In haar onderzoek naar de geheime charmes van de bourgeoisie bepleit econoom Deirdre McCloskey dat de vooruitgang van het Westen sinds 1600 niet door geld veroorzaakt is, maar door ideeën. Maar daarmee verheerlijkt ze de markt.
De Willem Drees-lezing van minister van sociale zaken Lodewijk Asscher over ‘De toekomst van de middenklasse’ herinnerde mij er aan dat de Amerikaanse econoom Deirdre McCloskey de afgelopen vijf jaar aan de Erasmus Universiteit één lofrede heeft gehouden op de geheime charmes van de bourgeoisie en wat zij vooral de afgelopen tweehonderd jaar in het Westen tot stand heeft gebracht. Ze schreef er dikke boeken over: The Bourgeois Virtues en The Bourgeois Dignity, volgend jaar gevolgd door The Bourgeois Equality. McCloskey probeert daarin aan te tonen dat de voorspoed in het Westen sinds het jaar 1800 niet het gevolg is geweest van de toename van het kapitaal waarmee gewerkt en winst gemaakt werd, maar door de ethiek: door de behoefte aan vrijheid en verbetering, door haar samengevat in het woord ‘liberalisme’.
Dat het ethiek is en geen hebzucht dat de bourgeoisie drijft, kun je in ieder geval met minister Asscher in twijfel trekken als het gaat om de flexibilisering van de banen van de laatste vijftien jaar. Die wordt door de werkgevers omarmd vanwege de louter voordelen die het hen oplevert. Dat gaat ten koste van de bestaanszekerheid van steeds meer ontwikkelde en goed opgeleide mensen. Die hoppen met een pak diploma’s van de ene tijdelijke baan naar de andere. Ook de goed opgeleiden zijn de dupe. Hier heeft McCloskey het niet over, zover ik het heb kunnen zien. Zij heeft het wel over ‘de denkbeeldige maar nooit feitelijk gedocumenteerde tekortkomingen van de markt’. Alsof ‘de markt’ alleen maar zegeningen heeft gekend. Werden arbeiders nooit uitgebuit? Was er geen kinderarbeid? Er werd nooit twaalf en meer uur gewerkt? Er werden geen slaven gehouden? ‘De markt’ is in werkelijkheid een zegen die gepaard gaat met veel rampspoed: met verplaatsing van werk naar landen waar een minimaal loon kan worden betaald. Waar de arbeidsomstandigheden abominabel zijn. ‘De markt’ zorgt voor grootscheepse vervuiling. De markt zorgt voor veel heerlijks, maar de neoliberale the sky is the limit-variant lokt frauduleuse praktijken uit.
De markt zorgt voor veel heerlijks, maar de neoliberale the sky is the limit-variant lokt frauduleuse praktijken uit
McCloskey heeft het in de taal van Mao over ‘The Great Enrichment’ (De Grote Verrijking) van de afgelopen twee honderd jaar, alsof het over de Grote Sprong Voorwaarts gaat. Wat niet wegneemt dat die verrijking wel degelijk plaats heeft gevonden. Mij zul je de verdiensten van de bourgeoisie niet zien ontkennen. Maar de bourgeoisie heeft meer gezichten. Ze heeft niet alleen maar deugden. Tegelijk met haar werklust, levenslust, degelijkheid en betrouwbaarheid is de bourgeoisie op zijn tijd moreel armoedig, hypocriet, op de centen, jaloers, hebzuchtig, praalhanserig en rancuneus. McCloskey zegt wel dat de bourgeoisie ‘niet zonder blaam’ is, maar veel inhoud geeft ze dat niet. Het blijft erbij dat de bourgeoisie de nieuwe aristocratie heeft willen worden.
Hier en daar geeft McCloskey er blijk van dat ze weet dat de bourgeoisie wel eens een filistijns gebrek aan kunstzin kan vertonen, en dat economen wel eens een ‘boyish disdain’ tentoon spreiden voor menselijke waarden. Dat ‘boyish disdain’ is een karakteristiek eufemisme. Bij de zogeheten ‘Chicago Boys’, de economen die onder leiding van Milton Friedman aan de wieg stonden van het neoliberalisme en van privatiseringen, neppolissen, belastingontduiking en bankfraude, denk je niet aan pubers, maar eerder aan zware jongens. Wanneer McCloskey zegt dat de bourgeoisie soms een filistijns gebrek aan kunstzin kan vertonen, neutraliseert ze dat met een aandoenlijke jij-bak door te zeggen dat die door kunstenaars en intellectuelen zo ‘geminachte bourgeoisie’ er wel voor zorgde dat die literaire krabbelaars voorzien werden van ‘ballpoints, tekstverwerkers, kranten en opleidingen.’ McCloskey weet wel dat het er in ‘de markt’ niet altijd fris aan toegaat, maar het lukt haar niet te erkennen dat het om essentiële weeffouten gaat die steeds opnieuw gecorrigeerd moeten worden. Toen James Watt de stoommachine uitvond wilde hij er meteen patent op hebben, alleen voor zichzelf. De behoefte aan monopolievorming is een permanent terugkerend oneerlijk aspect van ‘de markt’.
McCloskey verdedigt in haar boeken de hypothese dat het niet geld of de vermeerdering van kapitaal is geweest dat de vooruitgang sinds 1600 heeft veroorzaakt, maar ideeën, ‘het op elkaar stapelen van idee op idee’. Het ging dus nooit om de materie, maar om het uitoefenen van nobele deugden. McCloskey is er zo van overtuigd dat het geld ondergeschikt is geweest dat ze het ‘beladen K-woord’ (kapitalisme) niet meer wil gebruiken. Om haar te rehabiliteren maakt McCloskey de bourgeoisie eerst zielig. En daar is geen enkele reden voor.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.