Het twintigste nummer van het tijdschrift Das Magazin bestaat uit literaire archeologie: bijna dertig schrijvers hebben teksten uit hun harde schijf gevist die ze schreven rond hun twintigste jaar maar nooit publiceerden.

Onder de ‘late stijl’ in de kunst wordt meestal een doorleefde stijl verstaan, een waarin het hele leven en alle perioden van een kunstenaar zijn samengebald. Het is de stijl waaruit het diepe inzicht zou blijken dat de kunstenaar heeft verworven. Maar denk je daarbij aan Rembrandt dan is het allerminst een resignerende, het leven afsluitende stijl. Rond 1652 begon juist Rembrandts wilde periode, zijn late, ruwe, expressionistische, pasteuze manier van schilderijen. Hij voelde zich bevrijd van zijn klassieke, verantwoorde werkwijze. In zijn boek On Late Style beschouwt de Palestijnse Amerikaan Edward Said de late stijl in de kunst zelfs als bij uitstek opstandig. In de late Beethoven, de late Richard Strauss, de late Jean Genet en de Mozart van Consí Fan Tute ziet hij een en al rebellie, alsof ze teruggaan naar hun jeugdige temperament.

De schrijvers zetten zich soms moedig te kijk met hun juveniele schrijfsels. Alleen Connie Palmen niet.

Dat roept de vraag op of er ook een vroege stijl bestaat. Is dat inderdaad, zoals men voor de hand liggend denkt, een en al jeugdige opstandigheid, Vijftigers-achtige dwarsheid? In de Nederlandse literatuur van de afgelopen vijfentwintig jaar in ieder geval nauwelijks, zo blijkt uit het jubileumnummer (20) van Das Magazin. Dat is onder de titel Gekrenkt & hongerig gevuld met wat zo’n achtentwintig Nederlandse schrijvers rond hun twintigste jaar schreven, maar doorgaans nooit publiceerden. Het resultaat van deze archeologie in de harde schijf, verkleurde mappen of verstofte ordners zijn prehistorische curiositeiten. De schrijvers zetten zich soms moedig te kijk met hun juveniele schrijfsels. Alleen Connie Palmen niet. Zij werd door het verzoek van de redactie geconfronteerd met wat ze op haar twintigste schreef en wilde het nooit meer zien, laat staan publiceren. Ze verscheurt het. Omdat hij toevallig een exemplaar van het tijdschrift Penthouse in handen kreeg maakte Merijn de Boer op die leeftijd een sappig en kundig geschreven seksverhaal over een willige tante. Joke van Leeuwen was op die leeftijd een onderdeel van het Brusselse cabaretgroepje Stof en blik waarvoor ze teksten schreef als: ‘Zeventien vakantiebussen/botsten gister op elkaar/in de meeste zaten Russen/hier en daar zat een Hongaar/alle Russen zijn nu dood en/de Hongaren in de kreuk/maar een bus met landgenoten/heeft alleen een kleine deuk. Hè gelukkig.’

De cover van #20 van Das Magazine.

Verschillende bijdragen behoren tot de categorie jeugdwerk dat rechtstreeks aansluit bij het latere, echte werk. Adriaan van Dis beschrijft zijn aanwezigheid in het ouderlijk huis als een jongetje dat herinneringen aan het verzamelen is omdat hij alles ‘ziet’, niets ontgaat hem: ‘Zo jong als je bent heb je al voor vier boeken herinneringen opgeslagen. Het moet alleen nog rijpen en rotten.’ Of Herman Koch, die een verneukeratief Jiskefet-achtig verhaal schreef toen hij een paar maanden als uitzendkracht in de kantoren van de Vrije Universiteit werkte. Karakteristiek voor zijn latere werk is ook het verhaal Alruin van Oek de Jong. Het is een vingeroefening voor Opwaaiende zomerjurken over de voor mystieke sferen gevoelige jongen Alruin met een passie voor het Friese veen: ‘Het veen trok me, met zijn verborgen poelen en rottende planten, zijn onder je voeten verende bodem en de fluweelzachte modder onder water waarin ik me met welbehagen liet wegzakken.’ Het is een onmiskenbaar psychoanalytisch getint verhaal: Alruin ‘was de stroomgod, op zoek naar zijn moeder.’ Namens Maarten Biesheuvel stuurt zijn vrouw Eva het ‘normaalste’ verhaal dat Maarten ooit heeft geschreven: over het studentenleven in Leiden in 1964: ‘Nadat hij in 1966 vijf maanden werd opgenomen in een psychiatrische inrichting heeft hij nooit meer iets zo normaals geschreven.’

Gekrenkt & hongerig (dat is volgens Philip Huff ‘de beste uitgangspositie voor de jonge schrijver’) bevat een paar voorbeelden van de ‘vroege stijl’ in de literatuur van het begin van de eenentwintigste eeuw. Kenmerkend voor die vroege stijl, waarin doorschemert dat hier al een toekomstige schrijver aan het werk is, is dat daarin op een beetje arrogante manier de laatste resten van de puberteit worden uitgeleefd. Het is een kruispuntstijl die zonder overbewustheid niet denkbaar is: doorgedraaid jeugdig narcisme dat is vermengd met zelfspot waar de schrijver zijn narcisme mee indekt. De hoofdpersoon in het verhaal Wladimir van Joost de Vries voldoet daaraan. Hij is op een feestje na afloop van een toneelvoorstelling: daar kan hij ‘mooi interessant doen.’ Dat hij toneel speelt dat hij toneel speelt is puur vroege stijl.

Connie Palmen op de Frankfurt Book Fair, dit jaar. Foto: DPA Picture-Alliance GmbH/Arno Burgi/HH

Je ziet de vroege stijl het op zijn best aan het werk in het verhaal De grote slaap van de Vlaamse schrijver Yves Petry. Zelfbewustheid, zelfironisering, jezelf doorzien en toch je hart luchten, gaan daarin samen. Die zelfspot moet leiden tot een minder bevangen manier naar zichzelf kijken. Los te komen van het puberale, zichzelf voor de voeten lopende narcisme. Petry schreef zijn verhaal op zijn negentiende. Na de eerste zin van het verhaal gaat het zo verder: ‘Met deze eerste prachtige volzin, ronkend van pretentie en zelfgenoegzaamheid, de ethisch bewogen en verontwaardigde lezertjes en lezeresjes verhinderend te baden in mijn gedachtestroom, kunnen wij nu misschien overgaan tot het verklaren van de titel, wij, dat zijn: de nog geïnteresseerden en ik – uiteraard.’ De schrijver klaagt ‘de brakke geur van verveling, van de stilstand van dit land en deze tijd’ aan. Hij heeft het tegen alle mensen die ‘hun bezieling verkocht hebben, die de zwakke, blanke kracht van de dichter vertrappeld hebben en de vrijgekomen leegte gevuld hebben met de immens drukkende, hoogdravende, kemphaanachtige ergernis en zorgzaamheid van de wereld der “volwassenen”, die in hun broeierig en verzengende klimaat van realisme en levensernst droomloos de weg volgen.’ Opstandige ernst (hoor ‘het zacht kermen van de onbehaaglijkheid’) en zelfspot (‘deze aanval is misschien wat wazig, wat dwaas’) volgen elkaar op in de vroege stijl. De schrijver vlamt, gaat te keer, maar ziet zichzelf ook in de spiegel.

Dat zoveel schrijvers zich te kijk hebben durven zetten maakt Gekrenkt & hongerig tot een archeologische vondst.