Een van de bekendste gebouwen in Amsterdam is de Wolkenkrabber, de eerste flat van Nederland. Over dit iconische gebouw en het andere werk van de architect Frits Staal bestond nog geen boek. Daar bracht Hans Bakx verandering in.
Zoals je bij de architect H.P. Berlage denkt aan zijn Beurs in Amsterdam, bij W.M. Dudok aan zijn Raadhuis in Hilversum, zo denk je bij J.F. Staal aan de Wolkenkrabber, het Twaalfverdiepingenhuis aan het Victorieplein in Amsterdam. Beroemd geworden vanwege zichzelf omdat het de eerste wolkenkrabber in Nederland was, maar ook omdat hij een belangrijke rol speelt in Willem Frederik Hermans’ roman De tranen der acacia’s. ‘Aan het einde van de laan stond de wolkenkrabber (…). Het gebouw leek zonderling hoog. Toen hij er dichtbij kwam, werd het vertrouwder en leek het minder kolossaal doordat de ramen zo vriendelijk dorps van proportie waren.’
De Wolkenkrabber werd een legendarisch gebouw doordat de vormgever en maker van tijdschriften (de Poezenkrant en Furore) Piet Schreuders er op kamers woonde in de jaren 1970-1976. Hij werd toen zo gefascineerd door Berlage, de Amsterdamse School en architect Staal dat hij een tijdschrift begon, zonder te weten hoe dat moest: de Wolkenkrabber, oplage tussen de 12 en 20 exemplaren, getypt en gekopieerd op Universiteitsbibliotheek met een behulp van een paar medestudenten Nederlands, zoals Rudi Kagie en Hans Groot.
In de rubriek ‘Observaties in verband met het Twaalfverdiepingenhuis’ werden aan de hand van tekeningen en foto’s bepaalde details van het gebouw uitgelicht. De magie van het gebouw ontstond voor Schreuders door de rol die het speelde in De tranen der acacia’s. Dat zorgde er ook voor dat hij in contact kwam met Hermans en nummer 7 van de Wolkenkrabber een speciaal W.F. Hermansnummer werd met een tekening van Hermans door Ron Kaal. Een van de ‘abonnees’, Wim Noordhoek, werkte bij de VPRO. Hij besloot in 1972 met Piet Schreuders een radioserie over de Wolkenkrabber te maken. Van Piet Schreuders’ Wolkenkrabber werden uiteindelijk acht afleveringen gemaakt. Nummer 8 was The Annotated Skyscraper.

Of het gebouw de Wolkenkrabber inmiddels een rijksmonument is weet ik niet, maar zeker is dat veel gebouwen van architect Frits Staal dat wel zijn geworden, zoals het gebouw ‘De Utrecht’ aan het Damrak in Amsterdam. Hoeveel er door de jaren heen ook over het iconische gebouw de Wolkenkrabber is geschreven, er was geen boek waarin het gebouw in samenhang met al het andere werk van architect Staal bij elkaar stond. Daar is nu verandering in gekomen met de monografie en oeuvrecatalogus die Hans Willem Bakx over hem heeft geschreven: Jan Frederik Staal 1879-1940. De wil van het gebouw en de wil van de tijd. Het verschijnen van het boek mag een wonder heten omdat een flink deel van Staals archief verloren is gegaan. Toch is het Bakx met veel foto’s en toch nog geredde werktekeningen een tamelijk compleet beeld van Staals werk te geven. Bovendien schrijft hij tussen de regels door (en in de vele noten) een kleine cultuurgeschiedenis van de architectuur in de eerste helft van de twintigste eeuw.
Staal was in 1901 net tweeëntwintig toen hij zich aanmeldde als lid van het Amsterdamse Genootschap Architectura et Amicitia.
Toen moest hij zijn praktijk als architect nog beginnen. In 1903-1905 werkte hij met A.J. Kropholler aan het kantoorgebouw ‘De Utrecht’ aan het Damrak (nr 28-30), dat er nog steeds in oude luister staat, behalve de onderkant. Het Gebouw was duidelijk schatplichtig aan de architect die aan de overkant van de straat de Beurs had gebouwd: Berlage.
Staal was duidelijk een architect die wilde vernieuwen. Hij had een grote belangstelling voor materialen en voor constructiemethoden. Hij nam zitting in schoonheidscommissies van de gemeente Amsterdam om te voorkomen dat ondermaatse ontwerpen zouden worden uitgevoerd. Hij wilde niet dat de bouwkunst te grabbel werd gegooid (hij maakte verschil tussen bouwkunst en bouwkunde). Bakx noemt hem een man van de wereld, ‘niet alleen in verschijning’, omdat hij lid was van verscheidene Amsterdamse clubs en vrienden had in de kunst- en muziekwereld, zoals de Wagnervereniging, de Amsterdamse Schouwburg en beeldhouwers als Hildo Krop. Hoezeer ook man van de wereld, Staal was in de jaren 1919-1922 ook propagandist van de Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectuelen. Uit het spaarzame dat uit zijn archief is gered, blijkt dat hij graag reisde. Hij maakte onder meer een reis naar Spanje met H.T. Wijdeveld, de hoofdredacteur van het gerenommeerde tijdschrift Wendingen, waarvan Staal ook een tijd redacteur was en waarin hij regelmatig schreef. Bakx noemt Staal ‘een zoeker’, iemand die niet het voor de hand liggende deed, maar op zoek was naar het vernieuwende. Zijn compagnon voor acht jaar, A.J. Kropholler, was ‘een vinder’, iemand die bereid was zich meer aan te passen aan anderen.
Wanneer Staal in de jaren twintig het Veilingsgebouw in Aalsmeer bouwt, de Doopsgezinde Kerk in dezelfde plaats en meedoet aan vier prijsvragen waarvan hij er twee wint voor filialen van de Bijenkorf in Den Haag en Rotterdam, heeft hij de grote invloed van Berlage’s rationalisme achter zich gelaten, en zich tot het expressionisme van de Amsterdamse School gewend. De Beurs van Berlage kwam tegenover het ‘wildere’ Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade te staan. De jonge generatie waartoe Staal behoorde, vroeg om ‘wat wildheid tegen de tamheid’. In Wendingen schreef Staal in 1919: ‘Of is het dat ook wij, in het tamme land van platte vierkante veldjes tussen rechte ondiepe slootjes hopen, hopen op wat wildheid tegen de tamheid, op wat hoge opstandigheid tegen de platliggende ingedeelde vlakheid.’ Van Berlage ‘mocht’ veel niet. De jongeren wilden ‘onbeschaamd’ eclectisch kunnen zijn, uit verschillende bronnen kunnen putten. Geen vlakke harmonie meer, maar een opgevoerde spanning van contrasten. Staal blonk uit in ornamenten.
Weerzinwekkende knoeiboel
Staal ontwierp gebouwen waar je regelmatig langskomt zonder dat je weet dat hij de architect is: het winkel- en kantoorgebouw aan de Raadhuisstraat in Amsterdam waar je onderdoor kunt lopen (1904-1907). De drie aaneengesloten winkelpanden aan de Heiligeweg in Amsterdam die werden gebouwd voor de muziekwinkel van Kettner (1906). Het langgerekte woonhuizencomplex van de Samenwerking aan de J.M. Coenenstraat (1919-1924). Het oude gebouw van De Telegraaf aan de Nieuwe Zijdsvoorburgwal (1927-1930). De stadsvilla’s in het Willemspark in Amsterdam (1911). Niet Amsterdam, maar in Bergen: de villa’s in park Meerwijk (die helaas werden ‘verhannesd’ door ingrepen van de aannemer en de opdrachtgever zodat Staal het uiteindelijk ‘een weerzinwekkende knoeiboel’ vond).
Ook boeiend zijn de verhalen die Bakx vertelt over wat er allemaal niet doorging. Je begrijpt daaruit dat architectuur gelijkstaat aan een gewis avontuur. Je kunt nog zoveel prijsvragen winnen, maar dat wil nog niet zeggen dat wat je ontworpen hebt ook zal worden gebouwd. Dat is Staal meerdere keren overkomen. Zoals in de tweede helft van de jaren twintig met het Museum- en Wagnertheater dat op het Museumplein in Amsterdam zou komen. Ontwerp bekroond, gemeenteraad akkoord, financiering rond. Maar dan ontstaat er burgerprotest: men vindt het te groot, het neemt te veel ruimte in. Er kwam niets van het operagebouw, het Wagnertheater, en dat was uiteindelijk een geluk bij een ongeluk want zeven maanden later brak de beurskrach van 1929 uit. Er zou geen geld geweest zijn voor de bouw.

Een flink deel van Staals leven werd in beslag genomen door de Beurs van Rotterdam, een opdracht die zo’n veertien jaar aansleepte tussen 1926 en 1940, het jaar van zijn dood. Hij ging bijna elke dag met de door zijn zoon George gereden auto naar Rotterdam en kwam half gebroken laat thuis. Het was een gecompliceerde opdracht die nog ingewikkelder werd door de veranderingen die steeds buiten hem om werden aangebracht: hij moest steeds puzzels oplossen terwijl de puzzelvormers steeds nieuwe stukjes aanbrachten, zoals Bakx beeldend zegt. Het gebouw werd een hybride, een bricolage, met moderne elementen en traditionele onderdelen. Uiteindelijke tweeslachtig, zodat ‘het ene idioom langs het andere schuurt’, schrijft Bakx.
Met zijn Wolkenkrabber zorgde Staal voor een iconisch bouwwerk. Het gebouw leidt door het boek van Bakx nu ook naar het andere werk van Staal, waarin Berlage, de Amsterdamse School en het Nieuwe Bouwen stilistisch te herkennen zijn, maar die in het werk van Staal volgens Bakx ‘tot een klinkende synthese’ zijn gebracht.
Jan Frederik Staal 1879-1940 is uitgegeven door de Stichting Bonas/Het Nieuwe Instituut
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.