Onlangs belde een vriend, laat ik hem Jan noemen. Met enige opwinding in zijn stem vertelde Jan dat hij zijn huis én zijn vakantiehuis in de verkoop had gegooid. Hij was het Nederlandse confectiewonen zat, het pendelen tussen twee woningen ook, en ging nu zelf zijn droomhuis bouwen op zijn nog op te sporen droomperceel. Een goed idee, vond ik met recht van spreken, want ik was hem hierin kort tevoren voorgegaan. Maar met al mijn eigen bouwtrauma’s wilde ik hem één welgemeend advies meegeven: praat met mensen die dit eerder deden. ‘Ja, nee,’ riposteerde Jan, ‘ik heb een vriend, die zit in de bouw, die gaat een oogje in het zeil houden. Dat zit wel snor.’
Droomhuis
