Als er iets moet gebeuren bij het zien van de stromen vluchtelingen, is het je proberen te verplaatsen in hun lot. Daar is empathie voor, een onderwerp van menig boek de laatste tijd.
De voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker kreeg tranen in zijn ogen bij het zien van de duizenden vluchtelingen aan de grenzen van Kroatië en Slovenië. Juncker deed wat jongeren in Montfoort en Steenbergen vorige week niet deden tijdens bijeenkomsten over het eventueel inrichten van een asielzoekerscentrum in hun stad: zich verplaatsen in de situatie van de vluchtelingen.
Zich inleven in het lot van andere mensen noemde de Schotse filosoof en econoom Adam Smith in zijn Theory of Moral Sentiments (1759) ‘morele verbeelding’. De naam van Adam Smith valt de laatste tijd vaak omdat hij ongeveer de eerste was die het over empathie had, de morele gevoeligheid waarmee je je kunt inleven in de gevoelens en het lot van anderen. Omdat neurologen in onze eigen tijd hebben ontdekt dat zich in de hersenen een ‘empathisch circuit’ bevindt dat het bij beschadiging onmogelijk maakt nog te begrijpen wat andere mensen voelen, is men al gauw gaan zeggen dat de mens een ‘homo empathicus’ is en geen ‘homo zelfcentricus’, een narcist, zeg maar.

De vele boeken over empathie van de laatste tijd (Jeremy Rifkins The Empathic Civilization, Frans de Waals Een tijd voor empathie, Roman Krznaric’ Empathie en Examens in empathie van Leslie Jamison) zijn over het algemeen erg optimistisch over het natuurlijke vermogen van mensen zich in te leven in de zorgen van anderen. Roman Krznaric heeft het zelfs over een op handen zijnde ‘empathierevolutie’ en een ‘empathiemuseum’, ‘een speelplaats waar mensen geestelijk kunnen samensmelten met anderen.’ Hij moet zo nodig van empathie een nieuwe religie maken, inclusief monsterlijke neologismen. Zo moet het aloude ‘introspectie’ worden vervangen door ‘uitrospectie’ omdat er niet meer naar binnen, maar naar buiten gekeken moet worden.
Dat is des te pijnlijker nu elke dag blijkt hoe lastig het voor veel mensen is om zich voor te stellen hoe het is om vluchteling te zijn. De twee uitersten bij het zien van de vluchtelingenstroom, sentimentaliteit en agressief geschreeuw, zijn kosteloze emoties. Het vereist enige moeite en emotionele intelligentie om je voor te stellen wat de meeste vluchtelingen is overkomen: dat ze hun huis hebben moeten verlaten, alles waaraan ze gehecht zijn, hun huisdier, de fotoalbums, de boeken, het kinderspeelgoed, de tuin, een oude moeder en hun vrienden. Om vervolgens ergens aan de grens van Slovenië in de regen te gaan staan met een deken als enige bescherming. Dan is het hardvochtig om tijdens een informatiebijeenkomst te schreeuwen dat er ‘niemand meer in’ mag, en dat het ‘landverraders’ zijn die vluchtelingen wel willen opnemen. Er zijn foto’s waarop honderden mannen te zien zijn tussen de twintig en vijftig met alleen een mobieltje en een paspoort in hun achterzak. Als ze daar niet waren geweest, waren ze dood geweest.
Beter dan de mens tot homo empathicus uit te roepen en met een variatie op Descartes’ ‘Ik denk, dus ik ben’ te zeggen ‘jij bent, dus ik ben’, is het hem te zien als David Hume: we hebben allemaal ‘een stukje van de duif in ons, samen met delen van de wolf en de slang.’ Dit is een wat realistischer uitgangspunt dat ruimte laat voor de duif om nog wat te groeien wanneer hij de schrijnende persoonlijke verhalen achter de gezichten van vluchtelingen hoort. De anonieme stromen die over de grenzen komen, moeten zo snel mogelijk geïndividualiseerd worden door hun verhaal aan te horen: vertel, dus je bent.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.