Slough House bestaat. Niet alleen in de spionageromans van de Engelsman Mick Herron (1968), maar tastbaar, in het niet-verzonnen Londen. Een liefhebber toog op excursie – zie zijn foto’s op spywrite.com – en traceerde dit afvoerputje van de Britse inlichtingendienst MI5 nabij metrostation Barbican, om precies te zijn op Aldersgate Street 126. Even armoedig als in Herrons fictie vormt dat kantoor een hemelsbreed verschil met het hoofdkwartier van de Dienst. Bij Herron is dat moederschip gesitueerd nabij Regent’s Park, herkenbaar gemodelleerd naar Thames House, waar de eredivisie van MI5 zetelt.
Doet dit ertoe, kun je je afvragen. Ja, in zoverre dat Herron in zijn inmiddels zesdelige Slough House-reeks zozeer tot de verbeelding sprekende personages heeft geschapen, dat de lezer ze als vitale metgezellen ervaart. Daardoor voelt de sensatie een lelijk stenen pand te zien al als intimiteit. Want zou, daar op de bovenste verdieping, de charismatische klootzak Jackson Lamb op duistere zaken broeden? Na het lezen van de romans Slow Horses, Dead Lions, Real Tigers, Spook Street, London Rules en de novelle The Drop twijfel je daar niet aan.
Opvolger van Greene en Le Carré
Mijn kennismaking met Herrons oeuvre is van recente datum. Na een aantal misdaadromans over een privédetective gooide hij het in 2010 over een andere boeg met de spionageroman Slow Horses. Dat boek betekende zijn doorbraak in Engeland. Afgelopen december liep ik in Londen mijn vaste boekwinkel binnen, zo een waar de snobistische verkopers met handgeschreven kaartjes hún favorieten onder de aandacht brengen. De in keurig handschrift gestelde aanbeveling bij de kennismakingsnovelle The Drop luidde dat Herron de opvolger is van Graham Greene, John le Carré en Ian Fleming. Zij zijn z’n vaders en hij is hun talentvolle bastaardzoon. The UK’s new spymaster, ook die term viel. Toe maar.
Toch maar eens grommend geprobeerd – en ja, geen woord gelogen. Ik beperk mij in deze vergelijking tot de twee auteurs die voor mij literair de doorslag geven: Greene en Le Carré. Waar het gaat om de al te menselijke karaktertekening van zijn personages, om psychologie dus, doet hij aan Greene denken. Waar het gaat om ragfijne, paranoïde weefwerken in de blijvende schaduw van de Koude Oorlog, met de vertakte organisatiestructuren, het krachtenveld van spionage en contraspionage, de codes, mollen, complexe valstrikken en even intelligente tegenzetten op het speelveld van dien, proef je Le Carré. Maar wat Herron toevoegt, met de vondst Slough House, liegt er evenmin om.
De afgeschrevenen
Zo bar en geestig is MI5 nog nooit afgeschilderd. In Slough House, dat achterafkantoor van MI5 waar niemand terecht wil komen, huizen de mislukkelingen, de verliezers, de afgeschrevenen, de agenten die onbetrouwbaar geacht worden of zwak. De lui waar de dienst het liefst vanaf wil, de ‘trage paarden’. Een heel ander slag dan de ambitieuze, veelbelovende werknemers van het hoofdkwartier, kortweg aangeduid als ‘het Park’. Aan elke Slough House-resident kleeft wel een verhaal met een rafelrandje: zo heeft Min Harper op een dag een disc met gevoelige informatie verloren in de metro. De volgende ochtend werd de inhoud breed uitgemeten in de media – einde carrière. Catherine Standish op haar beurt raakte verzot op de fles, en vormt daardoor een bedrijfsrisico – enkele rit Slough House. Deze personae non gratae doen daar routineklusjes, in de ijle hoop dat er zich op een dag verlossing aandient. Die beginsituatie speelt ook in Dode leeuwen, het zelfstandig te lezen tweede deel van de reeks, uitstekend vertaald door Mario Molegraaf.
De kans op verlossing doet zich direct voor in het openingshoofdstuk, wanneer de gewezen spion Dickie Bow op Paddington Station een voormalige tegenstrever meent te herkennen. Een Rus uit zijn tijd in Berlijn, hartje Koude Oorlog. En niet zomaar een Rus, maar een die hem na zijn ontvoering gemarteld heeft door gedwongen inname van alcohol. Bow was altijd al een zuipschuit van beschaduwde reputatie, mild gezegd. Dus na zijn terugkeer uit de gevangenschap vond zijn verhaal weinig gehoor, al werd het geregistreerd in de annalen. Het verloop van Bows loopbaan kende geen hoogtepunten, momenteel werkt hij in een pornowinkel. Ook deze achtervolging heeft geen gelukkig einde. Bow blijft achter in de bus die gestrande treinreizigers van Londen naar Oxford brengt, kennelijk gestorven aan een hartaanval. Dat wordt het begin van een geraffineerd kat- en muisspel, Herrons handelsmerk.
Eens een spion, altijd een spion
Dat benadrukt de schrijver door in het tweede hoofdstuk daadwerkelijk een kat binnen te laten sluipen in Slough House. Kamer na kamer, verdieping na verdieping, verkent het nieuwsgierige dier het gebouw en dat geeft Herron de gelegenheid zijn personages onnadrukkelijk te introduceren. Beneden, onderaan de hiërarchie, huist IT-man Roderick Ho, een antisociale autist die, áls hij de kat had opgemerkt, met een frisdrankblikje op de indringer had gemikt. Catherine Standish daarentegen negeert de kat: ‘Een kat bezitten is één stapje verwijderd van twee katten bezitten, en een alleenstaande vrouw zijn van vijftigplus met twee katten staat gelijk aan zeggen dat het leven voorbij is.’
Helemaal boven in het gebouw loert het gevaar, in de persoon van Jackson Lamb – de hoofdpersoon van de Slough House-reeks. ‘De lucht is zwaar van de olfactorische dagdroom van een hond: afhaaleten, ongeoorloofde sigaretten, scheten van een dag oud en verschaald bier.’ Hij zou het dier verrassend snel hebben gegrepen en uit het raam gegooid, waarna van Aldersgate Road misschien ‘een gedempte bons en een melodieus gieren van de remmen’ waren opgestegen. Lamb zou dan weer in zijn stoel zitten, ‘de ogen dicht; zijn worstachtige vingers verstrengeld op zijn buikje’. Zo’n man dus.
Wanneer Herron daarna vertelt dat de kat niet bestaat en dat Herron uithuizig is – hij volgt het laatste spoor van zijn collega uit ‘Berlijn’ Dickie Bow, want ‘eens een spion, altijd een spion’ en daarom is de dood van deze mede-leeuw het onderzoeken waard – lijkt de verteltruc van de-verzonnen-kat-die-de-inpandige-karakters-blootlegt in eerste instantie vooral een literaire geurvlag te zijn geweest, net zoiets als zijn voorliefde voor personificaties van onbezielde voorwerpen en dito grootheden, zoals een ‘stervend vuur’. Maar tegen het slot blijkt de kat onderdeel van een metafoor, die de roman als geheel typeert.
‘De lucht is zwaar van de olfactorische dagdroom van een hond: afhaaleten, ongeoorloofde sigaretten, scheten van een dag oud en verschaald bier.’
De drie verhaallijnen zijn dan samengevloeid in een daverend slot, naar de actiebeladen conventies van het suspensegenre. Eerst Lambs onderzoek naar wat Dickie Bow op het spoor was; hij liet een mobiele telefoon achter met boodschap: één woord: ‘ciscaden’ – code voor ‘slapers’, een waarschuwing die de Koude Oorlog-veteraan Lamb meteen herkent.
Dan de verwikkelingen van twee andere, trage paarden van Slough House, Min Harper en zijn geliefde Louisa Guy, die in opdracht van het MI5-hoofdkwartier een Russische oligarch tijdens diens bezoek aan Londen moeten laten overlopen.
Ten laatste het verblijf van Slough House-werknemer River Cartwright in het dorpje Upshott, waar hij nipt een terreuraanslag in de smiezen krijgt.
Met deze hoofdlijnen is niks verklapt, want de plot in het elegant en prettig vilein geschreven Dode leeuwen is ongekend vernuftig en complex. Bestaat Alexander Popov, de mysterieuze Rus uit Dickies verleden wel? Werd Dickie indertijd ontvoerd om ruim twintig jaar later een val voor MI5 te zetten? Welke sporen zijn echt en welke vals? Heeft die oligarch een fake identiteit?
Die vele vragen wijzen er al op: we zijn diep in een kat-en-muis-spel à la Herron terechtgekomen, met wisselende rollen voor kat en muis. Daarom laat Herron – wink wink – na gedane zaken tegen het slot een muis Slough House binnendrentelen, langs de pizzaresten, opwaarts, langs bijna alle personages als in het begin van de roman.
De laatste ontmoeting van de muis is die met het zwaarlijvige zwijn Jackson Lamb, met zijn erbarmelijke persoonlijke hygiëne, zijn vraatzucht, kettingrokerij, inslecht karakter, oog voor exploiteerbare menselijke zwakheden, vuilbekkerij. Zoals in Real Tigers over hem gezegd wordt: nadat de Muur viel, bouwde hij er zelf een en daarachter leeft hij sindsdien. Herron en hij zijn voorlopig nog niet klaar met elkaar, goddank.
Mick Herron, Dode leeuwen, vertaling Mario Molegraaf, Prometheus, 336 p., € 24,99
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.