Arnhem-Leiden: drie uur

Station Arnhem, 17.15 uur . Op perron 8 moet de intercity Arnhem-Utrecht vertrekken. Daar deelde een voddig A4’tje in viltstift mee dat er ‘wegens werkzaamheden aan het spoor’ geen treinverkeer tussen Ede en Utrecht was. Reizigers moesten maar de bus nemen tussen die twee plaatsen of beter nog: de trein via ’s Hertogenbosch. Geen geringe omweg naar Leiden, maar veel keus was er niet. Hoe vaak had ik al niet meegemaakt dat een bus door de vrienden van ProRail wel beloofd, maar niet besteld bleek te zijn?

De intercity naar ’s Hertogen­bosch kwam om 18.01 uur aan. Was het niet veiliger om in de trein te blijven zitten, die tot Roosendaal zou doorrijden? Daar kon je tenminste op een internationale trein naar het noorden stappen. Je kunt beter in een trein blijven zitten die rijdt, dan vertrouwen op twee overstappen die weer nieuwe verrassingen konden opleveren. Treinreizen is calculeren en risicomanagement.

Maar daar sprak de conducteur reeds. Reizigers met bestemming Utrecht moesten naar perron 1, een stukje lopen en twee trappen op en af. Wie ‘snel ter been’ was, kon die trein nog net halen, vertelde hij. Tragere slachtoffers moesten zich maar naar perron 3 begeven en op de volgende rit naar Utrecht wachten. Dus rennen en struikelen en gokken op perron 1. Daar stond een trein, maar zonder aangegeven bestemming. Een conducteur met de fluit in de aanslag. Erin springen kon betekenen dat je in Utrecht uitkwam, maar ook dat je in Kerkrade zou moeten overnachten. De helft haalde en/of waagde het niet en koos voor perron 3. De avond was toch al verloren.

De waaghalzen hadden goed gegokt, om 18.42 uur gleed de trein Utrecht CS binnen. Zou de stoptrein naar Leiden (18.43 uur) wellicht een minuutje willen wachten met vertrek? Nee, dat deed die trein niet. Ongeluk bij een ongeluk: die stoptrein zou niet ver komen. Storing op het baanvak Bodegraven-Alphen a/d Rijn zou ook daar de reizigers tot de bus veroordelen.

Nóg een uur later thuis.

Als geoefend reiziger Utrecht-Leiden wist ik dat allang. Treinen op dat traject rijden sinds het eind van de vorige eeuw op goed geluk. Zo ver had ik het dus niet laten komen. Ik zag mijn medereizigers al weer terugrennen naar de andere kant van Utrecht CS om dan in godsnaam de intercity naar Den Haag CS nog te halen, vertrek 18.47 uur. De ouderen en hartpatiënten begonnen de strijd nu op te geven. Voor mij was de intercity naar Den Haag nog net haalbaar, en om 19.36 uur reden we ongeschonden de hofstad binnen. De volgende horde was de overstap naar Leiden. Zou de NS nú misschien een minuut willen wachten? Het vertrek stond immers om 19.37 uur gepland en we moesten van perron 4 naar 13. Buiten adem kwam ik aan. Precies voor mijn neus sloten de deuren zich, maar tweehonderd meter verderop stond een conducteur nog grimmig op de treeplank. Een laatste sprint dus, voor de krachtigsten uit het gezelschap. Opschieten, dreigde de conducteur, die zelf in de eerste klas neerplofte. Stapvoets pufte de sneltrein naar Leiden tot Mariahoeve, rustte een tijdje uit in een weiland ter hoogte van Voorschoten, om tenslotte lui verder te sjokken naar Leiden. Aankomst 20.10 uur.

Ko Colijn

De uitvinder van de Ondioline

Een lange man met een grote trom op zijn rug voor een microfoon. Stroboscooplicht reflecteert spookachtig in zijn bril. Hij stampt op een houten plank die in verbinding staat met een versterker. Hij speelt daarbij gitaar en blijkt over een groot talent te beschikken om zijn ledematen onafhankelijk van elkaar te laten bewegen. Het resultaat is een soort muzikale Gilles de la Tourette.

De meeste toeschouwers zetten hun pokerface op, maar één jongen beweegt enthousiast met zijn hoofd op een ritme dat niet van de muziek afkomstig is.

Vanavond loopt tijdens het TodayArt festival ‘voor hedendaagse creativiteit’ een gemengd publiek van zaal tot zaal. Bleke jongens in T-shirts met daarop namen van elektronische instrumenten als TB 303, verdwaalde vrijdagavond-witte-wijnvriendinnen en oudere mannen met warrige haren, waarschijnlijk kunstenaars.

Het hoogtepunt van de avond het eerste Nederlandse optreden van Jean-Jacques Perrey: ‘The clown-prince of the avant-garde.’

Een zevenenzeventigjarige man, gekleed in een zilverkleurige laboratoriumjas, neemt plaats achter een oud kastje met toetsen erop. Hij draagt een space-age bril met grote zeshoekige glazen en heeft iets van een grote vriendelijke kikker. Het eerste nummer, een vrolijke Nickelodeon-deuntje, opgebouwd uit eendenkwaakgeluiden, wordt begroet met gejoel, alsof Madonna op het podium staat.

Jean-Jacques Perrey is een elektronische muzieklegende. Met een Nagra, de Rolls Royce van de bandrecorders, trok hij in de jaren zestig het veld in om geluiden op te nemen van dieren, machines en babygehuil. Hij verzamelde zo’n vierduizend geluiden die hij bewerkte met filters en vervolgens rangschikte op toonhoogte en timbre. De geluidsbanden hingen als bamislierten aan het plafond van zijn studio. Met mathematische precisie knipte hij de tapes in ritmisch correcte lengtes en plakte hij de stukjes in een speciale volgorde achter elkaar, zodat er een ritme van geluiden ontstond. Perrey maakte een versie van het nummer ‘Busy Bee’, puur bestaand uit bijenzoemgeluiden die hij in Zwitserland bij een imker verzameld had. ‘Salvador Dali viel van zijn stoel toen hij het nummer de eerste keer hoorde,’ vertelt Perrey trots.

Zijn geluidscollages zijn onovertroffen. Maar meer nog dan met deze ‘musique concrete’ is de naam Perrey onlosmakelijk vergroeid geraakt met de Ondioline. Een klein houten orgeltje dat eruitziet als een tweedehands naaikastje met toetsen erop. Het is een voorloper van de synthesizer. Tijdens de soundcheck geeft Jean-Jacques Perrey in een lege hal een demonstratie van het instrument, zoals hij duizenden keren eerder deed in de jaren vijftig en zestig, in de Amerikaanse televisieshows van Michael Douglas en Johnny Carson, of aan mannen als Alfred Hitchcock, Salvador Dali en Walt Disney, die als een blok vielen voor de elektronische geluiden. Als hij zijn vingers op de toetsen laat trillen, gaat ook het geluid vibreren en verschijnt er een brede spontane lach in het gezicht dat vol zit met lachrimpels. Het is vioolachtig, maar ook weer niet. Elektronisch maar warm, scherp maar zacht. Een uniek geluid. Perrey opent een deurtje en toont een rijtje radiobuizen die via breekbare draadjes met elkaar in verbinding staan.

‘De Ondioline is mij zo dierbaar als mijn dochter,’ zegt Perrey, ‘en mijn dochter is mijn licht en mijn leven.’

Dochter Patricia kijkt een beetje vermoeid.

Gerard Janssen

In een hoax getrapt

Sta hier bij stil, staat er in kapitale letters boven de e-mail. Kinderverkrachtingen door hiv-geïnfecteerde mannen in Zuid-Afrika vullen de eerste regels van het bericht. ‘Het kindermisbruik neemt katastrofische proporties aan.’

Dan de boodschap: de Zuid-Afrikaanse regering is van plan de kinderbescherming op te heffen. En dit is een petitie om het te voorkomen. De lezer wordt gesommeerd zijn naam onder aan het rijtje namen toe te voegen en de e-mail door te sturen naar zoveel mogelijk mensen. Elk honderdtwintigste persoon mailt het lijstje vervolgens naar [email protected]

‘Als wij niks doen, wie dan wel?’

Je moet wel uit bijzonder onbuigzaam hardhout zijn gesneden om deze smeekbede met een eenvoudige muisklik te bannen. ‘Wees nou ‘es niet onverschillig,’ verwijt de tekst. ‘Doe iets voor de kinderen in Zuid-Afrika.’ Gedwee gehoorzaam je aan de dwingende toon en kapitale letters. De afzender van de e-mail is tenslotte een vriend of familielid met gezond verstand. Die stuurt deze alarmerende ellende niet zo maar rond. Toch?

Op de website virusalert.nl staat tussen de kolommen ‘laatste virussen’ en ‘actiefste virussen’ de categorie ‘hoaxes’. Een hoax is een virtueel verspreid vals gerucht. De term betekent zo veel als poets, grap. Virusalert houdt ze voor de internetgebruikers bij. Bovenaan in deze categorie prijkt de hoax ‘Aids en kindermishandeling in Zuid-Afrika’, die sinds augustus dit jaar rondwaart op het Nederlandse internet. Een grap dus. De ergernis is groot. Eerder beloofde de hoax een leven lang euforie of een gratis iPod. Als je de e-mail althans naar minstens tien mensen zou doorsturen. En als je dat niet deed: een leven lang ellende. Gelukszoekers, hebberigen en bijgelovige bangeriken zadelden kennissen op met hun angst, hebzucht of zoektocht naar het paradijs. En nu laat de hoax zich het liefst verspreiden door verbijsterde wereldverbeteraars.

Een hoax is niets anders dan een urban legend op internet, volgens internetjournalist Francisco van Jole. ‘Een goede hoax heeft een kern van waarheid en een waarschuwende functie. Angst is tenslotte het beste middel om verhalen te verspreiden.’

Bovenal maakt de hoax listig gebruik van menselijke zwakheden, want ‘mensen willen graag laten zien dat ze betrokken zijn’. Volgens Van Jole bedenken mensen een hoax om grappig te zijn of wraak te nemen. Of omdat ze een gerucht serieus nemen en deze uit bezorgdheid de wereld in sturen. Niet zonder gevolgen.

De Amerikaanse kankerbestrijding heeft inmiddels een websitepagina gewijd aan alle hoaxes over kanker die in de omloop zijn. Slim doet zij een beroep op ieders betrokkenheid: er zijn andere (financiële) manieren om écht te helpen. De Family Violence, Child Protection and Sexual Offences Unit in Zuid-Afrika is minder blij met de aandacht. In een media-statement in 2005 op de website waarschuwt captain Percy Morokane voor de hoax. ‘Die e-mail zit vol kwaadaardige, valse informatie en circuleert al sinds 1995. Stuur hem niet door! Hij veroorzaakt onnodig paniek en belemmert het politiewerk. Als we de bedenkers ervan ooit traceren, zullen ze worden vervolgd.’

Dat heeft volgens Van Jole geen zin. ‘Grote kans dat je uitkomt bij iemand met de beste bedoelingen.’

Carolina Lo Galbo

Kattenfluisteraarster

Van alle kanten kijken honderden ogen je mysterieus aan. In vitrines, op achttiende-eeuws meubilair en aan de muur. Getekend, geschilderd, geëmailleerd, van keramiek en op foto’s: katten. Dit is dan ook het KattenKabinet in Amsterdam. Gewijde grond voor de kattenliefhebbers die hier komen luisteren naar een lezing van de Engelse kattenpsychologe Vicky Halls. Ter gelegenheid van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van haar tweede kattenboek, Wat uw kat u vertelt. Terwijl het publiek plaatsneemt op goudkleurige stoeltjes, bekleed met rood fluweel, nestelt zich op een stoel op de derde rij een forse cyperse kater met witte pootjes. Een lapjeskat installeert zich onder de tafel met theekopjes. Een zwarte kater loopt kopjesgevend tussen de benen door. Gaat de macht van de kattenfluisteraarster zo ver dat deze dieren als vanzelf naar haar toekomen?

Vicky Halls stelt zich voor als ‘cat shrink’ en begint met een beschrijving van het fenomeen kat, met bijzondere aandacht voor de gestresste exemplaren. Wie kent het verschijnsel niet dat een kat van de ene dag op de andere onhandelbaar is en je bed uitzoekt als favoriete plasplaats? Of dat het dier opeens zijn vacht zo hardnekkig verzorgt dat er bloederige kale plekken ontstaan? Hier is geen sprake van een dirty protest, maar van een kreet om hulp, legt ze uit. Wat te doen als een kat duidelijk ongelukkig is en zorgwekkend en ongepast gedrag gaat vertonen? Als de dierenarts geen uitkomst biedt, hebben de baasjes wellicht baat bij een therapeutisch huisbezoek van de kattenpsycholoog.

Een aantal cases van katten met stress passeren de revue. De ondoorgrondelijke kat, de zenuwpees, de komiek, de schizo, de bangerik, de knuffelkont, en het geval van de kat die mannen haatte. Vicky Halls stelt vooral de moeilijkheden van de meerkatshuishoudingen aan de orde, en de psychologische oorlogsvoering waar de baasjes geen idee van hebben. Zij analyseert de problemen en vertelt over de gedragstherapie die zij in zulke gevallen voorstelt – voor katten én baasjes. Daar gaat haar boek ook over.

Deze avond is er een van kattenliefhebbers onder elkaar. Zo’n dertig vrouwen en twee mannen. Niemand schroomt om vragen te stellen.

De discussie zou nog lang zijn doorgegaan, ware het niet dat de lapjeskat luidruchtig in de weer gaat met een speeltje van hemelsblauwe veertjes. Tijd voor de pauze.

Daarin worden een paar dingen duidelijk. Die cyperse kat, het lapje en de zwarte kater wonen in het KattenKabinet – de bofkonten. Vicky Halls’ volgende boek gaat over relaties: vrouw met katten zoekt man. Man met kat gaat leven met vrouw met twee katten. Wat te doen? Halls heeft een mondelinge overeenkomst met Animal Planet/Discovery voor een serie over katten: ‘De programma’s over honden zijn niet van het scherm te branden! Maar ja, een uitzending over katten vergt duizend keer meer voorbereiding dan een over honden’.

Laat op de avond laat een van de twee aanwezige mannen schuchter Halls’ boek signeren. ‘Okay,’ zegt ze. ‘You’re Kees. But who’s Chris?’ ‘Mijn kat.’

Martje Breedt Bruyn

Studio food

Kijk, zo kun je ook een internationale jazz-cd maken. Op woensdag neem je het vliegtuig van Amsterdam naar New York. Donderdag en vrijdag repeteren. Zaterdag en zondag de opnamestudio in. Op maandag terug naar Amsterdam. Bassist Lindsey Horner vond het na vier jaar hoog tijd om weer eens een serie instrumentale interpretaties van liedjes van Bob Dylan op de plaat te zetten. Horner woont en werkt in New York, een halve aardbol verwijderd van de stad waar de rest van de band Jewels and Binoculars is gevestigd. Het contact verloopt per e-mail. Michael Moore (altsaxofonist en klarinettist, niet te verwarren met zijn filmende naamgenoot) en slagwerker Michael Vatcher zijn beiden van Amerikaanse origine, maar wonen al decennia te Amsterdam. De twee eerdere cd’s van het trio waren Nederlands fabrikaat.

De registratie van het derde album op de door Dylan zo frequent bezongen bodem wordt op zaterdagavond onderbroken voor een eenmalig concert in de antieke jazzkelder onder Cornelia Street Café in de West Village. Het zaaltje is tot op de laatste stoel bezet, ongetwijfeld deels door fans van de troubadour van wiens gloednieuwe album het trio bij wijze van uitsmijter de song Spirit on the Water zal vertolken. Elders in de stad speelt trouwens ook het trio van pianist Jamie Shaft tot jazz omgebouwde Dylan-composities. De eenvoud van de melodieën nodigt uit tot improviseren, leggen kenners uit.

Zondagochtend om elf uur zit een montere Vatcher zich alweer in korte broek achter zijn drumstel warm te roffelen in de studio van Kaleidoscope Sound in Union City, New Jersey. De twee andere leden van het trio zijn onderweg. Ze moeten eerst gitarist Bill Frisell ophalen die in twee van de in twaalf te registeren stukken als gast zal meespelen. De studio ligt aan het einde van een onooglijk steegje dat wordt bewoond door Spaanstalige families die geen benul hebben van de meesterwerken die bij de buren ontstaan. Frisell komt binnen, mompelt een groet en plugt zijn gitaar in. Halverwege Gates of Eden snapt hij welke bijdrage van hem wordt verwacht en dan verandert het trio in een kwartet. Als het nummer voor de derde keer wordt ingezet, moet geluidstechnicus Randy Crafton de lust bedwingen om de opnameknop in te drukken: ‘Ze zijn nog steeds aan het repeteren, maar het klinkt al perfect. Ik zou niet weten wat hier aan te verbeteren valt.’

De technicus steekt twee duimen omhoog naar de muzikanten die zich als vissen in het aquarium achter de glazen wand hebben verspreid. ‘Stand by! You are rolling!’, roept Crafton als Gates of Eden voor de vierde keer uit de luidspreker komt.

‘We love you, Bill,’ zegt Horner nadat tot ieders tevredenheid drie versies van het ingetogen nummer zijn geregistreerd. Tijdens de lunch in de keuken erkennen alle aanwezigen volmondig dat sushi ‘great studio food’ is.

Rudie Kagie