Dit is de tweede reportage in een serie over de anarchistische wijk Exarchia in Athene. Lees ook het eerste deel.
‘City Plaza is de beste plek waar ik ooit gewoond heb,’ zegt de vierendertigjarige Pakistaanse vluchteling Irfan Zaidi met een brede grijns. Hij zit aan een tafeltje in de hal van het City Plaza Hotel, tussen rennende en spelende kinderen.
Het is geen gewoon hotel waar Zaidi woont, maar hét symbool van de Atheense vluchtelingensolidariteitsbeweging. Het gebouw van City Plaza, op tien minuten loopafstand van de radicale wijk Exarchia, werd vlak na de Turkije-deal, in april 2016, door linksradicale en anarchistische activisten gekraakt om vierhonderd vluchtelingen in te laten wonen. Aan de muren hangen feministische slogans en posters van armen die uit ketenen breken. In City Plaza geldt een zero tolerance policy voor drugs, seksisme en racisme. Overal spelen kinderen en wordt samen gelachen, gewerkt en gekookt. Het is een groot contrast met de pleinen vol dakloze vluchtelingen in de rest van de stad, waar de drugs welig tieren en junks op straat crystal meth liggen te roken.

Een grote familie
Sinds de opening van het kraakpand woont Zaidi al in City Plaza. In 2015 vluchtte hij uit Pakistan, nadat zijn vader was vermoord door de Taliban en zijn broer was aangevallen. ‘We zijn met z’n achten op de boot gegaan in Turkije, met vijftig of zestig mensen op een veel te klein bootje,’ vertelt Zaidi. Bang was hij niet, zegt hij lachend. ‘M’n zwager zou de boot besturen, hij is taxichauffeur in Pakistan, dus ik wist dat hij dit ook wel zou kunnen.’
De boot meerde op het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis aan op het Griekse eiland Lesbos, waar dat jaar elke dag duizend mensen aankwamen. Zaidi en zijn familie – zijn zus en haar man, drie nichten en twee neven – brachten een aantal dagen door in het beruchte Moira-kamp op Lesbos, voordat ze verder gingen naar een ander kamp. Een jaar lang zwierven ze door Griekenland, van verschillende kampen naar hostels, bij een Griekse familie in huis, in kraakpanden, om uiteindelijk in City Plaza te eindigen. ‘Het is hier de hemel vergeleken met de kampen,’ zegt Irfan. ‘Vluchtelingenkampen in Griekenland zijn verschrikkelijk, het is er vies, onveilig en overal wordt gevochten.’
‘Alles wat ik kan, heb ik hier geleerd. Een jaar geleden sprak ik nog geen Engels. Ik heb hier leren koken, in Pakistan kon ik niet eens een ui snijden.’
Maar in City Plaza is het anders, zegt hij. ‘We zijn hier een grote familie. En alles wat ik kan, heb ik hier geleerd. Een jaar geleden sprak ik nog geen Engels. Ik heb hier leren koken, in Pakistan kon ik niet eens een ui snijden.’
Eindelijk een veilige plek
Het kraakpand vol migranten is in de afgelopen tweeëneenhalf jaar een internationaal symbool geworden voor de refugee solidarity-movement. Wereldwijd stonden de kranten vol met het project dat ‘het beste in de mensheid laat zien’ (The Guardian). Dankzij de persaandacht regende het steunbetuigingen van over de hele wereld, kwam er geld binnen en kwamen honderden mensen uit Griekenland en de rest van de wereld helpen.
In het kantoortje vlak naast de hal zit Nasim Lomani, een van de organisatoren van het project. De vijfendertigjarige activist is zelf achttien jaar geleden gevlucht uit Afghanistan. In zijn kantoor staat een enorm bureau dat amper in de ruimte past; langs de muren staan boekenkasten vol met ladingen woordenboeken en academische literatuur.
‘In het begin was het doel om een alternatief te creëren voor de verschrikkingen in de vluchtelingenkampen op de eilanden,’ zegt Lomani. De activisten eisten dat vluchtelingen ook recht kregen op onderdak in Athene, niet alleen in tentenkampen buiten de stad. ‘We wilden vluchtelingen geven wat ze daar niet hebben: een bed, een dak, eten, water, een douche – fundamentele menselijke behoeften, eigenlijk.’ Daarnaast dient het City Plaza Hotel ook als politiek centrum, een plek om te verzamelen en te vergaderen over wat er moet gebeuren.
Het was een groot succes. Op de discussieavonden kwamen honderden mensen vergaderen en debatteren over politiek. Voor de vluchtelingen die het geluk hadden er terecht te kunnen, betekende het eindelijk een veilige plek om te wonen.

Die fucking ngo-guys
‘Hier hebben we bewezen dat radicaal links krachtig en creatief kan zijn. In onze omgang met migratie hebben we iets van het radicale links in Griekenland kunnen redden, nadat Syriza het eigenlijk vrijwel vernietigd heeft’, zegt Lomani.
City Plaza werd een internationaal icoon voor solidariteit met vluchtelingen. Maar inmiddels behoort Lomani tot een steeds kleiner wordend team dat de kern van City Plaza vormt. Sinds de vluchtelingen niet meer bovenaan de Europese politieke agenda staan, komt ook dit symbool van menselijkheid en solidariteit onder druk te staan.
‘City Plaza is altijd een spiegel van de samenleving en de solidariteitsbeweging geweest,’ zegt Lomani. ‘Het is drie jaar na de ‘vluchtelingencrisis’ – die voor ons geen crisis was – en inmiddels zijn de onmenselijke toestanden in de kampen genormaliseerd. De kampen zijn getto’s geworden. Ze zouden niet moeten bestaan maar ze worden door iedereen geaccepteerd.’
Lomani heeft een enorme hekel aan de overheden die deze kampen in stand houden, net als dat hij een hekel heeft aan de ngo’s die volgens hem misbruik maken van de situatie. City Plaza Hotel neemt daarom ook geen geld aan van overheden of ngo’s. ‘Alles komt van normale mensen en andere organisaties zoals wij. Als je geld van ngo’s aanneemt kan je ze niet meer bekritiseren.’ Volgens hem is migratie ‘big business’ geworden. ‘Ze leven op crises. Die mensen verdienen vijfduizend euro per maand en hebben allemaal vrijwilligers voor zich werken.’ Hij wordt boos, verheft zijn stem. Dat soort bedragen vindt hij onverklaarbaar, als voor veel mensen in Griekenland 500 euro per maand een normaal loon is, en de jeugdwerkloosheid op 40 procent ligt. ‘Die fucking ngo-guys, ze hebben alles. En veel van hun geld komt van het IMF, dat dit hele systeem in stand houdt.’
Maar zonder geld is het een moeilijke strijd. ‘We hebben simpelweg minder geld dan ooit, en de tijden dat we honderdduizenden mensen in Griekenland hadden die aan humanitaire hulp deden zijn voorbij.’
‘We zijn mentaal, fysiek en financieel uitgeput,’ zegt Nikos Vasilopoulos, die voorheen zeer nauw betrokken was bij het project, maar nu bijna geen tijd meer heeft. Hij heeft na een lange periode van werkloosheid nu drie banen, werkt zo’n vijftig uur per week, doet ondertussen een PhD in sociale antropologie en probeert daarnaast nog actief te zijn in zijn linksradicale politieke groep. Met zijn werk verdient hij rond de zeshonderd euro per maand. Dat is net zoals bij veel Grieken lager dan het minimumloon dat vastgesteld is op iets minder dan zevenhonderd euro per maand. Bovendien ligt de Griekse werkweek van full- én parttimers op gemiddeld 42 uur, het hoogste van Europa.
‘De crisis heeft ons enorm geraakt. Als je aan het overleven bent, heb je geen tijd meer om een activist te zijn.’
Vasilopoulos leed voor de crisis al aan een depressie, maar die werd veel intenser toen hij zijn baan verloor. ‘Financiële onzekerheid maakt je onzekerder over jezelf. Het is alsof je olie op vuur gooit. Als je een kleine psychische stoornis hebt, en je krijgt daar financiële onzekerheid bovenop…’ Hij is stil, vouwt een stukje papier steeds dicht en weer open. ‘Dat is de Griekse situatie van de laatste vijf jaar.’ Volgens data van het Griekse ministerie van Gezondheid werden in 2011 veertig procent meer zelfmoorden geteld dan in het jaar ervoor.
‘We zijn murw geslagen door de realiteit,’ verzucht Vasilopoulos. ‘De crisis heeft ons enorm geraakt. Als je aan het overleven bent, heb je geen tijd meer om een activist te zijn. Wanneer je zes dagen in de week keihard werkt en dan nog steeds arm bent… het is niet makkelijk. We leven in een wreed systeem.’

We kunnen niet meer
Vasilopoulos is niet de enige die het zo ervaart. Alleen al aan de politieke discussieavonden kun je het zien: waar eerst honderden mensen kwamen om te discussiëren over politiek, zijn dat er nu slechts enkele tientallen. De voormalige activisten werken zich nu kapot, of zijn terug naar hun ouderlijk huis buiten de stad, of juist naar het buitenland, waar wel economische kansen zijn. ‘We hebben het hier nu alleen maar over hetzelfde: hoe moe we zijn en hoe we geen progressie zien. We kunnen niet meer. Meestal slaap ik maar drie of vier uur per nacht. Ik wil vaak het liefst gewoon gaan liggen en slapen.’
Ook zou hij wel een gezin willen stichten. ‘We zijn geen stap dichterbij de revolutie dan tien jaar geleden. Ik blijf denken: moet ik stoppen of niet? Dag in, dag uit denk ik daaraan.’
‘Het is een dagelijkse strijd met mezelf, de beweging en mijn deelname eraan: een constante overtreding van m’n limieten.’
Maar voor hem is deze manier van grassroots politiek activisme de enige manier om zijn idealen niet te laten verdwijnen. ‘Het is een dagelijkse strijd met mezelf, de beweging en mijn deelname eraan: een constante overtreding van m’n grenzen.’ Hij blijft vechten omdat hij ‘de macht in het gezicht wil uitlachen.’
Het slot van dit drieluik niet missen? Schrijf je dan in voor onze nieuwsbrief of ontvang onze verhalen via WhatsApp.
Een economische oorlog
De crisis, ‘de capitulatie’ van het linkse blok Syriza en de daaropvolgende bezuinigingsmaatregelen waren stuk voor stuk harde klappen voor de linkse Griekse vluchtelingensolidariteitsbeweging, die nog steeds als een inspiratie voor velen dient. Maar de grote klap was dat de rest van de wereld zich inmiddels niet meer zo bekommert om de situatie in Griekenland. En zonder financiële hulp heeft een internationaal symbool van menselijkheid het ook zwaar. Geen geruststellende gedachte, als City Plaza inderdaad die ‘spiegel van de samenleving’ is, zoals Lomani zegt.
‘Er is hier een dieper begrip over wat het betekent om het zwaar te hebben, dieper dan jullie in het geprivilegieerde West-Europa.’
Maar, zegt hij ook, júist de Grieken werken keihard in de solidariteitsbeweging. ‘De Grieken weten – net als wij Afghanen – wat oorlog is.’ Geen oorlog met kogels en bommen, maar een economische oorlog – die eveneens enorme schade aanricht. ‘Er is hier een dieper begrip over wat het betekent om het zwaar te hebben, dieper dan in het geprivilegieerde West-Europa. Het belangrijkste om te beseffen is dat de vijanden van arme mensen niet ándere arme mensen zijn.’
Van alles wat Lomani in City Plaza Hotel heeft meegemaakt, was dit een van de dingen die hem het meest ontroerde: een groepje van vier jonge activisten die al hun geld bij elkaar legden zodat ze met z’n vieren twee koppen koffie konden kopen. ‘Ze hadden niet eens genoeg geld voor een eigen kop koffie. En toch waren ze hier, om te helpen.’
Dit artikel is tot stand gekomen met steun van The Caravan’s Journal, het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor jonge journalisten.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.