Dit verhaal is dankzij Blendle ook te beluisteren.

Blokjesverjaardag, bierviltjesvirologie, fabeltjesfuik, viruswappie, huidhonger, anderhalvemetersamenleving, hoestschaamte, lockdownfeestje: het is een rijke oogst aan nieuwe coronawoorden die Ton den Boon, hoofdredacteur van de Dikke Van Dale, deze week presenteerde in zijn boekje De taal van het nieuwe normaal. Corona in 1000 en enige woorden

Het schijnt een unicum in de wereld te zijn dat de Nederlanders in het eerste negen maanden van de coronapandemie zo’n stortvloed aan nieuwe taalkundige vondsten hebben geproduceerd.

Buitenlandse dagbladen, van de Stuttgarter Zeitung tot de in Oman gevestigde Gulf Times, besteedden er aandacht aan, en zelfs het Amerikaanse CNN, onder de titel ‘Skin-hunger and coronajerks’.

manier om te onderscheiden

Volgens Ton den Boon bezweren wij Nederlanders onze angst met taal. ‘Bovendien,’ zei de taalkundige toen ik hem van de week sprak na zijn optreden in de talkshow Op1, ‘is origineel taalgebruik onze manier om ons te onderscheiden.’

Misschien, bedacht ik later, is de Nederlandse vlucht in de taal tijdens de pandemie ook een uitvloeisel van onze protestantse traditie en de bijbehorende eeuwenlange Bijbelexegese: in een land waar het middenin de Hongerwinter nog tot een scheuring in de Gereformeerde Kerk kwam vanwege de precieze interpretatie van de doop als ‘veronderstelde wedergeboorte’ danwel als ‘teken van Gods belofte dat iedere dopeling geroepen wordt als kind van God te leven’, kan het niet verbazen dat taalgebruik nog altijd zo’n grote rol speelt als we greep proberen te krijgen op een crisis die de hele samenleving raakt.

Maar wat me nog het meest trof in de oogst van nieuwe coronataal is het grote aantal verkleinwoorden, van bierviltjesvirologie tot lockdownfeestje: om de coronacrisis te bezweren maken we in dit land klein en hanteerbaar wat groot en bedreigend is.

Wie zich in dit land te groot probeert te maken, komt van een koude kermis thuis.

In die kennelijk onbedwingbare neiging gaat premier Rutte zelf voorop: niet alleen muntte hij tijdens een van zijn persconferenties het woord ‘blokjesverjaardag’, hij is ook de man die al jaren spreekt over ‘mijn baantje’, die tijdens zijn vaste loopje naar het Torentje altijd een cappuccinootje haalt bij het vertrouwde koffietentje, die graag een appeltje eet als hij zich op de fiets van zijn bescheiden appartement in het Benoordenhout naar het Catshuis begeeft, en die als premier wars is van grote vergezichten, en uitmunt in het blussen van de brandjes van de week.

behendig brandjesblusser

Op zijn gebrek aan visie en vergezichten krijgt Rutte altijd al kritiek, maar intussen is hij als behendig brandjesblusser populairder dan ooit.

Precies andersom is het Thierry Baudet vergaan. Met zijn grootse vergezichten, met zijn grote woorden over de uil van Minerva, zijn dromen over de Renaissancevloot, zijn bewondering voor leiders als Orbán en Poetin, zijn tirades tegen de kleingeestigheid van de Nederlandse politieke elite, droomde hij zich een paar jaar geleden nog in het Torentje, maar nu zag hij zijn partij in een week tijd in elkaar lazeren, en is hij alweer bijna net zo klein als toen hij begon.

De wijdverbreide schadenfreude in de media was net zo veelzeggend als de reactie van Baudets eigen fractie in het Europarlement, die zich afgelopen week fluks van hem distantieerde: ‘Hij waant zich de messias’. Zo zie je maar weer: wie zich in dit land te groot probeert te maken, komt van een koude kermis thuis. Uiteindelijk hebben we liever een brandjesblusser zonder grote aspiraties.

De onbedwingbare Nederlandse neiging tot de kleine schaal vindt onder leiding van Rutte ook zijn weg in het coronabeleid: terwijl regeringen in andere landen ingrijpen met grote, dwingende maatregelen – strenge lockdowns, avondklokken, grootschalige testoperaties, de inzet van het leger, begeleid door grote woorden over krachtig optreden tegen de levensbedreigende epidemie – is het kabinet hier te lande vooral bezig met het uittrappen van vuurtjes, met kleine handreikingen aan de talloze belangenclubs die om hulp roepen, met doormodderen tot het gros van de bevolking eindelijk gevaccineerd is, en verzanden principiële debatten met Mark Rutte over het gebrek aan strategie en visie steevast in semantiek, want ‘eigenlijk bedoelen we hetzelfde’.

Zo zien we onze verkleinwoorden in de coronataal weerspiegeld in het beleid, en krijgt ons landje de leider die het verdient.