Eindredacteur Marleen Slob en ‘shortlistman’ Jeroen Vullings bespreken in de Republiek der Letteren-podcast De jongens van Nickel. Ook Ian McEwan, Rob van Essen, D.B. John en Arie Storm passeren de revue. En horen we daar ook de naam van ene Sander Pleij?Geen enkele podcast van Vrij Nederland missen? Abonneer je in Spotify, Apple of Google Podcasts of een andere podcastapp naar keuze.
Sommige hoofdpersonen zijn te goed om in werkelijkheid te kunnen bestaan. In ouderwetse boeken kom je ze nog veelvuldig tegen, en in B-films van het genre ‘biopic’. Ook de zestienjarige Elwood Curtis, uit Colson Whiteheads roman De jongens van Nickel, is zo’n heilige.
In het onder rassenscheiding zuchtende Florida van begin jaren zestig wordt hij opgevoed door zijn diepmorele grootmoeder, die hard moet werken als schoonmaakster in een hotel om aan hun kostje te komen. Zijn vader en moeder zijn als ontaarde ouders vroeg weggelopen uit Elwoods bestaan, dus de jongen en zijn oma staan er alleen voor.
Elwood is niet alleen eerlijk, intelligent, leergierig, leeshongerig en gehoorzaam, maar ook nogal naïef. Anderen maken gretig misbruik van zijn goedgelovigheid, onder wie de lepe bordenwassers in het hotel waar opoe beunt: ze maken de bebrilde boekenwurm wijs dat er wedstrijden bordenwassen plaatsvinden en zie, de braverd wint almaar…
Een kerstverhaal zullen we te lezen krijgen
Maar ook dat is, modern gezegd, een leermoment in het nog maar net ingeslagen levenspad van de jongeling Elwood, dat naar verwachting geplaveid zal zijn met goede bedoelingen en daden van grootsheid. De langspeelplaat Martin Luther King at Zion Hill (met door de predikant gesproken tekst ‘die alles omvatte wat de Neger ooit was geweest en zou worden’) landt bij hem op vruchtbare bodem. Ook Elwood zal zich sterk maken voor zwarte burgerrechten, weet hij vanaf toen.
Bij een demonstratie komt hij zowaar een bevlogen leraar van school tegen alsmede leerlingen uit een hogere klas, onder wie ongelooflijk aantrekkelijke meisjes. De toekomst lacht Elwood kortom toe en het vooruitzicht dat hij op grond van zijn uitmuntende cijfers naar de universiteit mag, draagt daartoe bij.
Maar dan. Op weg naar de universiteit krijgt hij een lift van een hippe zwarte man, de politie houdt ze aan, de auto blijkt gestolen en Elwoods ‘medeplichtigheid’ leidt ertoe dat hij naar Nickel wordt gestuurd, een heropvoedingsinstituut voor jonge delinquenten. De hel op aarde, zo blijkt.
Hartverscheurende beproevingen
Het eigenlijke verhaal moet dan nog beginnen, maar de strekking lijkt vast te liggen. Niet zomaar krijgt Elwood de lp met Kings preken op eerste kerstdag 1962. Een kerstverhaal zullen we te lezen krijgen, vol hartverscheurende beproevingen. Een parabel over een deerlijk beproefde Job uit een pijnlijke episode uit Amerika’s toch al duistere geschiedenis. Dickens in tijden van apartheid, realiseert de lezer zich.
Goed en kwaad blijven lange tijd strikt gescheiden in het verhaal.
Zijn keuze om juist zo’n onschuldige rechtschapene als Elwood lijdend voorwerp te maken, benadrukt het duivelse van het toenmalige geïnstitutionaliseerde racisme. De blanke werknemers van Nickel zijn niet zelden lid van de Ku Klux Klan en ze zetten het van generatie op generatie geërfde patroon voort: zwarten moeten hun plaats kennen. Dat resulteert in seksueel misbruik, sadistische lijfstraffen, uitbuiting, zelfs moord. Goed en kwaad blijven zo lange tijd strikt gescheiden in het verhaal. Ook de straatwijze vriend van Elwood, de wees Turner, voegt zich naar dat patroon waarin morele grijstinten ontbreken.
In het nawoord blijken deze misstanden ook nog waargebeurd: Whiteheads creatie Nickel is gemodelleerd naar de Arthur G. Dozier School for Boys, een soortgelijke tuchtschool. Na de sluiting in 2011 werden zo’n vijftig anonieme graven ontdekt.
Beklemmend onrecht
Met zulke zware ingrediënten, met die overmaat aan beklemmend onrecht in het besef dat dit geen verzonnen verhaal is waardoor de adem van het echte voelbaar is, is deze emblematische geschiedenis ronduit aangrijpend. Maar biedt Whiteheads roman literair meer dan het oproepen van die emotie? Ook pulp kan die tenslotte teweegbrengen.
Die kritische vraag komt vanzelf op vanwege Whiteheads overrompelende vorige roman, De ondergrondse spoorweg. Ook in dat verhaal regeren mensonterende raciale toestanden. Daarin volgen we een jonge zwarte vrouw die haar slavenbestaan op een plantage in Georgia ontvlucht en staat na staat koerst naar het noorden van Amerika, waar de vrijheid als vrije burger lonkt. De ‘ondergrondse spoorweg’ was in werkelijkheid een netwerk van helpers die de gevluchte slaven verder hielpen naar het noorden.
Whitehead daarentegen volvoert met dat gegeven een magisch-realistisch kunststukje: zijn heldin neemt écht zo’n ondergrondse trein. En passant, pleisterplaats na pleisterplaats, via haar lotgevallen – dus niet met een dogmatisch wijsvingertje, maar met gebruik van de empathie van de lezer – toont hij de mate en aard van het racisme in toenmalig Amerika. Zie zo’n roman maar eens te overtreffen.
Die vergelijking pakt dan ook niet gunstig uit voor De jongens van Nickel. Wederom meet Whitehead toenmalig Amerika met z’n racismebarometer, weer toont hij hoe kortgeleden gruwelijk onrecht plaatsvond. Maar De jongens van Nickel doet meer dan De ondergrondse spoorweg aan als een conventionele historische roman, doordat zoiets als het hallucinatoir uitpakkende ondergrondse-spoorweggegeven ontbreekt. Whiteheads nieuwste is als roman dus minder dan de voorganger, maar het verhaal is even krachtig – door de verschrikkelijke lotgevallen van Elwood.
Verknipt
Vanaf het derde en laatste deel van deze roman lezen we weer over de Elwood zoals we hem in de proloog leerden kennen: in zijn leven ná Nickel, in New York. Het is hem gelukt een bestaan op te bouwen, anders dan veel andere Nickel-jongens: ‘Het was niet afgelopen wanneer je er wegging. Het misvormde je in allerlei opzichten, zodat je tegen de tijd dat je ervan af mocht zo verknipt was dat je geen normaal leven kon leiden.’
Dat wat ogenschijnlijk een historische aanklacht leek, blijkt dientengevolge een schrijnend, menselijk, al te menselijk verhaal over de drift tot overleven.
Elwood is verhuizer van beroep geworden en ook al is hij daar zo succesvol in dat hij zijn eigen verhuisbedrijf van de grond krijgt, toch lijkt dat niet in lijn der verwachting van de Elwood zoals we hem eerder hadden leren kennen: als iemand die heilig geloofde in de kracht van het woord, een idealist die het systeem wilde veranderen. Iemand die had ingezien dat vluchten uit Nickel tot een wisse dood zou leiden en die daarom een andere vlucht had beraamd: door Nickel van binnenuit te gronde te richten. Door het woord.
Meer ga ik niet zeggen, vanwege die heden ten dage altijd meeloerende anti-spoilerbrigades – alsof een literaire roman, anders dan een thriller, zou devalueren indien de intrige ontvouwd wordt…
Maar laat gezegd zijn dat Whitehead zijn verteltroef, waarmee hij het schematische moralisme uit het begin van de roman tenietdoet, tot het einde toe weet te bewaren. Om die dan kundig uit te spelen. Dat wat ogenschijnlijk een historische aanklacht leek, blijkt dientengevolge een schrijnend, menselijk, al te menselijk verhaal over de drift tot overleven – dat helse oord Nickel liet iederéén (zichzelf) verliezen.
Noodkreet
Ten laatste: een noodkreet over het vertalen. Twee gerenommeerde vertalers, die eerder onberispelijk werk leverden, tekenden hier voor een wangedrochtelijke passage als: ‘In dit geval hield ze er geen stiekeme bedenkingen op na, ondanks het feit dat haar oom Abe sigaren had gerookt, en kijk eens hoe het met hem was afgelopen, ondanks dat Macomb Street een geschiedenis kende als broedplaats van ondeugden, en ondanks dat ze het feit dat ze tientallen jaren geleden door een Italiaanse winkelbediende onheus was bejegend had omgezet in een lang gekoesterde grief.’ Allemachtig.
Over de geciteerde zin zwijg ik maar – uit piëteit. Maar wat is er in hemelsnaam mis met ‘hoewel’ in plaats van het ambtelijke, het natuurlijke ritme verstorende anglicisme ‘ondanks dat’? Je kunt letterlijk en vrij vertalen en dat laatste past bij een literaire tekst, dus waarom daar niet voor gekozen? Ik sluit overigens niet uit dat deze wanvertoning in een laatste ‘tekstronde’ aangericht is door een persklaarmaker. Zo iemand die ook het verschil tussen ‘dat’ en ‘wat’ niet meer kent en daarom altijd ‘wat’ opschrijft – ook als verwijzing naar een het-woord… Om het beschaafd te houden, zeg ik mild tegen de onverlaat: blijf voortaan met je amuzische modderpoten van literair proza af.
Voor de goede orde: die door mij geciteerde ramppassage is een uitzondering in deze vertaling. Gelukkig vergoedt deze Colson Whitehead-zin veel: ‘Het geluid van de pingpongballetjes vormde de onregelmatige hartslag van een tienermiddag.’
De jongens van Nickel door Colson Whitehead is uitgegeven door Atlas Contact.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.