Een half jaar geleden is een droom in vervulling gegaan toen wij ons opgeknapte houten huis konden betrekken op Buyukada, een autovrij eiland voor de kust van Istanboel. Maar helemaal onbekommerd waren die afgelopen zes maanden niet voor mijn vrouw Nevin Sungur, freelance journaliste, en mijzelf. In maart werden de kranten Zaman en Today’s Zaman, waarvoor ik sinds eind 2010 twee keer per week een column schreef, geconfisqueerd door de regering. Die onvriendelijke overname was onderdeel van Erdogans al twee jaar durende campagne tegen de Gülen-beweging, waartoe beide kranten behoren. Sinds met die beweging verbonden rechters en officieren van justitie met corruptie-aanklachten Erdogan in het nauw dreven, is het oorlog tussen de Turkse president en aanhangers van Fethullah Gülen, de moslimgeleerde die sinds 1999 in de VS verblijft en miljoenen over de hele wereld inspireert. De laatste paar maanden werden de geruchten steeds hardnekkiger dat ook de Suleyman Shah Universiteit, waar ik twee dagen in de week les geef over Europa en de EU, op een zwarte lijst staat, omdat een aantal van de oprichters van de universiteit ook activiteiten van de Gülen-beweging financieel ondersteund zouden hebben. We hoopten dat de wolken zouden overdrijven omdat Erdogan andere, meer urgente gevaren zoals de IS het hoofd moest bieden. Tot vrijdag 15 juli.
‘De bewijzen tegen Gülen zijn nog steeds uiterst pover’

Duizenden Turken zitten vast, verdacht van betrokkenheid bij de coup, tienduizenden zijn hun baan kwijt. Joost Lagendijk, die nu zeven jaar in Turkije woont en werkt als docent en publicist (hij schrijft aan een boek over Erdogan) hield een dagboek bij over de nasleep van de mislukte staatsgreep.

