‘Emotioneel geraakt’ willen worden is de nieuwste uitdrukking van het verlangen om ergens in op te gaan. In een kleine veertig korte essays vragen de auteurs van Beïnvloeden met emoties zich af hoe schrijvers, politici, filmers en componisten dat voor elkaar krijgen.
Benjamin Franklin was het prototype van de verlichte geest. Hij was niet alleen een van de oprichters van de Verenigde Staten, hij vond ook de bliksemafleider uit en bedacht de termen ‘positieve’ en ‘negatieve elektriciteit’. Hij gaf vijfentwintig jaar lang een informatieve en humoristische Almanak uit en bedacht de eerste vorm van de Openbare Bibiotheek. Hij had ook een sterk rechtvaardigheidsgevoel.
Toen in 1747 de emotionele toespraak werd gepubliceerd die Polly Baker voor de rechtbank had gehouden omdat zij veroordeeld dreigde te worden voor het baren van een ‘bastaard’, was dat het onderwerp van gesprek in alle koffiehuizen van Connecticut tot Londen. Is een vrouw schuldig als ze, verleid door een huwelijksbelofte, zwanger is geraakt van een man die haar prompt verlaat?
Het werd een typische kwestie voor verlichte, op gelijkheid uit zijnde denkers. Maar de toespraak bleek het werk van Benjamin Franklin: het was één van zijn vervalsingen. Op dezelfde manier had hij op zijn zestiende al de figuur van een oudere weduwe bedacht, Silence Dogood, een vrouw die kritische brieven schreef over sociale misstanden. Die werden in de New England Courant gepubliceerd, de krant van Franklins broer James. Die wist niet dat Benjamin de schrijver was. Al Franklins vervalsingen stonden in het teken van ‘to do good.’
In Beïnvloeden met emoties, een verzameling korte essays over ‘pathos en retorica’ in toespraken, reclame, advocatuur, muziek, journalistiek, film en beeldende kunst, beantwoordt Jacqueline Hylkema de vraag waarom Franklin de fictieve Polly Baker gebruikte om deze sociale misstand aan te kaarten. De reden daarvoor was afkomstig uit het handboek van de retorica: dat handboek leert dat het hart van het publiek eerst geopend moet worden door middel van pathos (emotie). Is dat eenmaal het geval, zoals met de emotionele toespraak van Polly, dan kan de redelijke argumentatie (logos) zijn zegenende werk doen en de misstand helpen oplossen.
Pathos en retorica zijn sinds Quintilianus’ handboek De vorming tot redenaar (95) neutrale emotionele en verbale middelen om een boodschap over te brengen: ze kunnen voor alles gebruikt worden, ten goede en ten kwade. Het bespelen van hart en hoofd gebeurt door Barack Obama en door Geert Wilders, door Josef Stalin en Winston Churchill, door Joseph Goebbels en Martin Luther King. Een goed voorbeeld is het gebruik van de anafoor, het retorische stijlmiddel waarbij steeds woorden of zinsdelen worden herhaald.

Dat deed Geert Wilders bij de behandeling van het regeerakkoord in 2012: ‘Wat een enorme bende. Wat een aanfluiting. Wat een wanvertoning. Wat een blamage, een blamage voor dit kabinet, een blamage voor Nederland, een blamage voor onze “sorry-premier”.’ En zoals Barack Obama regelmatig doet wanneer hij zinnen begint met ‘Hope is…’. Of met zijn bekendste: ‘Yes we can’, het laatste deel van een zin waarmee hij volgens Jaap de Jong in zijn artikel over Obama als retoricus iedereen bij elkaar brengt omdat we ‘het allemaal kunnen’ of hebben gekund: ‘de stichters van de VS, slaven en afschaffers van de slavernij, pioniers, vakbonden, suffragettes, het ruimteprogramma, Martin Luther King en arbeiders zonder voorrechten.’ Maar ook de propagandaminister van Hitler, Joseph Goebbels, gebruikte de anafoor wanneer hij het Duitse volk in zijn toespraken dwingende vragen stelt: ‘Ik vraag jullie: geloven jullie met de Führer… Ik vraag jullie: vertrouwen jullie de Führer? Ik vraag jullie: willen jullie de totale oorlog?’
Alles hangt af van de waardering die je hebt voor het politieke gedachtegoed van de redenaar.
Het verschil tussen deze redenaars, die alle drie gebruik maken van de drie vereisten van Aristoteles voor een goede toespraak: logos (argumentatie), ethos (persoonlijkheid) en pathos (emotie), zit hem in het ethos, de persoonlijkheid van de redenaar. Alles hangt af van de waardering die je hebt voor het politieke gedachtegoed van de redenaar. Daarvoor ben je bereid je te laten beïnvloeden.
Maar hoe neutraal die retorische middelen op zichzelf ook zijn, wie er een schaamteloos en wellustig gebruik van maakt (zoals Wilders en Goebbels), geen maat weet te houden, er helemaal in opgaat, zet zich vanzelf buitenspel als een goede redenaar. Retorische middelen moeten terughoudend aangewend worden, niet al te opzichtig, niet te verlekkerd, eerder terloops, bij toeval, liever spontaan dan vooraf berekend. Aan deze terughoudendheid herken je de goede redenaar.
Het aardige aan Beïnvloeden van emoties is dat het om beknopte essays gaat over concrete gevallen op diverse gebieden, zonder de theorie te verwaarlozen. Het gaat over zulke diverse onderwerpen als de impact van het Laocoön-beeld, het schilderij Kindermoord van Rubens, de toespraak van Timmermans voor de VN over de vliegramp met de MH17, de emotionele beeldvorming rond Poetin, de rol van de muziek van Mahler in Death in Venice, de pathos en de parodie in Rabelais, het laatste album van Jacques Brel, de film Purple Rain uit 1984 van Prince, de propagandafilmpjes van IS, het pathos van de ene waarheid in de literatuur van de DDR, en de vraag waar de ziel zich in het lichaam bevindt (in het hart, het brein of de pijnappelklier?) of dat hij samenvalt met het lichaam.
Die theorie over de rol van de emoties zegt, bij monde van de Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman in zijn boek Het feilbare denken, dat er twee processen actief zijn waarbij de eerste nauwelijks denkkracht kost. Dat gaat automatisch. Dat zorgt razendsnel voor een voorkeur op grond van emoties, herkenning en stereotypen. Hier zijn de intuïtie en de onderbuik aan het woord. Dat levert meteen een voorkeur en oordeel op. Het tweede proces treedt lang niet altijd op. Dat is het rationale proces, dat ons behoedt voor fouten, vooral als het gaat om ingrijpende keuzes.

Vreemd is wel dat in de inleiding van het boek op een vanzelfsprekende manier gesproken wordt over ‘onze emotiemaatschappij’, alsof dat een vaststaand feit is en geen vragen oproept. Dat zou betekenen dat logos en ethos permanent een ondergeschikte rol zouden spelen. Dat lijkt mij in de geest van de retorica een te hyperbolische conclusie. Er mag in eerste instantie veel intuïtief gebeuren, de logos zit het pathos op de hielen. Dat komt door de geschiedenis die alles heeft en door de ervaring: die dringen zich aan het intuïtieve oordeel en de voorkeur op, zodat de logos de intuïtie kan corrigeren of bevestigen.
Emoties worden in het boek iets te veel voorgesteld als louter spontane blanco primaire reacties, zonder dat ze in iemand een persoonlijke geschiedenis en ervaring hebben. In werkelijkheid zit het gebied van de emoties vol met ‘vooroordelen’, met al klaar liggende reacties, voorgebakken door iemands geschiedenis aan geluk, verlangens en grote of kleine frustraties. Het is zelfs een speciale verdienste van iemand wanneer hij wel beschikbaar is voor nieuwe emotionele indrukken, en niet al klaarstaat met zijn gebruikelijke reacties.
Het beïnvloeden, en dus een echte verandering aanbrengen in iemands emotionele en rationale huishouding, gebeurt alleen met zekerheid als het gaat om heel drastische emoties, als het om universele tranentrekkers gaat, zoals in het geval van bebloede zeehondjes of kindermishandeling. In de meeste gevallen worden emoties misschien wel eerder bevestigd dan beïnvloed.
Beïnvloeden met emoties. Pathos en retorica, onder redactie van Jaap de Jong, Christoph Pieper en Adriaan Rademaker, is uitgegeven door Amsterdam University Press.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.