Weer een oorlog in Europa. Dagelijks beelden van geweld, van lijden, van doden. Ondertussen hebben ons ook beelden van massagraven bereikt. Forensische wetenschappers zijn al begonnen om een massagraf in Boetsja te onderzoeken.
De beelden brachten me terug naar die andere tamelijk recente oorlog in Europa. Het uiteenvallen van Joegoslavië en de daaropvolgende burgeroorlog die zich tussen 1991 en 1995 voltrok, heeft naar schatting 140.000 slachtoffers gemaakt. Het dieptepunt was de deportatie en executie van 8.372 islamitische Bosnische mannen en jongens, uit de ‘veilige enclave’ Srebrenica. Servische troepen wisten in juli 1995 de enclave binnen te dringen en deporteerden deze mannen onder het toeziend oog van Nederlandse VN-militairen. Inmiddels staat onomstotelijk vast dat het ging om genocide, maar het bewijs lag niet voor het oprapen. Misleiding, alternatieve verhalen en vergetelheid liggen altijd op de loer.
Bewijs verzamelen
Nog geen twee weken na het misdrijf werd de Franse politiecommissaris Jean-René Ruez namens het Joegoslaviëtribunaal naar Bosnië gestuurd om bewijs te verzamelen en zo inzicht te krijgen in wat er feitelijk was gebeurd. Omdat de Bosnische Serviërs er lucht van hadden gekregen dat Ruez op zoek was naar de massagraven, besloten ze hun sporen te wissen en bewijsmateriaal te vernietigen. Ze openden de massagraven en haalden de lichamen er met bulldozers uit om ze een paar kilometer verderop verspreid te ‘herbegraven’. Daardoor raakten lichamen en lichaamsdelen verspreid over verschillende locaties. Zo zijn resten van één lichaam op zeven verschillende locaties teruggevonden. In 1997 werden met behulp van satellietbeelden 26 zogenoemde secundaire massagraven gevonden. Inmiddels zijn er alleen in Srebrenica 91 secundaire en zelfs tertiaire massagraven ontdekt.
Het onderzoek van de vele massagraven leverde een duidelijk beeld op. Duizenden mannen waren geblinddoekt en/of met gebonden handen geëxecuteerd.
Een zeer groot internationaal forensisch team bestaande uit forensisch antropologen, archeologen en pathologen nam het minutieuze werk op zich om de lichamen en al het bewijsmateriaal te verzamelen en te systematiseren. Op basis van identiteitsbewijzen, die sommige mannen dicht op of zelfs in hun lichaam hadden verstopt, of op basis van kleding en andere identificerende kenmerken, kon het geven van namen aan deze slachtoffers beginnen. Maar het leeuwendeel van de identificatie vond plaats op basis van DNA.
Een van de uitdagingen van het forensisch onderzoek was het feit dat lichamelijke resten in massagraven vermengd raken.
In 1996, bij het tekenen van het Dayton Vredesakkoord, initieerde toenmalig president van de VS Bill Clinton de International Commission on Missing Persons (ICMP). Het mandaat van de ICMP was om met de beste DNA- en andere forensische technieken te helpen om de lichamen van veertigduizend vermiste personen op te sporen en te identificeren.
Het belangrijkste wapenfeit van de ICMP is de identificatie van 6.877 van de 8.372 Bosnische mannen en jongens.
Een van de uitdagingen van het forensisch onderzoek was het feit dat lichamelijke resten in massagraven vermengd raken. Dat kan het DNA-onderzoek beïnvloeden. Het DNA dat voor de identificatie werd gebruikt, werd verkregen uit botmateriaal en tanden. Maar de identificatie nam pas een vlucht toen de ICMP gevoeligere PCR-technieken, die toen werden ontwikkeld, introduceerde. Daarmee werd het mogelijk om ook uit vermengd materiaal goede DNA-profielen op te stellen. Die profielen konden dan vergeleken worden met het DNA van levende familieleden.
Tweederde van de slachtoffers in de 91 massagraven in Bosnië bleek te zijn geblinddoekt. Alsof de blinddoek de dader van een misdrijf helpt te vergeten dat hij een misdrijf begaat en dat er een mens tegenover hem staat. Het slachtoffer kan jouw blik immers niet beantwoorden. Dit staat symbool voor het systematisch vergeten. Zoals mijn collega-antropologe Sarah Wagner uitlegt in haar boek To Know Where He Lies. DNA Technology and the Search for Srebrenica’s Missing, was het doel van de Bosnische Serviërs om de aanwezigheid van de moslims in de enclave Srebrenica teniet te doen en tegelijkertijd alle bewijzen van hun daad te vernietigen, ‘to create the illusion that their victims never existed’.
Een vergeten plaats
In Bosnië was het (doen) vergeten onderdeel van het misdrijf. Maar soms maakt systematisch vergeten deel uit van een nalatige staat of een politiek bestuur.
Eind maart was ik samen met de Syrische documentairemaakster Batoul Karbijha in het zuiden van Tunesië. Karbijha maakt een film over haar zus Maysoon, die de overtocht van Libië naar Lampedusa niet heeft overleefd.
Omdat ik sinds 2016 onderzoek doe naar het forensisch werk rond verdronken vluchtelingen in Tunesië, had Batoul contact met me gezocht. Ik was al bekend met haar verhaal, of eigenlijk het verhaal van haar vermiste zus Maysoon. Terwijl Batoul samen met haar moeder en tweede zus vanuit Libië al veilig op Europese bodem was aanbeland, stapten haar vader, broer en zus Maysoon later op een boot. Die boot kapseisde op 24 augustus 2014 bij de Tunesische zuidkust. Van de 712 opvarenden hebben 488 het overleefd, onder wie Batouls vader en broer.
Een deel van de slachtoffers spoelde aan op de kusten van Libië en Tunesië. Vlak bij het Tunesisch havenstadje Zarzis, waar ik oorspronkelijk vandaan kom, werden 54 lijken op het strand gevonden. Overdonderd door dit aantal, en in de vooronderstelling dat niemand naar hen op zoek zou gaan, werden de lichamen zonder forensisch proces in een massagraf begraven.
Omdat de laptop van Maysoon in het zuiden van Tunesië werd gevonden, werden Zarzis en het zuiden van Tunesië deel van Batouls zoektocht naar haar zus.
Het massagraf lag bij het haventje van El Ketf, vlakbij de Libische grens. De filmploeg had officiële toestemming om daar te kunnen filmen.
Naast het massagraf was een militaire post, het is immers een grensgebied.
Na een aantal interviews in Zarzis reden we in een busje naar dit grensgebied voor opnames bij de ‘begraafplaats’. Het was bevreemdend te zien hoe de plek erbij lag. Een dor stuk land met wat zandhopen en verdwaalde stenen, omringd door enorme hopen bouwpuin. Een vergeten plaats, dacht ik meteen.
Terwijl we daar verdwaasd rondliepen, werden we verderop via verrekijkers door militairen in de gaten gehouden. Niet veel later haalde een militaire auto ons op. Camera’s en telefoons werden geconfisqueerd. Hadden we wel toestemming van het ministerie van Defensie om hier te filmen? We legden het verhaal uit en vertelden dat we toestemming hadden van de lokale autoriteiten, inclusief de politie. Die kon dit bevestigen, maar gaf ook te kennen dat de begraafplaats volgens hen zo’n vier kilometer verderop was.
Het werd ons al snel duidelijk dat we het over twee verschillende begraafplaatsen hadden. De politie bedoelde een begraafplaats waar in de afgelopen jaren een klein aantal verdronken migranten ter aarde was besteld, maar dat was niet de begraafplaats van 2014.
We hopen dat de 54 slachtoffers op niet al te lange termijn geïdentificeerd kunnen worden. De Syrische families zijn op zoek naar hun familieleden en de forensische mogelijkheden bieden veel hoop. Dat vissers, militairen en politie dagelijks langs een massagraf lopen zonder van het bestaan ervan weten, geeft de urgentie aan. Vergeten ligt op de loer.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.