Van het eerste festival tot het eerste stadionconcert, Berry Visser stond aan de wieg. Zijn idee van de ‘totaalervaring’ is nu de standaard op menig festival. ‘We wilden een bijzondere sfeer scheppen en bruggen bouwen tussen pop, performance en beeldende kunst.’

Ja, Berry Visser had vooraf al verteld dat hij in een ‘soort theater’ woonde. En het eeuwenoude steegje dat vanaf een schilderachtige Delftse gracht naar de ingang van zijn verbouwde pakhuis leidt, oogt veelbelovend. Maar daarmee ben je allerminst voorbereid op het wonderbaarlijke universum dat zich openbaart zodra je een stap over de drempel zet.

Het hele pand, waar ooit het kantoor van het door hem opgerichte Mojo Concerts huisde, is omgetoverd tot een raadselachtig labyrint waarin talloze, talloze objecten allemaal hun eigen plaats hebben. Elke ruimte heeft zijn specifieke kleur – de blauwe salon, de black lounge, de oranje kamer, de chocoladekamer –, stuk voor stuk zijn ze uitbundig gedecoreerd met barokke meubels, antiek, poppen, schilderijen, spiegels, snuisterijen en hier en daar een skelet. Klaar is het nooit, zegt Visser. Nog altijd struint hij met zijn partner Hanneke rommelmarkten in de wijde omtrek af, op zoek naar dingen die zijn ‘droompaleis’ nog completer maken.

Naast woonhuis is dit merkwaardige universum ook het decor waarin Visser regelmatig voorstellingen geeft voor een select publiek. Bijgestaan door een technicus en een assistente, zijn stiefdochter Annabelle, verzorgt hij een muzikale ruimtereis naar Jupiter, waarbij hij zelf zingt en piano speelt. Of eigenlijk: dat doet zijn alter ego, Madame de Berry, een achttiende-eeuwse Franse hofdame met weelderige pruik en rood gestift pruilmondje. Hoe dat zo? ‘Geen idee. Ze zat ineens in mijn hoofd. Ik had Koefnoen gezien, en belde in een opwelling mijn dochter Tinta op of ze een afspraak wilde maken met de grimeurs van dat programma. Wij erheen, en bij de eerste pruik die ik opzette was het: wam bam, Madame de Berry!’

Vandaag is er geen spoor van Madame de Berry te bekennen. In de zomermaanden speelt Visser de voorstelling niet. Maar het decor laat hij al die tijd intact. Nergens slingert een oude krant of T-shirt die de illusie zou doorbreken. Op het toilet ligt een chique gastenboek uitnodigend uitgestald, een fraai bewerkt scherm moet het bad aan het zicht onttrekken. De enige herinnering aan de aardse realiteit vormt een doosje Pickwick-thee in het verder ook weer bijzonder scheutig ingerichte keukentje.

Hemelbestormende plannen

Het heeft alle kenmerken van een levenswerk, ware het niet dat Berry Visser al het een en ander aan levenswerken achter de rug had toen hij hieraan begon. Als oprichter van Mojo Concerts was hij een van de eersten die grote popconcerten organiseerden in Nederland. In 1970 stond hij aan de wieg van het Holland Pop Festival in het Kralingse Bos in Rotterdam, een inmiddels legendarisch evenement dat geldt als de oerknal van de Nederlandse festivalcultuur. Een cultuur waarop hij later nog veel meer zijn creatieve stempel zou drukken, met het organiseren van evenementen die méér moesten zijn dan alleen een podium, een band en een bierpomp. Zoals Pandora’s Music Box en het eenmalige stiefbroertje Ein Abend in Wien – namen die door degenen die er geweest zijn nog altijd met veel ontzag worden uitgesproken. Daar schiep Visser, samen met kunstenaar Michel Waisvisz, met tal van absurdistische acts en een bizarre aankleding voor het eerst de ‘andere wereld’ die hem altijd voor ogen had gestaan.

De twintigste keer dat je Randy Newman of Van Morrison van Schiphol moet ophalen… ik vond het benauwend worden.

Pionierswerk was het, en in menig opzicht een blauwdruk voor hedendaagse festivals als Lowlands, Into The Great Wide Open en Down The Rabbit Hole. Zelf zal hij dat niet zo snel roepen. Visser, zorgvuldig gekleed en jeugdig ogend voor zijn 67 jaar, vertelt op nuchtere toon, ietsje nonchalant zelfs. Op tafel ligt een omvangrijk pakket met flyers, programmaboekjes, krantenartikelen en andere getuigenissen van de evenementen die hij in de afgelopen decennia uit de grond stampte. (Of juist niet: over de hemelbestormende plannen die uiteindelijk niet doorgingen, praat hij even liefdevol.) ‘Zullen we maar even door de chronologie heen lopen?’ vraagt hij. ‘Er zit een lijn in. Alleen: vraag me niet om die precies aan te wijzen.’

Dát is leuk om te doen

Als tiener aarzelde hij of hij piano zou gaan studeren aan het conservatorium. Hij koos uiteindelijk voor de Haagse Sociale Academie. Daar begon hij in 1967 met een aantal klasgenoten een cabaretclubje: Mojo Cabaret. ‘Een van ons, Will Lutz, kwam met die naam, naar aanleiding van een nummer van blueszanger Muddy Waters, “Got My Mojo Working”.’ Onder de naam Mojo Theater begon Visser niet veel later kleinkunstavonden te organiseren in een studentensociëteit in Delft. Gerard Cox trad er op, het duo Elly en Rikkert, het Chileens mimetheater. Daarnaast startte hij er op zaterdagavond de allereerste discotheek van Delft, Polly Magoo. ‘Je moet je voorstellen: er was níks op dat gebied. We zetten flessen met kaarsen neer, hingen bloemetjesbehang op, en binnen twee weken zat het vol.’

Belangrijker, voor hemzelf althans, was dat hij op die avonden voor het eerst in aanraking kwam met popmuziek. ‘Pink Floyd, The Doors, Traffic… Jahaa, toen ging er echt een wereld voor me open. Het jaar daarop zag ik in het Concertgebouw een optreden van Jefferson Airplane en The Doors, dat georganiseerd was door Paul Ackett. Jim Morrison stormde tijdens het voorprogramma als een bezetene het podium op, maar moest nog voor zijn eigen optreden naar het ziekenhuis worden gebracht omdat hij iets te veel aan de middelen had gezeten. Dat was wel even slikken. Maar ik herinner me vooral dat ik zo naar die zaal keek en dacht: goh, dát is leuk om te doen. Wil ik ook.’

Popconcerten waren in die dagen nog een zeldzaamheid, en geschikte podia waren er nauwelijks. Nadat Visser in Londen goede contacten had opgebouwd met een invloedrijk boekingsbureau, belde hij aan bij het Concertgebouw met de vraag of hij de grote zaal kon huren voor de ‘double bill’ Traffic en Spooky Tooth. ‘De toenmalige directeur ontving me. Ik zag eruit als een hippie en had, detail, een bril op met maar één poot. Enfin, dat ging niet door. Was wel een dompertje. Maar ik bleef gewoon terugkomen. Eerst kreeg ik de kleine zaal voor een optreden van een folkzangeres, en daarna kreeg ik ook toestemming voor Jethro Tull en Soft Machine. Dat was het eerste grote wapenfeit van Mojo Concerts, september 1969.’

Een wolk van gelukzaligheid. Het Holland Popfestival Kralingen (1970): ‘Allemaal blije, vrije hippies die het bos lieten deinen.’Foto: Herbert Behrens / Nederlands Fotomuseum / HH

Een cruciaal moment ook, zegt hij. ‘Het móest vol zitten, want ik had geen rode cent. Als het mis was gegaan, was het met Mojo waarschijnlijk ook gedaan geweest. Maar gelukkig liep het goed af.’
Daarna kwamen ook Led Zeppelin, de Grateful Dead en Frank Zappa & The Mothers of Invention naar Nederland voor concerten die steevast ’s nachts plaatsvonden. ‘De apparatuur werd in de gang geparkeerd terwijl het klassieke concert nog bezig was. Pas als het publiek weg was, mochten we opbouwen. In een uur! Doen ze tegenwoordig een hele dag over.’

Soms zaten we te duimen dat er nog wat kaartjes verkocht werden, omdat we anders de artiest niet konden betalen.

Dikke wietdamp

In 1969 werd in Amerika het Woodstock-festival gehouden. ‘Nou ja,’ zegt Visser lachend, ‘toen dacht ik: goh, da’s ook leuk.’ In hetzelfde pand waar tegenwoordig de geest van Madame de Berry waart, begon hij met zijn vriend Ed de Roo te broeden op een groot popfestival in Nederland. Met de contacten zat het wel snor. ‘Ik had in Engeland een man leren kennen, Frederick Bannister, die bezig was met een festival in Bath. We spraken af om samen te programmeren, waardoor het makkelijker betaalbaar werd om belangrijke Amerikaanse artiesten naar Europa te halen. Dus de contracten voor bands als Santana, Canned Heat en Jefferson Airplane had ik al op zak, maar ik had geen geld en geen terrein.’

Niet veel later werd er aangebeld door Georges Knap, een Rotterdamse vertegenwoordiger die ook met plannen voor een festival rondliep. ‘Hij zag er niet uit. Klein, absoluut geen hippe vogel. Ik nam hem niet serieus, volgens mij heb ik hem de eerste keer niet eens binnengelaten. Maar hij kwam gewoon weer terug.’ Knap zei dat hij sponsoring kon regelen en troonde Visser mee naar het Kralingse Bos. ‘Ik wist meteen: dit is het. En vervolgens ben ik bij Georges en zijn vrouw ingetrokken en hebben we dat hele festival in vijf, zes maanden uit de grond gestampt. Eén telefoon stond er.’
Tussen de tachtig- en honderdtwintigduizend mensen kwamen er naar Kralingen. Allemaal blije, vrije hippies die ’s nachts het bos lieten ‘deinen’. Boven het park hing permanent zo’n dikke wietdamp dat je er haast plakjes van kon snijden. ‘Bij ons kwam het Nederlandse gedoogbeleid voor het eerst tot bloei,’ zei Visser ooit. The Byrds speelden in de regen, Pink Floyd bij zonsopgang, Mungo Jerry’s ‘In the Summertime’ werd massaal meegezongen. Het is de geschiedenis ingegaan als een wolk van gelukzaligheid, maar Visser vond het indertijd helemaal niet zo leuk. ‘Ik herinner me vooral een hoop stress en gedoe,’ zegt hij.

En de kater na afloop, toen bleek dat hij achterbleef met een enorme schuld omdat een aanzienlijk deel van de hippies iets te vrij en blij bleek te zijn geweest om een kaartje te kopen. De stichting Holland Pop Festival ging failliet en Visser moest twee jaar lang de helft van de opbrengsten van Mojo-concerten afstaan. ‘Soms zaten we op weg naar een show echt te duimen dat er nog wat kaartjes aan de kassa zouden worden verkocht, omdat we anders de gage van de artiest niet konden opbrengen. En dan is het in deze business meteen afgelopen.’

Lange tijd heeft die ‘enorme druk’ zijn herinneringen aan Kralingen overschaduwd, zegt hij. ‘Pas veel later begon ik te denken: goh, al die mensen hebben het toch wel heel leuk gehad. En het was ook wel een historisch gebeuren. Iedereen is er geweest, ook die er niet geweest zijn. Inmiddels ben ik er heel trots op, maar dat heeft even geduurd.’

Een wolk van gelukzaligheid. Het Holland Popfestival Kralingen (1970): ‘Allemaal blije, vrije hippies die het bos lieten deinen.’Foto: Herbert Behrens / Nederlands Fotomuseum / HH
Parijse nachtclub

Berry Vissers voorliefde voor theatrale en soms bizarre acts zat er al vroeg in. Toen hij hoorde dat Frank Zappa’s apparatuur een paar uur te laat zou arriveren, regelde hij een traditionele Hollandse boerenkapel om de tijd op te vullen. ‘Ik zei: doorspelen, wat er ook gebeurt. De eerste twee nummers moest iedereen lachen. Zo van: ha ha, die Zappa toch! Maar ja: volksdeuntjes, erger kan niet hè? Bij de derde werden ze behoorlijk opstandig.’ In Kralingen organiseerde hij de water walking events, waarbij naakte vrouwen in grote ballonnen over het water liepen.

Bij Mojo was hij inmiddels gaan samenwerken met de latere (en inmiddels oud-) directeur Leon Ramakers, en langzaam maar zeker braken er vette jaren aan. Het eerste stadionconcert in Nederland, Eric Clapton en Bob Dylan in De Kuip in 1978, was een ijkpunt, zegt hij. ‘Toen werd het echt business.’ Zelf stortte hij zich in 1979 op het organiseren van Casa Nova in Ahoy, een lifestylebeurs voor jongeren waar naast talloze bands ook dichters, cabaretiers, circusacts, lezingen en een modeshow werden geprogrammeerd. ‘Dat was heel afwijkend voor die tijd. De Nicholas Treadwell Gallery exposeerde er moderne kunst, we hadden een complete Parijse nachtclub ingevlogen. Maar ja, ik had me gebaseerd op de bezoekersaantallen van de huishoudbeurs Femina, en volgens mij werden die een beetje gepimpt. In elk geval: we gingen failliet. Dat kostte een miljoen of meer, en ik ben weer twee jaar bezig geweest om het recht te breien. Een beetje een traumatische ervaring. Het heeft me voorzichtig gemaakt.’

Maar ook weer niet heel voorzichtig. Tijdens de zeer succesvolle edities van Pandora’s Music Box (1983-85) en Ein Abend in Wien (1991) liet hij, samen met uitvinder en podiumkunstenaar Michel Waisvisz, zijn fantasie pas echt de vrije loop. ‘We wilden een bijzondere sfeer scheppen en bruggen bouwen tussen pop, performance en beeldende kunst.’ ‘Verschijnselen’ noemden ze het. Niemand bij Mojo mocht van tevoren weten wat ze van plan waren. Tijdens de eerste editie was er een installatie die herinnerde aan een militaire begraafplaats, met witte kruisen die de namen droegen van onder meer Jim Morrison, Lenny Bruce, Janis Joplin en Marcel Duchamp. Figuranten waren ingehuurd om treurend achter een begrafeniswagen aan te lopen. ‘Net echt allemaal, als een film van Fellini.’ Een andere keer was er een boer ingehuurd met een kudde schapen die rond middernacht werd losgelaten op het verbijsterde publiek in De Doelen. Of er stond een meisje in bikini in een grote bak met limonade, die ze ronddeelde. Of er waren groepen oude mensen uit hun bejaardentehuis gelokt om op een installatie de hele avond te zitten toepen en bridgen. Op het toilet lagen gratis gebakjes, en als je naar buiten ging, kréég je een kwartje.

Ik liet me in 1993 uitkopen voor een bedrag vergelijkbaar met wat je toen kon winnen in de Staatsloterij.

Een keer vatten ze het plan op om de pui van De Doelen in brand te steken. ‘Op een gecontroleerde manier natuurlijk hè. Maar daar heb ik vooraf wel even wakker van gelegen.’ Visser wist zowel van de directeur als van de brandweer toestemming los te peuteren. Ze spanden een lange stalen draad die omwikkeld was met lappen in benzine gedrenkt katoen. ‘Er waren donkere wolken en dramatische muziek. En bam: de fik erin. Heel mooi, en goed voorbereid ook. Helaas had niemand aan de brandweerploeg die dienst had verteld dat wij toestemming hadden. Dus toen omwonenden belden, rukten zij alsnog uit. Enfin, er zijn nog vragen over gesteld in de gemeenteraad.’

Een reis met onbekende bestemming

Gaandeweg begonnen Vissers artistieke ambities steeds meer te botsen met de zakelijke kanten van het Mojo-werk. ‘Dat was een proces van jaren,’ zegt hij. ‘Ik zat altijd op twee verschillende sporen. Ik bedacht dingen die ik graag wilde uitvoeren, maar we moesten ook gewoon overleven: groepen contracteren, bellen, regelen. En het werd allemaal steeds groter. Ik begon er ooit mee vanwege mijn passie voor muziek, maar op een zeker moment kon je niet meer zeggen: die band vind ik eigenlijk klote, dus die doen we niet. De businesskant ging me ook tegenstaan. De twintigste keer dat je Randy Newman of Van Morrison van Schiphol moet ophalen… er zijn ergere dingen, maar ik vond het benauwend worden.’

Het was ‘een beetje een paradox’, zegt hij. ‘Er werd héél goed verdiend, eindelijk, maar mijn eigen creativiteit kwam in de verdrukking, ik had te weinig uitlaatklep.’
In 1993 liet Visser zich uitkopen uit Mojo, ‘voor een bedrag dat vergelijkbaar is met wat je in die tijd kon winnen in de Staatsloterij’. ‘Leon heeft toen echt zijn nek voor me uitgestoken,’ zegt hij. ‘Ik ben financieel onafhankelijk, als ik tenminste niet volkomen op hol sla met een of ander project.’

Probleem is: die neiging heeft hij wél. Bij zijn eerste grote project na Mojo, ‘beeldend muziektheater’ Baby Blue, diende de hele binnenstad van Delft als decor voor ‘een reis met onbekende bestemming’. De kritieken waren juichend, maar mede omdat er per voorstelling maar zestien man getuige van kon zijn, ging Visser voor twee ton het schip in. Desondanks glimmen zijn ogen als hij erover vertelt. ‘Tuurlijk, als je er puur zakelijk naar kijkt, kun je zeggen: wat is dat voor onzin? Maar als ik ergens diep in zit, interesseert geld me echt geen ene zak meer. Dat is een blinde vlek waar ik me voor moet hoeden. Ik heb alleen mezelf ermee. Aan de andere kant: door die neiging zijn er wel een paar heel mooie dingen gebeurd. Het is altijd een wankel evenwicht.’

Berry Vissers idee van de ‘totaalervaring’ is nu de standaard op menig festival, waar verschillende disciplines door elkaar heenlopen en veel aandacht is besteed aan de aankleding en acts. ‘Het duurde even voor dat kwartje bij me viel, maar inmiddels zie ik wel in dat ik en de mensen met wie ik het deed onmiskenbaar invloed hebben gehad op bijvoorbeeld een festival als Lowlands. En natuurlijk vind ik dat leuk. Vorig jaar was ik nog op Down the Rabbit Hole, en dat sprak me enorm aan; een idyllische plek, heel aangenaam van sfeer, en met allemaal acts en dingen om de muziek heen. Dat maakt het toch veel bijzonderder.’

Madame de Berry

Het woonhuis van Berry Visser (1948) is tegelijk het decor waarin hij regelmatig voorstellingen geeft voor een select publiek, waarbij hij zelf zingt en piano speelt. Of eigenlijk: dat doet zijn alter ego, een achttiende-eeuwse Franse hofdame. ‘Ze zat ineens in mijn hoofd. Bij de eerste pruik die ik opzette was het: wam bam, Madame de Berry!’