terecht.
Maar volgens de beroepsactivisten is er veel meer aan de hand. Zij zien het knechtje als symptoom van een zeer ernstige maatschappelijke ziekte: ‘institutioneel racisme’ – vanwege de rechtstreekse vertaling uit het Engels een nogal verwarrende term. ‘Institutioneel’ betekent niet dat racisme alhier in wet en statuten is opgenomen, maar duidt juist op iets ongrijpbaars. En ‘racisme’ duidt niet per se op een donkere huidskleur. Alle landgenoten van niet-Europese herkomst zouden er tegenaan lopen – ongeacht de tint van hun huid.
De redenering gaat ongeveer als volgt. Draag je een uitheemse achternaam, dan belandt je sollicitatiebrief automatisch onder op de stapel, op straat word je etnisch geprofileerd, en in het publieke debat wordt je stem niet gehoord. Deze samenleving, aldus historicus Zihni Özdil, is doortrokken van ‘diep, onbewust en structureel racisme’. In zijn pas verschenen pamflet Nederland mijn vaderland schrijft hij: ‘Je kunt een organisatie hebben vol mensen die ieder als individu geen bewuste racisten zijn, maar die als organisatie structureel minderheden weert. Je hoeft alleen maar om je heen te kijken in Nederland: uitgeverijen, krantenredacties, omroepen, universiteitsbesturen, het politieapparaat enzovoort – ze zijn allemaal nagenoeg wit.’
Maar blanke, pardon, witte Nederlanders zien dit niet onder ogen. Typisch Nederlands, aldus antropologe Gloria Wekker in de essaybundel Dutch Racism, is om te denken dat dit land nog steeds een ‘tolerante, kleine en rechtvaardige natie zou zijn’. Om zelfgenoegzaam te menen dat racisme iets is uit een ver, fout koloniaal verleden. Of van sneue types uit achterstandswijken.

Iedereen wit

Dat blanke Nederlanders geen idee hebben, komt weer door hun white privilege – met afstand de lievelingsterm uit het bloemrijke lingo van de beroepsactivisten en hun geestverwanten. Kort samengevat: ze beseffen niet dat ze vanaf de geboorte profiteren van hun huidskleur. Terwijl zij het juist dankzij deze ‘onverdiende bevoorrechting’ (oud-politicus Tofik Dibi) per definitie gemakkelijker hebben in dit aardse bestaan.
Nog naïever zijn blanken die beweren dat ze ‘kleurenblind’ zijn. Dat afkomst er voor hen echt en heus niet toe doet. Zij hebben er helemáál niks van begrepen. Of zoals activiste Marjan Boelsma het formuleert: ‘Je kunt dit alleen zeggen omdat voor jou als witte racisme in het leven geen dagelijkse pijn is.’ Zij negeren, aldus antropoloog Martijn de Koning, ‘dat zwarte mensen dag in dag uit worden geconfronteerd met het feit dat zij structureel achtergesteld worden door ideeën en structuren die verzonnen zijn door witte mensen’. Filmmaakster Sunny Bergman, na een aanvaring met de Amerikaanse feministe Naomi Wolf: ‘Ik leg haar uit dat racisme een systeem van onderdrukking is – waar witte mensen gedurende de gehele wereldgeschiedenis nooit onder geleden hebben.’ Als je kleurenblind bent, vatte columniste Harriet Duurvoort het vraagstuk samen, ‘zie je niet dat iedereen wit is’.
De enige uitweg voor blank geborenen is dat ze hun eigen aandeel in racisme voortdurend benoemen.De enige uitweg voor blank geborenen is dat ze hun eigen aandeel in racisme voortdurend benoemen. Deemoedig belijden dat ze dagelijks profiteren van hun huidskleur. Want al denken zij dat ze persoonlijk vrijuit gaan, ze zijn toch medeschuldig. Of zoals Marjan Boelsma schreef: ‘Zwijgen is medeplichtig zijn.’ Tofik Dibi: ‘Alles wat een wit mens ooit goed heeft gedaan, straalt op u af. Alles wat een zwart mens slecht heeft gedaan, zeult elk zwart individu mee tot in de lengte der dagen. Witte bevoorrechting heeft een schaduwzijde: zwarte benadeling. Deze weeffout in onze wereld kan alleen hersteld worden als uw verzuchting plaatsmaakt voor erkenning.’
En o ja. Waag het vooral niet om deze argumentatie te bekritiseren. Dan bezondig je je weer aan whitesplaining. Ben je zo’n arrogante blanke die denkt te kunnen uitleggen wat racisme is. Terwijl, hé, wat weet jij daar nu van?
Al met al doet de logica denken aan het heksenbewijs zoals dat in vroeger eeuwen in zwang was. Heksen waren gewichtloos, was destijds de overtuiging. Om erachter te komen of een vrouw aan hekserij deed, werd ze met vastgebonden ledematen in de rivier gegooid. Geen ontsnapping mogelijk.
De logica lijkt tevens sprekend op de klassieke erfzondeleer, maar dan in een hedendaagse jas. Blanken zijn in zonde ontvangen en geboren. Zij zijn kinderen des toorns. De ongerechtigheden hunner voorvaderen dienen zij te dragen tot in het zoveelste geslacht. Of, zoals de Franse filosoof Pascal Bruckner ooit treffend formuleerde: ‘Wie als Europeaan wordt geboren, draagt een vracht aan zonden en verschrikkingen met zich mee en erkent dat de blanke overal waar hij kwam dood en verderf heeft gezaaid. Voor hem is leven in de eerste plaats zich verontschuldigen.’
Inmiddels beheersen sommige blanken die kunst tot in de puntjes – lees het larmoyante mea culpa dat publiciste Asha ten Broeke onlangs schreef in het zaterdagkatern van de Volkskrant. Kop: ‘Nu pas zie ik dat ik privileges heb als wit mens’.
Heel sympathiek, natuurlijk. Maar helpen we daarmee racisme de wereld uit?

Bleke burelen

Veelgehoorde grief in het huidige debat luidt dat de media ‘witte bolwerken’ zijn. ‘Bleke burelen’, in de woorden van journaliste Seada Nourhussen. Bewust dan wel onbewust proberen zij van vreemde smetten vrij te blijven. Zo’n eenzijdige samenstelling, is de gedachte, leidt op haar beurt tot eenzijdige berichtgeving. ‘Het denkkader van redacteuren,’ aldus Zihni Özdil in zijn pamflet, ‘is gevormd door het culturele DNA van Nederland, waarin Nederlanderschap onder voorbehoud wordt toegekend aan mensen die door de maatschappij niet als wit worden beschouwd’.
Achter deze grief schemert de uiterst flatteuze aanname dat redacties beschikken over ongelooflijk veel macht. Zouden zij veranderen, de werkelijkheid veranderde geheel vanzelf mee. Daar is, zacht gezegd, nogal wat op af te dingen. Maar nuchtere tegenwerpingen vinden geen gehoor. Blijkbaar is de gedachtegang te aantrekkelijk. Ook voor journalisten.
Zo meldde het virtuele orgaan De Correspondent vorige maand met gepaste trots dat het een ommezwaai had gemaakt. De redactie was zich eindelijk bewust geworden van haar ‘witte blik’ op de werkelijkheid. Dus had ze de stijlregels aangepast: begrippen als ‘blank’ en ‘allochtoon’ zijn voortaan taboe. Ook kondigde ze aan dat ze twee nieuwe vacatures exclusief zal bestemmen voor kandidaten ‘die ons helpen een betere afspiegeling van de samenleving te worden’.
Doorslaggevende functie-eis: een ‘achtergrond, afkomst en wereldbeeld’ die verschillen van die van de huidige redactie. In de gewichtige woorden van adjunct-hoofdredacteur Karel Smouter: ‘Om onze rol als informatiebron voor burgers in een democratie te kunnen vervullen, moeten we de burgers in die democratie ook zo goed mogelijk vertegenwoordigen. Dat gebeurt nu onvoldoende.’

Witte blik

Even flauw doen. Burgers met rabiaat-rechtse of reformatorische wereldbeelden zijn bij mijn weten ter redactie eveneens onvoldoende vertegenwoordigd. Zou de adjunct-hoofdredacteur zijn argumentatie serieus nemen, dan zou De Correspondent spoorslags ook naar zulke journalisten op zoek moeten gaan. Iets zegt mij dat het blad daar niet over piekert. Waarom dan nu ineens wel dit argument gebruikt?
Serieuzer bezwaar is dat de redactie ook nog eens valt in een valkuil waarin diversiteitsbekeerlingen dikwijls vallen: ze gebruikt het verkeerde motief voor een op zichzelf rechtvaardige zaak. Want natuurlijk is een divers personeelsbestand nastrevenswaardig. Nogal bizar, nietwaar, als dat in dit tijdsgewricht uitsluitend blanke wezens telt – zeker als andere varianten voorhanden zijn.
Wie eist en verwacht – zoals De Correspondent doet – dat de binnengehaalde minderheden tevens héél bijzondere kwaliteiten met zich meebrengen, begaat een treurige vergissingAlleen: diversiteit zou een kwestie van beschaving moeten zijn. Punt uit. Een compleet blanke redactie zou zo gênant moeten zijn dat ze er alles aan doet om er een einde aan te maken. Niet minder, maar zeker niet meer.
Want wie eist en verwacht – zoals De Correspondent doet – dat de binnengehaalde minderheden tevens héél bijzondere kwaliteiten met zich meebrengen, begaat een treurige vergissing. Ongetwijfeld betekent dit dat zij zich moeten bezighouden met, ik noem maar wat, arbeidsmarktdiscriminatie, etnisch profileren en de aantrekkingskracht van het kalifaat. Oók als ze zich veel liever zouden willen buigen over klimaatverandering of het basisinkomen. En dat terwijl de zittende collega’s wél alle vrijheid hebben om zich aan de hele wereld te wijden. Behoorlijk benauwend. Behoorlijk stigmatiserend ook.
Gevolg is bovendien dat de rest van de redactie zich nóg minder druk zal maken om arbeidsmarktdiscriminatie, etnisch profileren en de aantrekkingskracht van het kalifaat. Dat doen de afgespiegelden immers wel.
Aldus gemotiveerde diversiteit, wil ik maar zeggen, zal geen redactie genezen van de ‘witte blik’. Als dat het grote probleem is, is het juist de slechtst denkbare oplossing.

Illustratie Zeloot
Individuele talenten

Echte diversiteit betekent natuurlijk niet ‘het doorbreken van machtsstructuren’ (Zihni Özdil). Echte diversiteit is tegelijkertijd eenvoudiger en moeilijker. Echte diversiteit betekent dat huidskleur en herkomst er hoegenaamd niet toe doen. Dat je mensen (m/v) uitsluitend beoordeelt op hun individuele talenten, verdiensten en vaardigheden. Het echte probleem is dat zulks nog altijd veel te weinig gebeurt.
Grappig genoeg levert uitgerekend Zihni Özdil daarvoor een treffend bewijs. In zijn pamflet vertelt hij op schrijnende wijze hoeveel moeite het hem kostte om passend werk te vinden, terwijl ‘witte studievrienden’ moeiteloos aan de slag kwamen. Het tij keerde, schrijft hij, toen de Rotterdamse hoogleraar Henri Beunders zich volstrekt niet bleek te interesseren voor achternamen, en hem op grond van zijn vertaaltalent aannam als assistent. ‘Ik heb het Henri – hij stond erop dat we meteen gingen tutoyeren – nooit verteld, maar na dat telefoontje barstte ik in tranen uit.’
Niet in het pamflet zelf, maar in de voorpublicatie op De Correspondent laat Zihni Özdil daar een cruciaal zinnetje op volgen: ‘De manier waarop ik aan mijn baan kwam, is veelzeggend: pas toen iemand niet eerst naar afkomst, maar naar kwaliteit keek, kreeg ik een baan op niveau.’

Excuusallochtoon

Kleurenblindheid, met andere woorden, zou het streven moeten zijn. Precies de houding die de antiracisme-ideologen van nu zo graag beschimpen. Het debat zou moeten gaan over hoe we die gezegende staat kunnen bereiken – simpelweg omdat het de enige manier is waarop we racisme heel eventueel de wereld uit krijgen.
Maar zo’n utopia lijkt verder weg dan ooit. En dat ligt niet alleen aan de domme achterdocht tegenover uitheemse achternamen. Dat ligt ook aan genoemde ideologen. Hartstochtelijk blijven zij zich vastklampen aan de verschillen. Zij blijven maar hameren op hoe essentieel etniciteit is voor hoe je in het leven staat. Zelfs als de feiten dat weerspreken.
Strijk en zet komt het moment dat zij het vileine verwijt krijgen een Uncle Tom te zijn. Een excuusallochtoon. Een huismoslim dan wel house mocro.Kijk naar wat er gebeurt als iemand uit de eigen gelederen niet aan hun clichés voldoet – door bijvoorbeeld carrière te maken in het openbaar bestuur, bij de politie te werken, succesvol te zijn in een andere overwegend blanke omgeving. Dan kun je er bijna op wachten. Vraag maar aan burgemeester Ahmed Aboutaleb. Aan oud-politieman en Kamerlid Ahmed Marcouch. Aan politicus Ibrahim Wijbenga, aan trendwatcher Adjiedj Bakas. Aan oud-politica Ayaan Hirsi Ali. Aan columnist Stephan Sanders. Aan schrijver Hafid Bouazza.
Strijk en zet komt het moment dat zij het vileine verwijt krijgen een Uncle Tom te zijn. Een excuusallochtoon. Een huismoslim dan wel house mocro. Een basja. Een verrader. Zo’n sullige braverik, zeg maar, die niets liever doet dan zich inlikken bij de ‘witte elite’.
Dat is niet alleen denigrerend en beledigend. Het is racisme – maar dan gehuld in antiracistische logica. Terwijl blanken de vrijheid hebben om alles te doen en elke opvatting aan te hangen, dienen zij zich blijkbaar te houden aan dwingende, ongeschreven wetten.
Het is precies deze denkarmoede die het klimaat vergiftigt. En die ons geen stap verder zal brengen.

Tamboereren op afkomst

Nederlandse beroepsactivisten, ik vertel niks nieuws, importeren hun wijsheden rechtstreeks uit de Verenigde Staten. Alleszins verklaarbaar. Maar als je ziet hoe daar het racismedebat ontspoort, dan maakt die kopieerdrift niet vrolijk. Is dat ons voorland, er staat ons weinig goeds te wachten.
Kleine, maar veelzeggende illustratie is de enorme rol die zoiets onnozels als haardracht in de Verenigde Staten krijgt toegedicht. Volgens de schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie bijvoorbeeld (lees vooral haar geweldige roman Amerikanah) is haar ‘de perfecte metafoor voor ras’. Duizenden dollars, zei ze in een interview met dagblad Trouw, spenderen zwarte vrouwen aan nephaar en chemische behandelingen teneinde ‘aan het westerse schoonheidsideaal te voldoen’. Politiek is de kwestie ook. Had Michelle Obama een afrokapsel gedragen, dan was haar man Barack nimmer tot president verkozen. ‘Want dan zou ze als radicaal zijn weggezet.’
Heel best mogelijk. Maar wat nogal wringt is dat ook blanke vrouwen sinds mensenheugenis knoeien met het haar dat hun door de Schepper is toebedeeld. Krulharigen gebruiken de stijltang, dunharigen laten een permanentje zetten, brunettes verven het rood, boerenblondjes (zoals ik) kleuren het enkele tinten lichter. En niemand die op het idee komt om deze onvrede politiek-ideologisch te duiden.
Waarom zouden zwarte vrouwen zich wél gehoorzaam moeten neerleggen bij de natuurlijke feiten? Waarom is zangeres Beyoncé een verraadster als ze blonde strengen draagt? Wordt Michelle Obama haar ‘conservatieve steile bob’ nagedragen?
Ook dat is racisme, subtiel verpakt in antiracistische logica. En het zou me een lief ding zijn als dit soort kloverijen ons hier bespaard bleef.

Het allergrootste bezwaar tegen de beroepsactivisten en hun geestverwanten blijft het naargeestige determinisme dat ze uitdragen. Hun ideologie tracht ons allemaal – blank én zwart – vast te ketenen aan wat we bij onze geboorte hebben meegekregen. Klikt ons vast in wie we zijn. Negeert in één moeite door wat we daadwerkelijk doen. En heeft geen oog voor wie we willen of kunnen zijn.
Intussen houdt het tamboereren op afkomst de ongelijkheid alleen maar in stand. Waardoor de daders eeuwig daders dreigen te blijven, en de slachtoffers eeuwig slachtoffers.
Dat is ongetwijfeld een overzichtelijk scenario. Maar mij lokt het heel weinig aan.

Elma Drayer is journalist. Vanaf 1985 werkte zij als redacteur bij Vrij Nederland. In 2001 trad zij toe tot de redactie van Trouw, sinds dit jaar heeft ze een column in de Volkskrant. Haar laatste boek: Verwende prinsesjes. Portret van de Nederlandse vrouw (2010).