Niet alleen in onze tijd verschijnt het ene na het andere boek over hoe gelukkig te worden. Dat was al zo in de achttiende eeuw, al probeerde Julien Offray de Lamettrie vooral een verklaring te vinden voor het verlángen naar geluk.

Het over geluk hebben maakt geluk al minder gelukkig. Dan is het ineens een serieus onderwerp, iets waarover nagedacht wordt en niet meer vanzelfsprekend is. Mensen zijn meestal het gelukkigst op momenten dat ze het niet in de gaten hebben. Ze zijn zich dus niet bewust van hun geluk op het moment dat ze gelukkig zijn. Toch zorgt de herinnering aan geluk in het verleden in het heden voor een onvervalst moment van geluk. Dat is retrospectief geluk. Het is wel niet het ware geluk, maar toch zeker second best. En je kunt het bewaren.

Echt geluk is alleen weggelegd voor boeddhisten. Voor een boeddhist is geluk een tautologie: ‘Er is geen weg naar geluk. Geluk ís de weg’. Maar dan moet je boeddhist worden en dat betekent dat je je een heel specifieke levensstijl moet toe-eigenen, waar veel kanten aan zitten die je wel eens óngelukkig kunnen maken. Eigenlijk is het niet zo beschaafd om het over geluk te hebben. Het is te persoonlijk, het gaat andere mensen niets aan. Zoals men vroeger niet zei op welke partij men ging stemmen, zo was geluk geen onderwerp om het over te hebben. Het is ook te veel een boekhoudkundige aangelegenheid: door het over geluk te hebben moet de balans worden opgemaakt. Dat is iets voor boekhouders, niet voor mensen.

Zoals men vroeger niet zei op welke partij men ging stemmen, zo was geluk geen onderwerp om het over te hebben.

Dat psychologen het over geluk hebben is nog te begrijpen. Dan gaat het om individuen. Maar zodra sociologen het doen wordt het serieus: dan gaat het over groepen en komt een ‘geluksindex’ op de proppen aan de hand waarvan het geluk gemeten wordt. Individuele verschillen delven het onderspit. Dat iemand tot de categorie ‘rijken’ behoort, maar ongelukkig is in de liefde, valt dan buiten de waarnemingen. Dat iemand tot de ‘armen’ behoort, maar spint van liefdesgeluk, wordt niet gezien. Wanneer filosofen het over geluk hebben is het veel algemener, minder dwingend, vrijblijvender. Er wordt dan gefilosofeerd: men zet een boom op. Dat is gedaan door Aristoteles en Rousseau, door Seneca en Jefferson, door Epicurus en door spirituele geesten als Paul Coelho.

Dat de verlichte arts-filosoof Julien Offray de Lamettrie (1709-1751) zich er ook aan bezondigd heeft was niet tot mij doorgedrongen, terwijl ik toch met vrucht zijn De mens een machine (1748) heb gelezen. Je verwacht van de schrijver van De mens een machine niet dat hij zich over zo iets onmachinaals als het geluk buigt. Toch is dat wat Lamettrie deed aan het eind van zijn leven met het nu door Jabik Veenbaas vertaalde Het geluk. Anders dan de titel De mens een machine suggereert, is de mens helemaal niet zo letterlijk een machine bij Lamettrie. Het is een metafoor, om te laten zien dat het menselijk lichaam een prachtig werkend mechaniek is: ‘een machine die haar eigen veer opwindt, het levend voorbeeld van een perpetuum mobile.’

Het is anderzijds meer dan een metafoor omdat Lamettrie een uitgesproken ‘materialist’ was, iemand die alles terugbracht naar de werking van de materie, in dit geval het menselijk lichaam. De geest viel voor Lamettrie samen met het lichaam. Lichaam en geest waren één: er was geen sprake van dualisme tussen lichaam en geest zoals bij Descartes. Dat materialisme kwam Lamettrie duur te staan, want het betekende ook een breuk met de metafysica van het Christendom: geen bovennatuurlijke verschijnselen meer, geen heilige geest, geen genade uit de hemel. Het was ook een breuk met het naïeve rationalisme van de zeventiende eeuw, dat in abstracties dacht: Lamettrie baseerde alles op de natuur, de materie, de aarde en de ervaring: ‘Alles is materie, ook de ziel.’

Het instinct en het gevoel zijn sterker dan de rede.

Anders dan die menselijke machine en dat materialisme doen vermoeden, is bij Lamettrie niet de machine, maar het gevoel de baas. Het instinct en het gevoel zijn sterker dan de rede: ‘Denken is enkel een wijze van voelen, een gevoel dat op een bepaalde manier verinnerlijkt is.’ De rede, hoe nuttig ook, beschouwt hij als een bedrieglijk instrument: redeneringen kunnen alle kanten op gaan. De rede is ook een middel waarmee gemanipuleerd kan worden. Lamettrie zegt dat ons lichaam, de bloedsomloop en onze gevoelens ‘de waarheid’ spreken. Ze zijn betrouwbaarder dan de rede. Maar wat als die gevoelens de neiging vertonen iemand zo te haten dat het verlangen opkomt hem te vermoorden? Dan mogen die gevoelens wel de waarheid spreken (dat iemand gehaat wordt), maar er wordt dan wel een moord gepleegd.

Lamettrie zet zich zo polemisch af tegen het rationalisme en het Christendom dat hij een eigen, onafhankelijke positie inneemt in het denken van zijn tijd. Waar Diderot een gematigd materialist is, is Lamettrie een radicaal. Dat radicalisme gaat zo ver dat het lichaam bij Lamettrie in alles de dienst uitmaakt. De gelukkigste mensen zijn mensen met een ‘goede organische structuur.’ Die zijn nooit een hele dag treurig of troebel. Maar ondertussen zijn we volgens Lamettrie wel radicaal afhankelijke wezens, gebonden aan de ‘kluisters en ketenen die we bij onze geboorte hebben ontvangen en die ons tijdens ons hele slavenleven blijven volgen.’ Lamettrie blijkt een radicale determinist. Afgezien van de bloedsomloop zijn we ook afhankelijk van het land en het klimaat waarin we wonen. We zijn afhankelijk van ons temperament volgens de temperamentenleer van Galenus. Stemmingen, humeuren en karakters worden bepaald door onze organen.

Het geluk is met zoveel polemisch animo geschreven dat de vele paradoxen je bijna ontgaan. Hier is een gulzig levend iemand aan het woord die zich keert tegen het stoïcisme omdat het de levensvreugde wantrouwt, pijn en ellende niet als kwaden ziet, maar als zaken die men moet verdragen. Pijn, de ontwrichting van de machine van lichaam en ziel, beschouwt de arts Lamettrie erger dan ‘de omverwerping van wereldrijken.’

Het geluk is met zoveel polemisch animo geschreven dat de vele paradoxen je bijna ontgaan.

Tegenover, en bijna in tegenspraak, met dat gulzige leven staat dat Lamettrie de mens maar een beklagenswaardig wezen vindt dat ‘in algemene zin slecht geboren’ wordt. Alleen een behoorlijke opvoeding kan hem redden. En ook met die ondersteuning zijn er nog meer slechte dan goede mensen. Wat betekent dit voor het geluk? Hoe opstandig en eigenzinnig Lamettrie ook is, hij is gekluisterd aan zijn determinisme. Geluk is niet iets waar je zelf voor kunt zorgen, volgens Lamettrie. Geluk kun je net zo min als ideeën verwerven: het is ‘vrijwel alleen afhankelijk van ons temperament.’ Uiterlijke omstandigheden kunnen er maar weinig aan toevoegen. Rijkdom een klein beetje.

Seneca, door Lucas Vorsterman

Het is alsof hij tegen zijn eigen determinisme in opstand komt wanneer De Lamettrie aan Seneca en het stoïcisme denkt. Wanneer Seneca het over de lust in De beata vita heeft vergelijkt hij die met de korenbloem in een veld koren. Die is daar gekomen door het toeval van wind en zaad. Zo, op die manier, bloeit ook de lust ‘op de weg van de deugdzame man’, als een lieflijk incident. Dat vindt De Lamettrie ‘stoïsche onverschilligheid’ die slordig omgaat met ‘de weldaden van de natuur’ die ‘intense liefde en dankbaarheid verdienen.’ De Lamettrie wil de lust niet laten samenvallen met geluk, maar het zou schandalig zijn als we ons deze ‘flitsen van geluk’ zouden ontzeggen: die kunnen we ‘niet missen zonder dat de vreugden van ons leven onvolmaakt en beknot worden.’ De ‘kleine wonden die het hart zo dikwijls doen bloeden, zouden worden beroofd van de enige balsem die ze verzacht en heelt.’

Lamettrie kreeg zowel met De mens een machine als met Het geluk zoveel problemen dat hij uit Frankrijk moest vluchten. Frederik de Grote nodigde hem in 1748 uit en maakte hem tot onderdeel van de entourage die hem moest voorzien van substantiële conversatie en prikkelende ideeën. Men was wel op zijn hoede voor Lamettries ‘gevaarlijke verbeeldingskracht’ en ‘losbandigheid’, maar liet hem zijn gang gaan. Hij ging in Potsdam De beata vita van Seneca vertalen, maar gebruikte de gelegenheid om een eigen geschrift te vervaardigen: Het geluk. Dat viel niet goed. Het werd min of meer illegaal onder de neus van Frederik de Grote gedrukt. Die ontplofte toen hij er kennis van nam en zou eigenhandig tien exemplaren in het vuur hebben gegooid.

Wat gaf in Het geluk zoveel aanstoot? Een consequentie van Lamettries determinisme was dat hij een moreel relativist werd: goed en kwaad waren voor hem veranderlijke grootheden, afhankelijk van plaats en tijd. Ze werden bepaald door de belangen in de samenleving – op zichzelf waren ze niets. In de ene tijd is iets een deugd, in de andere een ondeugd. En als het om criminaliteit gaat: wanneer alles al bij je geboorte vastligt, en dat daar goed beschouwd niet veel aan te veranderen valt (al is dat weer in tegenspraak met de goede opvoeding die Lamettrie ook bepleit), dat kunnen misdaden niet honderd procent de schuld zijn van de schurk: het was voorbeschikt, hij kon er niets aan doen. La Mettrie wilde dat er ‘wat gelatener met de misdaad wordt omgegaan.’ Hij wilde een eind maken aan het bestaan van ‘absolute kwaden’. ‘Ik verdedig de slechtheid niet, die te zeer met mijn karakter in tegenstraak is. Ik heb er alleen medelijden mee, omdat ik er een reden voor vind in de organische structuur zelf, die soms onmogelijk te bedwingen is.’ Lamettrie was zonder meer te radicaal in dit opzicht. Voor Voltaire was hij ‘volstrekt krankzinnig’ geworden. Het zal niet speciaal aan Lamettrie hebben gelegen, maar in de rechtspraak is men uiteindelijk toch rekening gaan houden met de specifieke omstandigheden van de verdachte en met zijn toerekeningsvatbaarheid.

Lamettries morele relativisme gaf zoveel aanstoot omdat het samenging met nog een andere provocatie: hij wilde dat de schuldgevoelens verdwenen. Dat waren nutteloze ‘beulen’. ‘Schuldgevoelens’, schreef hij, ‘lijken een te zware belasting te vormen voor de machines die even beklagenswaardig als slecht gestructureerd zijn, die even sterk worden aangetrokken door het kwaad als de goeden door het goede.’ Hij wil de misdadiger ‘de last’ van het schuldgevoel ontnemen omdat zijn machine bij zijn geboorte ongelukkigerwijs verkeerd was ingesteld. Dat heeft iets aandoenlijks, maar zijn verlichte tijdgenoten vonden het te gek. Diderot schreef bij zijn dood dat hij gestorven was zoals hij sterven moest, ‘op het offerblok van zijn eigen onmatigheid en zotternij.’ Het is vooral de combinatie van het Lamettries temperament, zijn determinisme en zijn libertinisme die Het geluk tot een intrigerend geschrift maakt.

Het geluk van Julien Offray de Lamettrie is uitgegeven door de Wereldbibliotheek.