Grote donkergele tafels. Waar je, als je wilde, de hele dag aan kon zitten. Simpele maar comfortabele houten stoelen. Zowel tafels als stoelen kon je verschuiven hoe je wilde. Heel goedkoop eten. Niet superlekker, maar ook niet vies. En als je op zwart zaad zat, nam je je eigen boterhammen mee. Ik heb het over de universiteitskantines uit mijn studententijd. De cateraar was verantwoordelijk voor betaalbaar voedsel, maar de kantine was van studenten en docenten.

Toen ik jaren later zelf docent werd aan de Erasmus Universiteit, heb ik gezien hoe dat veranderde. De campus werd verbouwd, en daarna hadden we geen kantine meer, maar een ‘Food Plaza’ waar onder andere een Starbucks, New Fork (biologische sandwiches), Has Döner en Jack Bean (vegetarisch) zijn genesteld. Het aanbod is diverser dan eerst, maar ook veel duurder.

Ook de grote donkergele tafels waar je met medestudenten kon zitten kletsen zijn verdwenen. Nu zijn er kleinere tafels met vaste, harde plastic zitplaatsen. Als je daar te lang op zit, krijg je pijn aan je billen. Je kunt de tafels en stoelen ook niet meer verplaatsen. Het zijn een soort capsules: redelijk afgesloten van elkaar, waardoor contact met andere tafels lastig wordt. De kantine is letterlijk, fysiek, niet meer in de macht van de studenten.

Autoritaire technologie

De Amerikaanse historicus en techniekfilosoof Lewis Mumford schreef in 1964 het baanbrekende artikel ‘Authoritarian and Democratic Technics’. Volgens Mumford draait democratie in essentie om vrije vereniging en interactie tussen mensen. Waarbij de mogelijkheid om dat ‘face to face’ te doen een noodzakelijke voorwaarde is.

Het pleidooi van Mumford gaat over het terugveroveren van democratische controle op technologie.

Technologie, aldus Mumford, heeft zich sinds mensenheugenis steeds op twee manieren ontwikkeld: enerzijds democratisch en anderzijds autoritair. Democratische technologie is ‘mens-gericht, relatief zwak maar creatief en duurzaam’. Autocratische technologie is ‘systeem-gericht, erg machtig maar inherent instabiel’.

Mumford beschrijft hoe de opkomst van politieke democratie in de afgelopen twee eeuwen steeds meer wordt tenietgedaan door ‘gecentraliseerde, autoritaire technologie’ die disciplineert en uniformeert via ‘mechanisatie, automatisering en cybernetische directie’. Waar gepolitiseerde onderdrukking nog een menselijke component heeft, zoals een dictator of een slavendrijver, is de nieuwe technologische onderdrukking ontdaan van elke menselijkheid. Waardoor ze veel moeilijker zichtbaar en daardoor lastiger te confronteren is.

Het pleidooi van Mumford gaat over het terugveroveren van democratische controle op technologie. Het leest, met alle discussies van tegenwoordig over privacy op internet en robotisering, erg profetisch. Zijn werk vormt niet voor niets de theoretische basis voor de kritische analyse van architectuur.

Je moet iets kopen

Politicoloog Langdon Winner borduurt voort op Mumford. In zijn eveneens baanbrekende artikel uit 1980, ‘Do artifacts have politics?’, legde hij uit waarom de vele bruggen en viaducten in Long Island, New York ontzettend laag zijn. Het blijkt dat architect Robert Moses, die er tussen de jaren 1920 en 1970 de bijna almachtige stadsplanoloog was, ze expres zo heeft ontworpen zodat openbare bussen er niet onderdoor zouden passen, want die werden voornamelijk gebruikt door arme, zwarte mensen. De autoritaire technologie van de architectuur zorgde zo dat zwarte mensen werden belemmerd om Long Island, en specifiek Jones Beach, te bezoeken.

Het voorbeeld van New York onder stadsplanoloog Moses is niet een curieus stukje geschiedenis maar een sprekend voorbeeld van hoe architectuur nooit toeval is. Architectuur is per definitie politiek. Altijd en overal. Ook in Nederland. En vooral in grote steden.

Floor Milikowski verwijst vaak naar Moses in haar Groene Amsterdammer-artikelen over Amsterdam. Waar de afgelopen twintig jaar dezelfde soort dingen gebeurden, zoals touroperators die lobbyen om de grachten te asfalteren zodat ze toeristen voor de deur van attracties kunnen afzetten.

Dat de Erasmus Universiteit de oude sociale kantine liet vervangen door een dure ‘Food Plaza’ met capsules waarin je niet al te lang kunt zitten is ook geen toeval. Sterker nog: je mag er helemaal niet meer zitten met je eigen boterhammen. Je moet iets kopen. Zo privatiseert de architectuur de universiteitskantine niet alleen, maar minimaliseert ze ook nog eens de kans dat studenten daar te lang samen kunnen zijn om snode plannen zoals demonstraties te bespreken. Weg is de Mumfordiaanse basisvoorwaarde voor democratie: vrije ‘face to face’ vereniging.

‘Verloederd’

In mijn straat in de Amsterdamse Pijp is een klein pleintje met rondom een grote, cirkelvormige zitbank van steen. Daar zitten altijd daklozen en zwervers. Ze bedelen niet, veroorzaken geen overlast, maar zijn vooral met elkaar aan het kletsen.

Pas door deze crisis is het mij opgevallen hoe weinig publieke banken er überhaupt zijn in de stad.

Aan het begin van de coronacrisis, niet lang na de intelligente lockdown, is die stenen zitbank weggehaald door de gemeente. De officiële reden: volksgezondheid. Mensen zouden daar dicht bij elkaar kunnen gaan zitten, is de redenering. Maar als je erover nadenkt is dat een rare redenering, mensen kunnen immers overal de anderhalve-meterregel overtreden.

Een ingewijde vertelde mij dat er meer speelt. Nu de normaal gesproken drukke straat leeg en omliggende horeca gesloten is, valt het veel meer op als daklozen op de stenen bank zitten. Vastgoedontwikkelaars zouden off the record hebben geklaagd dat de straat er daarom ‘verloederd’ uit ziet. Of dat ook de doorslaggevende reden was voor de gemeente om de banken weg te halen, is onduidelijk. ‘Maar,’ zegt de ingewijde, ‘wees niet verbaasd als de stenen bank niet meer terugkomt na de corona-crisis.’

Het mag van de wet

Pas door deze crisis is het mij opgevallen hoe weinig publieke banken er überhaupt zijn in de stad. Tijdens mijn dagelijkse wandeling door mijn lege wijk en stad kan ik bijna nergens zitten. Alleen in parken heb je een paar banken die bij mooi weer vaak bezet zijn.

‘Wij willen niet dat mensen gratis zitten op onze terrassen. Voor je het weet raken ze eraan gewend.’

In de eerste week sinds de sluiting van de horeca zag ik dat mensen op de gesloten terrassen gingen zitten. Netjes op afstand van elkaar. Hun eigen drankje mee van huis. Gezellig. Maar het duurde niet lang voordat de meeste uitbaters dat onmogelijk maakten. Ze spanden rood-witte linten om de terrassen met handgeschreven ‘verboden te zitten’-bordjes eraan. Of ze monteerden er houten stukken op waardoor het onmogelijk werd erop te zitten.

Een bevriende uitbater van een van mijn stamkroegen vertelde me waarom dat gebeurt: ‘Wij willen niet dat mensen gratis zitten op onze terrassen. Voor je het weet raken ze eraan gewend.’

Toen ik tegenwierp dat die terrassen wel op door de belastingbetaler opgehoeste pleinen en straten staan, zei hij: ‘Dat snap ik. Maar weet je hoeveel huur ik nu moet betalen zonder dat er klanten zijn?’

Ik protesteerde. Alle kritische theorieën die ik ken dreunde ik op: ‘Je kan toch niet om financiële hulp van de overheid vragen en tegelijk je terrassen op de openbare wegen en pleinen afsluiten voor burgers? Zo privatiseer je het publieke domein zonder er iets terug voor te geven. Je werkt mee aan de autoritaire technologie. Je belemmert vrije vereniging en daarmee de democratie!’

Hij vroeg me eerst wat al die moeilijke woorden betekenden. Ik schaamde me meteen voor mijn pedant-elitaire toon. Na uitleg was hij helder: ‘Als de gemeente morgen besluit dat ik mijn terras moet opengooien voor langslopende burgers, doe ik dat meteen. Maar moet ik nu een dief van mijn eigen portemonnee zijn? Het mag van de wet.’ En neem hem dat maar eens kwalijk.