Foto boven, vlnr: Wolfgang Frommel (l) in Olympia, Griekenland, met zijn levensgezel Manuel Goldschmidt en de Joodse Claus Viktor Bock, die bij Castrum Peregrini onderdook. Foto: privéarchief

In februari van dit jaar schreven collega Sander Donkers en ik een uitgebreid verhaal over seksueel misbruik in de kringen van Castrum Peregrini, de culturele instelling op de Herengracht in Amsterdam. De spil in dit verhaal was Wolfgang Frommel (1902-1986), een charismatische man die als opvoedingsmethode de ‘pedagogische eros’ propageerde: volwassen mannen, en niet de ouders, moesten jonge jongens initiëren in de wereld van kunst, cultuur en wetenschap. Lichamelijke liefde was de motor achter die opvoeding. Deze leer, ontleend aan de Griekse oudheid, werd eerder in Duitsland uitgedragen door de dichter Stefan George. Frommel was er bekend mee geworden door zijn oudere vriend, de kunsthistoricus Percy Gothein, die op zijn beurt weer de jonge minnaar van George geweest.

In het artikel kwamen vijf voormalige Castrum-leden aan het woord die, terugkijkend op de gebeurtenissen in de jaren zeventig en tachtig, tot de conclusie kwamen dat er sprake was van sektarische toestanden, waarbij oudere mannen, en met name Frommel, misbruik maakten van hun machtspositie. Inmiddels heeft de Raad van Advies (waarin onder meer oud-burgemeester Job Cohen en oud-NIOD-directeur Marjan Schwegman) van Castrum Peregrini laten weten ‘bezorgd te zijn over de verhalen over misbruik’ en steunt zij het besluit van de directie om een ‘onafhankelijk en transparant’ onderzoek te laten instellen. Overigens: diezelfde onderzoekers hebben eerder laten weten niet geëquipeerd te zijn om specifiek onderzoek te doen naar seksueel misbruik. En de slachtoffers die in het verhaal aan het woord kwamen hebben nu, drie maanden later, nog steeds geen contact gehad met de onderzoekers.

Lees ookLees hier ons eerdere reconstructie van misbruik bij Castrum Peregrini22 februari 2018

Het VN-artikel spitste zich toe op het misbruik, maar er blijkt een ander dubieus element in Wolfgang Frommels geschiedenis te bestaan. De van oorsprong Duitse dichter-uitgever, die in september 1939 in Nederland was blijven hangen, deed het altijd voorkomen alsof hij zich tegen Hitler en het naziregime had gekeerd. De reputatie van het huidige Castrum Peregrini drijft voor een belangrijk deel op het dappere oorlogsverleden. Frommel had samen met kunstenares Gisèle d’Ailly-van Waterschoot van der Gracht een aantal Joodse jongens had laten onderduiken op de Herengracht 401, waar Castrum Peregrini nog steeds is gevestigd. Al gedichten lezend waren ze de laatste oorlogsjaren doorgekomen. Frommel ontving hiervoor in 1971 van het Israëlische Holocaust-herinneringscentrum Yad Vashem de Rechtvaardige onder de Volkeren-onderscheiding.

Verheerlijking van bloed en bodem

Maar klopt het beeld van de man die zich tegen de nazi’s verzette wel? In de motivatie bij de verlening van de Yad Vashem-onderscheiding staat te lezen dat Frommel in 1932 een boek ‘tegen het nationaalsocialisme’ had gepubliceerd, getiteld Der Dritte Humanismus.

Het lijkt echter wel of de organisatie dat boek helemaal niet gelezen heeft. Uit onderzoek in de jaren negentig door Duitse wetenschappers komt namelijk een heel ander, veel minder gunstig beeld naar voren. De onderzoeker Günter Baumann beschreef in Dichtung als Lebensform (1995) het leven van Frommel voor de oorlog en gaat ook uitgebreid in op Der Dritte Humanismus. Hij stelt dat het boek ‘ideologisch geladen’ is en daarbij valt het hem op dat aan ‘bijna alle criteria wordt voldaan’ om een tekst als nationaalsocialistisch te bestempelen; ‘de overdrijvingen, de absurde metaforen, de gezwollen taal’. Zo stelt Frommel dat Duitsland als ‘volbloed erfgenaam’ van ‘de nalatenschap van het blanke ras’ de enige is die de ‘diepte van de Europese geest op unieke wijze kan vertegenwoordigen’. Volgens Baumann is sprake van ‘verheerlijking van volk, bloed en bodem’ en zijn de antidemocratische ideeën van Frommel en de nazi’s ‘uitwisselbaar’.

Bij dit alles, zo stelt Baumann, moet de huidige lezer ook nog bedenken dat het boek is geschreven in 1932, voordat Hitler aan de macht kwam. Niemand oefende dus druk op Frommel uit. Het boek kwam trouwens uit bij Frommels eigen uitgeverij Die Runde, die meer boeken uitgaf die het nazi-gedachtegoed ondersteunden.

En Der Dritte Humanismus staat niet op zichzelf. Frommel bewoog zich in die jaren volop in nationaalsocialistische kringen. Hij was goed bevriend met een zekere Hans Joachim Schoeps, leider van de Deutscher Vortrupp, een vereniging van jonge Joden die ook wel worden omschreven als ‘nazi-Joden’ (er waren Joden die in deze periode nog geloofden dat ze een plek in de nationaalsocialistische staat konden krijgen).

In 1934 schreef hij lovend over een rede van Adolf Hitler en noemde hij het nationaalsocialisme ‘de authentieke erfgenaam van het Duitse verleden’.

Via Schoeps kwam Frommel in contact met Schwarzes Fähnlein, een nationalistische Joodse jongensclub die de nazi-ideologie onderschreef. Die groep werd geleid door Kurt Wongtschowski. Frommels oog viel op diens jongere broer Friedrich Adolf, bijgenaamd Buri, die op dat moment 14 jaar oud was. Buri zou later onderduiken op de Herengracht en met hem zou Frommel een relatie krijgen die overging in een levenslange vriendschap.

Schoeps had het plan opgevat – zo schreef hij in zijn memoires – om het Schwarzes Fähnlein en de Deutscher Vortrupp in navolging van de Hitlerjugend te laten marcheren door de Brandenburger Tor, een plan dat overigens mislukte.

In april 1933 werd Frommel door NSDAP- en SS-lid Walther Beumelburg, directeur van de gelijkgeschakelde Reichssender Frankfurt, gevraagd een radioprogramma te verzorgen. In oktober van dat jaar vulde hij voor zijn nieuwe werkgever een formulier in (zie afbeelding onder) waarop hij aangaf lid te zijn van de Sturmabteilung (SA), de gevreesde nationaalsocialistische knokploegen van Ernst Röhm.

castrum peregrini
Het formulier waarop Wolfgang Frommel invulde dat hij SA-lid was. Bron: Capri

In 1934 schreef hij lovend over een rede van Adolf Hitler en noemde hij het nationaalsocialisme ‘de authentieke erfgenaam van het Duitse verleden’. En in het studiejaar 1934-35 gaf Frommel nog les aan de Universiteit van Greifswald, waar hij nationaalsocialistische pedagogiek doceerde. In 1936 werd het gedicht Die Fackel voorgedragen tijdens de Olympische Spelen in Berlijn. In 1937, toen het Nazi-regime al op grote schaal censuur toepaste, verscheen er nog een dichtbundel van zijn hand.

Het wegpoetsen door Castrum Peregrini

Een onderzoeker die lange tijd verbonden is geweest aan Castrum Peregrini, Michael Philipp, probeerde in zijn dissertatie het SA-lidmaatschap weg te poetsen, door te stellen dat er verder geen inschrijvingen van Frommel zijn gevonden bij andere nazi-instellingen, en dat de dichter zelf later benadrukte nooit lid te zijn geweest van nationaalsocialistische organisaties. Maar dat lijkt niet meer dan een poging tot geschiedsvervalsing: feit is dat Frommel door een nazi gevraagd werd radio-uitzendingen te verzorgen en dat hij op een formulier invulde lid te zijn van de SA. Dat hij nergens lid is geweest is bovendien niet waar: nog in 1937 liet hij de Reichsschrifttumskammer op een aanvraag weten dat hij ‘ehrenhalber’ lid was van de ‘Stab der Hitler Jugend  Frankfurt’. Verbazingwekkend genoeg komt dit feit uit het boek van Michael Phillipp zelf. De verbindende schakel tussen Frommel en de Hitlerjugend was zijn vriend Sven Schacht, die in 1933 door het regime gevraagd was te helpen bij de opbouw van de organisatie. Deze Schacht was overigens de neef van Hjalmar Schacht, die onder Hitler president van de Rijksbank was en minister van Economische Zaken was. De lijnen met het regime waren dus kort.

Waarom was een leerling genaamd Clemens Brühl niet welkom om onder te duiken op de Herengracht? ‘Was hij niet knap genoeg?’

In kringen die Frommel nog steeds zien als groot voorbeeld wordt ook gesuggereerd dat de nazi’s ergens in de jaren dertig uitgeverij Die Runde hebben verboden. Dit is onjuist, zo schreef onderzoeker Manfred Herzer in 1999 in het tijdschrift Capri, dat wordt uitgegeven door het homomuseum in Berlijn. Nog in 1940 verschenen bij Frommels uitgeverij nieuwe werken, en pas in 1943 werd de onderneming Die Runde uit het Berlijnse Handelsregister geschrapt. Der Dritte Humanismus werd uiteindelijk – pas na de derde druk – in 1935 op de zwarte lijst gezet, waarschijnlijk omdat het toch niet helemaal in de nazi-ideologie paste.

Anders dan Frommel en zijn vrienden suggereerden is hij Duitsland nooit ontvlucht. Hij reisde in 1936 op legale wijze, met een uitreisvisum, eerst naar Zwitserland en van daar naar het fascistische Italië van Benito Mussolini. Daarna ging hij naar Parijs, en uiteindelijk dook hij op in Nederland, waar hij via Adriaan Roland Holst in contact kwam met de kunstenares Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht, die hem in de oorlogsjaren onderdak bood aan de Herengracht. Het was pas vanaf dit moment dat Frommel van wegbereider en meeloper van het naziregime de overgang maakte naar het kamp van de tegenstanders van het nationaalsocialisme.

De onderduikers: niet knap genoeg?

Maar daarmee is de controverse rond de figuur Frommel niet voorbij. Want er is niet alleen sprake van door Frommel zelf na de oorlog gestarte mythevorming over zijn vooroorlogse leven, maar ook als het gaat om de opvang van Joodse onderduikers. Volgens de omschrijving van Yad Vashem verleende Frommel onderdak aan in ieder geval twee jongemannen. De eerste was de zestienjarige  Claus Victor Bock, die de toen 38-jarige Frommel had leren kennen op een kostschool in Eerde. Bock werd Frommels ‘geestelijke zoon’. De tweede was de eerder genoemde Buri Wongtschowksi, die niet net als de rest van zijn Joodse familie naar Brazilië was gevlucht maar aangemoedigd door Frommel naar Nederland was uitgeweken. Totdat hij moest onderduiken gaf hij tekenles op Eerde. Ook nam Frommel de schizofrene Torry Goldstern enige tijd in huis op de Herengracht.

castrum peregrini
Wolfgang Frommel. Foto: privéarchief

Verder worden de broers Manuel en Peter Goldschmidt genoemd, die een Joodse vader en een niet-Joodse moeder (van Poolse komaf) hadden. Zij zaten ook op de kostschool, maar hoefden, omdat ze ‘half-Joods’ waren, niet onder te duiken. Wel kwamen ze regelmatig bij Frommel op bezoek in de ‘burcht’. Vanaf begin jaren zestig was Manuel Goldschmidt een centrale figuur bij de uitgeverij van Castrum Peregrini, en was hij min of meer de levensgezel van Frommel.

Op de kostschool in Eerde zaten vijftig joodse jongens en meisjes, waarvan de meesten zijn vermoord in de concentratiekampen. Waarom koos Frommel juist Bock en steunde hij de gebroeders Goldschmidt? Marita Keilson, ze is nog steeds nauw met het huidige Castrum verbonden, bracht de vraag op in haar boek Kentaurenliebe uit 2010: koos Frommel niet vooral voor de mooie jongens? Waarom was een leerling genaamd Clemens Brühl niet welkom op de Herengracht? ‘Was hij niet knap genoeg?’, laat Keilson een anonieme bron zeggen, zonder overigens de vraag te beantwoorden.

Tot slot is er Castrums mystificatie van de figuur van Percy Gothein, een Stefan George-adept en intieme vriend van Frommel. De twee kenden elkaar uit vooroorlogs Duitsland, waar Gothein herhaaldelijk met de autoriteiten in de problemen kwam vanwege seksuele contacten met (minderjarige) jongens. Hij reisde twee keer naar Nederland, in 1943 en in 1944. Die tweede keer verbleef hij enkele weken in Amsterdam op de Herengracht, waarna hij naar Ommen ging om vrienden op te zoeken. De politie kwam naar het huis waar ze verbleven om te vragen naar Gotheins papieren en troffen hem in bed aan met de zeventienjarige Simon van Keulen. De agenten haalden de commandant van het nabijgelegen Kamp Erika, en er vond een inval plaats, waarbij zowel Van Keulen als Gothein werden opgepakt wegens onzedelijk gedrag. Een derde vriend, Vincent Weijand, werd vier dagen later gearresteerd. Gothein en Weijand werden zonder enig proces afgevoerd naar concentratiekampen en overleefden de oorlog niet. Van Keulen sprong uit een trein, en keerde terug naar de Herengracht ‘als een spook’, aldus de overlevering.

Op de website van het Nationaal Comité 4 en 5 Mei wordt vermeld dat Gothein contacten had met het verzet, maar daar is geen enkel bewijs voor.

Na de oorlog bracht Castrum Peregrini onder leiding van Frommel in steeds weer herhaalde publicaties (o.a. door mensen als Manuel Goldschmidt) de mythe de wereld in dat Percy Gothein lid was geweest van het Duitse verzet en verbonden met de groep rond Claus von Stauffenberg, de Duitse graaf en kolonel die op 20 juli 1944 een aanslag pleegde op Hitler (vijf dagen voor de arrestatie van Gothein op 25 juli).

Gothein zou volgens de lezing van Castrum Peregrini naar Nederland zijn gevlucht en hier via een illegale zender contact hebben willen zoeken met Londen om namens de groep rond Von Stauffenberg een vredesvoorstel te doen aan de geallieerden. Toen hij in Ommen werd opgepakt, zou hij tijdens zijn ondervragingen als het graf hebben gezwegen en daarom zijn afgevoerd naar het concentratiekamp. Met andere woorden: Gothein was een heldendood gestorven.

Op de website van het Nationaal Comité 4 en 5 Mei wordt die mystificatie kritiekloos herhaald. Gothein wordt vermeld op een speciale pagina over vervolgde homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar staat te lezen dat hij onder meer naar Nederland vluchtte ‘…wegens zijn contacten met het verzet in Duitsland.’

Maar voor contacten tussen Gothein en het Duitse verzet is geen enkel bewijs, zo stelde de eerdergenoemde Manfred Herzer al in 2003 vast in het tijdschrift Capri. Hij onderzocht alle literatuur over het Duitse anti-naziverzet en hun contacten met Nederland, die volgens hem louter via hooggeplaatste figuren als advocaten en diplomaten verliepen. De naam Gothein dook nooit op. Een ander argument dat hij aanvoert is dat samenzweerders tijdens het naziregime altijd een (show)proces kregen. Daarvan was bij Gothein geen sprake. Hij werd opgepakt en afgevoerd – hetzelfde lot dat vele andere homoseksuelen in bezet Nederland trof.

Het idee dat deze samenzweerders ‘een volledig onervaren figuur die nooit eerder was opgevallen vanwege verzetsactiviteiten’ zouden inzetten bij onderhandelingen met de Engelse regering ontbeert volgens Herzer ‘alle geloofwaardigheid en innerlijke plausibiliteit’. En omdat de auteurs van Castrum en hun navolgers geen enkel schriftelijk bewijs overleggen ging Herzer zelfs zo ver hen te beschuldigen van ‘een opzettelijke poging tot geschiedvervalsing’.

Hoe is het dan wel gegaan? Het toeval wil dat de Duitse schrijver Wolfgang Cordan, die in die tijd bevriend was met Frommel, ook in Ommen was op het moment van de arrestaties. Vijf dagen later, op 30 juli 1944, schreef hij in zijn dagboek dat Percy Gothein ‘in flagranti was betrapt, kaalgeschoren en opgesloten in het plaatselijke concentratiekamp’. Met hem, zo noteerde Cordan ‘twee jongens, waarvan er een het daadwerkelijke corpus delicti was’. Dit dagboek moet ook te vinden zijn in het Castrum-archief, maar volgens Herzer werd nooit uit de ‘gevaarlijke delen’ geciteerd in de stukken over Gothein, omdat dan het verzetsverhaal zou worden ontkracht. Zo schreef Cordan toen hij hoorde over de dood van de kunsthistoricus in het concentratiekamp: ‘PG werd nooit als samenzweerder vastgezet (…) hij geraakte in een ongelukkige samenloop van omstandigheden die hij te wijten heeft aan zijn levenswandel’. Cordan zou door de Castrum-auteurs door de jaren heen steeds weer verdacht worden gemaakt als iemand die zich schuldig maakte aan intriges.

Nieuwe mythes creëren

De huidige directie van Castrum Peregrini is bezig met het creëren van weer nieuwe mythes. Zij probeert Wolfgang Frommel zo veel mogelijk buiten beeld te manoeuvreren, en schuift Gisèle naar voren als het kloppende hart van Castrum Peregrini. Dit is historisch onjuist, Frommel was de centrale figuur; Van Waterschoot huisvestte hem, onderhield hem en zijn kring en maakte de uitgaven van de uitgeverij mede mogelijk. Dat zij daarvoor weinig erkenning kreeg is onrechtvaardig en tragisch. In het najaar verschijnt een biografie over Gisèle van Annet Mooij; wellicht dat dan zal blijken of ze heeft weggekeken bij het seksueel misbruik door Frommel, of dat ze – hoewel ze een verhouding met Frommel heeft gehad – niets wist van zijn escapades met minderjarige jongens.

De huidige directie van Castrum Peregrini laat in een reactie op vragen van Vrij Nederland weten dat er wat haar betreft met betrekking tot het vooroorlogse verleden van Frommel en de Joodse onderduikers ‘niets nieuws onder de zon is’, en ze er aandacht aan hebben geschonken in de publieksprogramma’s van de afgelopen jaren. Verder heeft Castrum Peregrini ‘zo’n vijftien jaar geleden afstand genomen van Wolfgang Frommel’. Zijn gedachtegoed dient dan ook ‘op geen enkele wijze’ als uitgangspunt voor de huidige programmering. Dat de stichting afstand heeft genomen van Frommel, valt overigens te betwijfelen. Begin vorig jaar plaatste het Instagram-account van Castrum Peregrini nog een foto van Frommel en Van Waterschoot, die in het onderschrift ‘Unsung Heroes’ worden genoemd.

 

Dat er in publicaties van de laatste jaren verschillende aantallen worden genoemd als het gaat om de onderduikers noemt de huidige directie ‘één van de aspecten die interessant zijn voor nader onderzoek’, maar het doet volgens haar niet af aan het feit ‘dat Joodse levens zijn gered’. Verder wijst de directie erop dat als onderdeel van het onafhankelijk historisch onderzoek dat is gestart naar de geschiedenis van Castrum Peregrini door hoogleraar Nicole Colin ook zal worden gekeken naar mogelijk seksueel misbruik. ‘Wij zijn hier blij mee en vertrouwen erop dat het historisch onderzoek bij deze wetenschappers in goede handen is. Wij gunnen hen de tijd en de faciliteiten die zij hiertoe nodig achten en zullen hen ondersteunen waar wij dat maar kunnen,’ aldus directeur Frans Damman in een reactie.

De mythevorming rond het oorlogsverleden van de instelling is overgenomen door een eerbiedwaardige instelling als Stichting 1940-1945. In het onlangs door die stichting verstuurde Contactblad staan ter gelegenheid van het Jaar van Verzet tal van tentoonstellingen en lezingen genoemd die plaatsvinden rond 4 en 5 mei. Ook Castrum ontbreekt niet in dit rijtje. Alleen al in de aankondiging voor de rondleidingen wordt gesteld dat daar zeven Joodse jongens ondergedoken zaten. Het waren er twee: Bock en Buri. Daarnaast kwamen er jongens op bezoek of zaten er mensen tijdelijk in het pand. De naam Frommel ontbreekt trouwens geheel in de aankondiging.

De zaak rond het grauwe verleden van Castrum Peregrini werd in de zomer van 2017 in Vrij Nederland aan het rollen gebracht door ex-Castrum-lid en voormalige cultureel attaché in New York Frank Ligtvoet. Ligtvoet heeft inmiddels in Duitsland gesproken met de Unabhängige Kommission zur Aufarbeitung sexuellen Kindesmissbrauchs. Ook stapte hij naar de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen. Die heeft zijn verzoek om een onderzoek doorverwezen naar het ministerie van Justitie.