Joost Zwagerman sprak met Arthur Japin (1956) over de zelfmoord van diens vader, die ook schrijver was.

Joost Zwagerman sprak met Arthur Japin (1956) over de zelfmoord van diens vader, die ook schrijver was. Uitgangspunt waren citaten uit de boeken van Japin, die in 1996 debuteerde met ‘Magonische verhalen’, en uit werk van andere auteurs. ‘Meer dan wat ook ben ik mijn vader dankbaar dat hij het gedaan heeft. Het moment was goed gekozen.’

Tot verdriet van mijn moeder heb ik een slecht geheugen. Uit mijn jeugd herinner ik me weinig.’ Uit: De droom van de leeuw.

‘Er is veel dat ik niet weet over mijn ouders, niet eens hoe ze elkaar hebben ontmoet. Mijn ouders waren nogal angstig. Dat kwam volgens mij door de oorlog. Geluk en Nederland gaan niet samen, dachten ze. Ze trokken naar Rome. Daar verwekten ze mij. Toen moesten ze naar huis en kregen gelijk.

Nee, ik weet ook niet wat hen in elkaar aantrok. Ik heb het nooit gevraagd. Mijn moeder is bij een bombardement ernstig gewond geraakt, waardoor ze haar school nooit heeft kunnen afmaken. Mijn vader studeerde Nederlands. Vanuit huis deed mijn moeder met hem mee. Daar leefde ze van op. Ze deelden een liefde voor taal.Mijn vader had in de jaren zestig een radioprogramma: Taaltje wel, taaltje niet. Dat was behoorlijk populair. Hij besprak gekke dingen uit de taal, fouten, eigenaardigheden, zoals Carmiggelt dat ook wel deed. Er zijn nog steeds mensen die vragen naar zijn taalboekjes, zoals Ken het zijn dat ik u kan, die verschenen naar aanleiding van dat programma. Ik heb ze nog. In een daarvan volgt hij de manier waarop ik in mijn eerste jaren mij de taal eigen maak. Mijn vader schreef ook hoorspelen en romans. Thrillers. Ook die heb ik in huis. Hij publiceerde er een stuk of negen. Moord is maar kinderspel bijvoorbeeld. Of deze: Moord in de hellekrocht.De omslagen zijn ontworpen door Dick Bruna, die toen een vriend van mijn ouders was. Ik ben er weleens in begonnen, maar de toon herinnerde in niets aan mijn vader. Toen ben ik weer gestopt.Als ik schrijf, zit ik op zijn oude werkstoel. Hij schreef in een lichte, hoge kamer, de mooiste van het huis. Niemand mocht hem dan storen. In zijn bureau vond ik later allemaal lege flessen. Hij dronk veel, ook wanneer hij schreef. Misschien moet het zijn: juist wanneer hij schreef.’

‘Drinken is zelfmoord met geduld.’ A. F. Th. van der Heijden. Uit: Asbestemming

‘Ik schat dat hun ernstige ruzies begonnen toen ik een jaar of zes, zeven was. Dat begon met de bekende kopjes die door de huiskamer vlogen, en eindigde in gevechten waarbij mijn vader mijn moeder bijvoorbeeld met haar hoofd tegen de muur sloeg. Mijn moeder eindigde uiteindelijk met een scheur in haar schedel.

Geleidelijk aan ging hij steeds meer drinken. Hij bleef steeds vaker weg en hing dan rond in cafés. In die jaren sliep ik in de kamer van mijn moeder, achter vergrendelde deuren. Wanneer hij thuiskwam, dronken, probeerde hij die in te trappen. Je hoorde dat hij in huis dingen vernielde. Gek genoeg zijn die momenten van geweld in mijn herinnering niet de ergste. Erger was eigenlijk het voortdurende gesar. De psychologische oorlogsvoering. Ik begrijp ook dat dit van twee kanten kwam. “Die ruzies begonnen toen ik in verwachting was van jou,— heeft mijn moeder me veel later, kort voor haar dood, verteld. “Hij wilde helemaal geen kinderen.— Ik weet niet of dat echt zo is.

Míj heeft hij nooit geslagen. Ik maakte er gebruik van dat hij mij geen pijn wilde doen. Dan kon ik bij een gevecht letterlijk tussen hen in staan. Ik kon mijn hand in een stuk kapotgeslagen glas duwen en de wond laten zien. Dan ging ineens alle aandacht uit naar mij en was het geweld voorbij. Dronken mensen hebben na die erupties van agressie altijd verschrikkelijke spijt. Mijn vader ook, dagenlang. Die spijtbetuigingen waren ook weer buiten proportie. Niets was nog in verhouding.’

‘Al die jaren lukt het mij niet om met één van mijn klasgenoten bevriend te raken (…). Dag na dag zie ik honende en misprijzende blikken of zelfs blikken vol haat (…). Waarom kijken ze nu zo opgetogen? Waarom glinsteren hun ogen? De langste van de jongens, die mij in de klas ook altijd treitert, roept: “Grijp hem!—’ (Uit: Maarten ’t Hart Een vlucht regenwulpen).

‘Veel erger dan de ruzies in huis waren het gepest en getreiter op school. Thuis bleef ondanks het geweld en de ruzies een thuis, een vluchtplek. Op school viel alle bescherming weg. Daar werd ik mishandeld gedurende verschillende perioden vanaf mijn zesde tot op de middelbare school, psychisch en fysiek tot en met het uitdrukken van brandende sigaretten in je gezicht.

Door mijn vreemde achtergrond wist ik niet hoe ik me moest gedragen tegenover kinderen, had ook helemaal geen verweer. Daardoor was ik een dankbaar object. Omdat er zoveel agressie thuis was, kon ik niet effectief reageren als ik op school werd aangevallen. Ik was gewend te sussen, te bemiddelen. Alles liever dan terugslaan. Ik geloof nog altijd dat dit de enig juiste oplossing is.

Ik vertelde thuis niets over die terreur op school. Je houdt het zo lang mogelijk verborgen. Je ouders zijn de laatsten die in je geloven. Dat wil je zo houden. Incidenten kun je verhullen. Heel veel dingen willen mensen ook niet zien. Blauwe plekken en dergelijke. Jarenlang huilde ik mezelf in slaap. Elke avond. Tegen mijn moeder zei ik dat ik huilde om Kelly, mijn eerste hondje dat al jaren daarvoor dood was gegaan. Daar kon het dus niet meer om zijn, maar ze leek het te geloven. Misschien hoopte ze dat het waar was.

Op een gegeven moment was ik zo bang om naar school te gaan dat ik mijn handen door het hek van de speelplaats stak en met mijn vuisten om het gaas gebald bleef staan. Tot bloedens toe. De concierge heeft vinger voor vinger los moeten wrikken. En nóg vroeg niemand zich af waarom ik me er zo verschrikkelijk tegen verzette om naar school te gaan.

In de zesde klas deed ik mee aan een landelijke opstelwedstrijd. Het was de start van de campagne: snoep verstandig, eet een appel. Ik won. Vanaf dat moment zei iedereen: “Ga daarmee door! Blijf schrijven!— De prijs was dat er elke dag een vrachtwagen vol appels langs de school kwam. Die mocht ik dan uitdelen in al die klassen waar een aantal kinderen me toch al naar het leven stonden. Geloof me, zoiets doet je niet verder verlangen naar het schrijverschap.

Ik heb heel lang niet willen schrijven. Mijn vader deed het en werd er bepaald niet gelukkiger van. Onbewust moet ik schrijven hebben geassocieerd met kwelling, ruzie, agressie. Volgens mij was hij ook zo’n schrijver die alleen maar kon schrijven met drank op, wat me altijd een slecht teken lijkt. Dan kan je dus niet van nature aan die binnenwereld raken en ben je er eigenlijk niet geschikt voor. Ik merkte ook niet dat hij er plezier aan had wanneer een boek af was.

Zelfs de bekroning van zijn werk werd geen feest. Het gebeurde tijdens een van de weinige verjaardagen die ik ooit gevierd heb. Ik ben midden in de zomer jarig dus iedereen was altijd weg, maar voor één keer vierden we het aan het begin van het schooljaar: voor het eerst mijn eigen partijtje. Eindelijk een paar kinderen bij mij thuis. Uitgerekend die dag kreeg mijn vader een telegram. Uit België. Hij had de Reynaert-prijs gekregen. Mijn moeder was natuurlijk druk met mijn feestje en had kennelijk niet genoeg aandacht voor dat goede nieuws. Daarover ontstond een verschrikkelijke ruzie. Ik rende heen en weer tussen die schoolvriendjes in het voorhuis en mijn vechtende ouders in het achterhuis. Tegenover de kinderen voor deed ik vrolijk, terwijl ik achter probeerde te voorkomen dat mijn vader mijn moeder zou vermoorden. Nog altijd vier ik liever geen verjaardagen.’

‘Fantasie is ook een spier. Ze moet op dezelfde manier worden getraind en daarna in conditie gehouden.’ Uit: Magonische verhalen.

‘Ik vluchtte in de verbeelding. Wat mij gered heeft, waren Amerikaanse musicalfilms. Dat eigenaardige hoop-houden- tegen-beter-weten-in! Het idee dat je tegen je wanhoop en verdriet in zou kunnen gaan door erover te zingen, er vorm aan zou kunnen geven door te dansen, ik durf te stellen dat ik daardoor mijn jeugd heb overleefd. En ik ging vaak naar toneel. Ik trok me terug op zolder en speelde hele scènes na. Zo kon ik de werkelijkheid naar mijn hand zetten. Die werkelijkheid in huis veranderde in één keer toen mijn vader werd opgenomen. Hij had al eens een slaapkuur gehad en liep bij een psychiater, maar uiteindelijk liet hij zich tegen zijn depressies behandelen in een inrichting in Wassenaar.’

‘Maar die keer stopte de lift voor ijzeren tralies en moest ik hem achter slot en grendel tussen de dollen laten, wat pijn deed, maar heilzaam was voor de rust in huis.’ Uit: Magonische verhalen.

‘Toen we mijn vader naar Wassenaar brachten, wisten we niet dat het deze keer een gesloten inrichting was. Hij zelf ook niet. Ik herinner me de schok bij het zien van de tralies voor de ramen. Vermoedelijk heeft hij daar ook elektroshocks gekregen. Maar thuis was het ineens weldadig rustig. Toen hij eens onverwacht een weekend naar huis mocht en ineens voor de deur stond met onder zijn arm een kasteel dat hij voor me had gekleid op arbeidstherapie, schrok ik enorm. Het idee dat de rust voorbij was kon ik niet verbergen. Daardoor ging het mis nog voor hij zijn jas had uitgetrokken. Ik had vreugde en verbazing moeten acteren. Maar dat zat er niet in, helaas. Uiteindelijk ging hij slechter terug naar Wassenaar dan hij gekomen was.

We gingen elke zondag bij hem op bezoek. Na een paar keer is dat heel normaal voor een kind. Ik herinner me een aantal andere patiënten in die inrichting, want tijdens de bezoeken zwierf ik soms door het gebouw. Meneer Asselbergs, een bejaarde man zonder geheugen. Een vrouw die altijd huilde. En er was ook een jongen die virtuoos muziek maakte met niets dan zijn lichaam. Je kon hem niet echt bereiken, maar hij maakte een intens gelukkige indruk. Toen dacht ik, als je erin slaagt om in je verstoorde binnenwereld op iets gelukkigs in te zoomen, kan het dus best draaglijk zijn. Daarvoor associeerde ik gekte vooral met destructie en agressie. Die jongen toonde me dat gekte zich ook onschuldiger, feeërieker kon uiten. Inmiddels weet ik wel dat dit een romantisering was.

Onlangs was ik in het Museum voor de Psychiatrie in Gent. Een tentoonstelling van wat je noemt outsiders; van patiënten die kunst maakten. Ze bleken voornamelijk fantasiedorpen en -steden te produceren. Daarin konden ze zich terugtrekken en verliezen. Zo veilig! Toen ik dat zag, dacht ik, wie weet ben ik zelf net op tijd aan zo’n opsluiting in je binnenwereld ontsnapt. Schrijven is de geaccepteerde vorm van schuilen in je binnenwereld.’

‘I thought of London spread out in the sun.’ . Uit: Philip Larkin Toads Revisited.

‘Die zomer ging ik met mijn moeder en een tante op vakantie, via Parijs naar Londen. Mijn vader zou zich later misschien bij ons voegen. Hij zette ons op het station van Haarlem op de trein. Dat afscheid herinner ik me als beladen. Hij hield me langer vast dan normaal.

In Londen kregen we op een dag een berichtje van de Nederlandse consul-generaal met de prachtige naam Teixeira de Mattos. We zochten hem tevergeefs in diverse herenclubs. Toen mijn tante hem eenmaal aan de telefoon kreeg zei ze alleen maar: “Het is Bert!— Iedereen begon te huilen. Ik ook, hoewel ik op dat moment eigenlijk niet wist waarom nou precies. Uitgerekend die dag had ik voor mijn verjaardag een cadeau mogen uitzoeken, een geraamte, een Pierlala aan marionetstokjes – kijk, ik heb hem nog, dit is hem, alle ledematen bewegen afzonderlijk, zie je? Ik liep al die hele dag met dat geraamte rond. Toen arriveerde Teixeira de Mattos.’

 

‘De consul legde één hand op mijn hoofd en de ander op mijn moeders schouder. “Was uw man altijd al neerslachtig?—’ Uit: Magonische verhalen.

‘De consul troostte ons en vroeg ons hoe we terug naar huis wilden: varen of vliegen? Nou, ik had nog nooit gevlogen en dat leek me het einde. Ik heb er dus op aangedrongen dat we zo snel mogelijk terug moesten. Op Heathrow kregen we de star treatment. Pas boven Het Kanaal besefte ik welke wending mijn leven nam.

Het kreeg een nieuwe kans. Ik ging naar het gymnasium, een kleine klas, de klassieken, een nieuwe wereld waarin ik me kon terugtrekken en opbloeien tegelijk. Ik bleef anders dan anderen, maar dat was in die omgeving eerder een pre. Wie daarvoor een verklaring zocht, kon die voortaan vinden in de dood van mijn vader.’

‘Pas weken later lukte het ons zijn afscheidsbrief uit handen van de recherche te peuteren.’ Uit: Magonische verhalen

‘In die brief doet mijn vader gedetailleerd verslag van zijn laatste dagen. Eerst legt hij uit waarom het voor ons beter is dat hij zelfmoord pleegt. Daar heeft ie ook gelijk in gehad. Dan volgt het verslag van zijn methodiek. Hij gaat aan de slag. Hij neemt pillen en drank. Dat mislukt. Wordt ie toch weer wakker. Meer pillen. Hij snijdt zijn polsen open en gaat in bad liggen. Ook dat mislukt, en dat schrijft hij ook weer op. Hoe hij bijkomt en de wonden weer open pulkt. Het is een afscheidsbrief in etappes. Er zitten bruine vlekken op. Ik hoop maar dat het koffie is. Middenin stopt het verhaal. Het is hem eindelijk gelukt.

Daarna heeft hij daar erg lang gelegen voordat hij werd gevonden. Mijn oude bed, waarop hij lag, moest worden verbrand en een deel van het huis is ontsmet voordat wij er weer in konden. Die afscheidsbrief heb ik nog. Ik heb er twee keer naar gekeken, toen we hem van de recherche terugkregen en onlangs nog eens. Ik heb later nog een dergelijke brief gevonden die hij bij een eerdere gelegenheid had geschreven. Hij had wel vaker pillen geslikt. Dat waren eerder noodkreten dan serieuze pogingen. Misschien begon die laatste, fatale poging ook wel als noodkreet of een roep om aandacht, dat weet je nooit.

Die momenten waarin je jezelf gaat verminken, die herken ik wel van toen ik klein was. Je weet niet meer hoe je uit een situatie moet komen. De pijn brengt je weer tot jezelf. Je verwondt jezelf om uiting te geven aan een ondraaglijk gevoel. Je hoopt ook een bewijs te tonen aan anderen, zo van: kijk eens hoe erg het met me is: doe iets! Het moment waarop iemand vervolgens een stap verder gaat, kan ik me goed voorstellen. Als je het niet meteen goed doet, hoop je misschien dat je gevonden wordt en dat anderen dan medelijden voelen of spijt zouden hebben. Of gewoon, dat iemand te hulp schiet. Je brengt jezelf ook in een soort roes, stel ik me zo voor. Ellende, zelfmedelijden en angst vloeien samen, en die roes drijft je richting zelfmoord. Zelf heb ik nooit zelfmoordgedachten gehad. Ik denk niet dat ik het ooit zal doen. Kan ik me volstrekt niet voorstellen. Daar heb ik een te grote levensdrang voor.’

‘Hij koos de enige juiste weg en maakte, en maar net op tijd, plaats voor mij. Een plek met nog precies genoeg ruimte om mijn gezond verstand in te bewaren.’ Uit: Magonische verhalen.

‘Meer dan wat ook ben ik mijn vader dankbaar dat hij het gedaan heeft. Het moment was goed gekozen. Net op tijd heeft hij plaatsgemaakt voor mij. Als die ruzies in huis en de terreur op school langer waren doorgegaan, was mijn verbeeldingswereld niet meer toereikend geweest of juist te belangrijk geworden en was ik afgegleden naar een ondoordringbaar isolement. Mijn moeder is nadien ook enorm opgebloeid. Ze viel af, hervond de klassieke schoonheid die ze vroeger had, kocht nieuwe kleren en nam me veel mee naar theaters in Londen, in New York.

Je zou dus zeggen dat ik zelfmoord acceptabel vind wanneer daarmee een onhoudbare situatie eindigt en er lucht en ruimte komen voor de omgeving. Je rooit één plant zodat de planten daaromheen weer knoppen kunnen krijgen.
Dat is de opvatting die ik erop nahoud als gevolg van mijn eigen ervaring. Maar die is begrensd. Ik denk dat mijn vader juist heeft gehandeld. Maar vaak is dat natuurlijk niet het geval en blijven mensen achter met groot verdriet en veel vragen. Zo’n zelfmoordenaar verliest juist al mijn sympathie. Hij heeft zich niet of niet langer kunnen verplaatsen in de anderen en dat vind ik voor ieder mens onder alle omstandigheden een eerste vereiste. Bovendien ben ik er, hoewel ik niet gelovig ben, ook van overtuigd dat het plegen van zelfmoord een kwaad is, slecht voor – tja, voor ik weet niet wat. Voor het Al.

Zelfs als je geen enkel ander mens er iets mee aandoet, doet zelfmoord afbreuk aan de wereld.

Soms vraag ik me af of het in de genen zit dat het leven, een bepaalde familietak beëindigd moet worden. Mijn vader deed het direct, ik doe het indirect. Ik leef een kwarteeuw samen met iemand van wie ik houd, maar geef het leven niet door. Het houdt bij mij op. Met mij sterft een hele lange tak van de familie. Ik geloof niet dat dat erg is, eerder dat het zo moet zijn. Het is me weleens gevraagd, bij iemand een kind te maken, dat heb ik toen heel bewust niet gedaan. Waar komt het gevoel vandaan dat je er de voorkeur aan geeft om je leven te delen met een man? Ik heb er als gevolg van het milieu waarin ik opgroeide nooit over hoeven nadenken. Ik heb gevreeën met mannen en met vrouwen, seksueel heb ik lange tijd geen voorkeur gehad. Als ik mijn huidige partner niet zou hebben ontmoet, zou ik mogelijk met een vrouw hebben samengeleefd. Nogmaals, ik heb er geen gedachten bij, maar als je het wilt interpreteren, zouden mijn ervaringen met mijn vader een rol kunnen spelen.’

‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.’ (Uit: Cees Nooteboom.Rituelen).

‘Nee, ik kan mij nauwelijks iets fijns of aardigs van mijn vader herinneren. Alleen misschien dit: kort voor zijn dood bleef ik door alle ellende zitten. Ik dacht dat hij boos zou worden, maar hij was juist erg met me begaan. Hij nam me mee naar 2001: A Space Odyssey. Die keer samen naar de film, dat is een van de weinige leuke dingen die ik me van hem herinner. Hoewel, nu je ernaar vraagt… (Lange stilte.) Op een gegeven moment – ik geloofde bijna al niet meer in Sinterklaas – kreeg ik een enorme poppenkast. Die had mijn vader zelf gemaakt. Hij schreef ook toneelstukken voor me. Die ging ik dan opvoeren in de poppenkast. Of we bedachten ze samen. Ja, dat is toch lief. En op een dag, toen het hoofd van de school in een opstel van mij iets fout had gerekend omdat ik mijn fantasie had losgelaten op bestaande feiten en daarvan een nieuwe werkelijkheid had gemaakt – iets dat volgens de man niet kon of mocht – heeft mijn vader daar een grote zaak van gemaakt. Iemand die mijn fantasie verdedigt, dat moet toch een vader zijn met wie ik iets had gekund. Hij heeft me altijd gestimuleerd om een verhaal te vertellen, om mijn verbeelding te gebruiken, om een wereld op te roepen met klanken, kleuren, woorden.’

‘Andere mensen dragen hun verdriet in hun hart. Ongezien holt hen dat van binnen uit. Het is mijn redding geweest dat ik mijn verdriet aan de buitenkant draag, waar het niemand kan ontgaan.’ Uit: Een schitterend gebrek
‘Waar ikzelf mijn verdriet draag? Aan de buitenkant, denk ik. Ik denk alleen aan mijn vader als iemand naar hem vraagt. Nu, dus. Anders nooit. Het is zo lang geleden. Ik ben al een paar jaar ouder dan hij geworden is. Het andere verdriet, de mishandelingen op school, droeg ik aan de binnenkant, maar door er, indirect en in een wereld van verbeelding, over te schrijven, is het voor het grootste deel naar de buitenkant gegaan. Hoe dat voelt? Je kunt het vergelijken met een boek dat voltooid is. Je vertelt daarover op lezingen en leest dan twee of drie vaste stukjes voor omdat die het meest geschikt zijn, en op een gegeven moment bestaat dat boek voor jezelf alleen nog maar uit die stukken. Zo voelt ook mijn schooltijd. Als verhalen, anekdoten die verwoord zijn en dus gestold.

Maar diep daaronder zit nog iets anders. Een enkele keer voel ik dat. Het is een enorme poel van verdriet die zich ergens schuilhoudt. Dat verdriet heeft geen woorden en laat zich niet in taal uitdrukken. Het is peilloos en daarbinnen is geen waarheid, bestaat er geen ratio of rede. Het is niets. Daar bedoel ik mee: met niets te vergelijken en door niets uit te drukken. Nou, weet je… misschien lijkt het op dat urenlange rede- en radeloze huilen dat ik als kind deed en waarover ik je vertelde. Het is. Meer niet. Het is om niets. Om Kelly, zeg maar.

In die poel zink ik een enkele keer weg, altijd ’s nachts. Ik heb er dan ook een ontzettende weerzin tegen om ’s nachts te gaan slapen. Als het komt, dat onnoembare verdriet, altijd om het Al en nooit om iets, weet ik ook goed dat het de volgende ochtend, wanneer het leven weer begint, zal zijn verdwenen. Daar heb je alleen op zo’n moment niets aan.
Twee keer in mijn leven is het me overkomen dat het langer bij me bleef. Nee, het is geen angstaanval of wanhoop, het is een onbenoembare onmacht. Dat verdriet laat zich ook niet omvormen tot iets positiefs, tot bijvoorbeeld een kracht die tot schrijven aanzet. Het enige dat je erover kunt zeggen, is dit: omdat je weet dat die zwarte poel bestaat, ga je in en tijdens het schrijven het tegenovergestelde doen; ga je situaties bedenken waarin je het aangenaam toeven vindt, ook als het objectief gezien geen prettige situaties zijn die je beschrijft. Door je in een andere realiteit te begeven, creëer je een hanteerbare afstand tegenover dat onbenoembare verdriet.’

‘De dood zit niet goed in elkaar. Onze doden zouden, als we ze roepen, moeten terugkomen, van tijd tot tijd, om een kwartiertje met ons te praten.’ Uit:Jules Renard Dagboek

‘Waar ik het met mijn vader over zou hebben? Moeilijke vraag. (Stilte.) Ik denk: in eerste instantie over het schrijven. Ik zou hem vragen of hij het ook ooit prettig heeft gevonden zich tijdens het schrijven terug te trekken in zijn verbeelding. En ik zou willen weten of het waar was dat hij me aanvankelijk niet wilde hebben. Ik vind het niet erg als dit waar zou zijn. Maar ik wil het wel weten. Ook om mijn beeld van hem compleet te krijgen. Misschien begrijp ik zoiets juist wel heel goed.
Als het niet meer dan een kwartier mag duren, dat gesprek, zou ik hem maar niet vragen waarom hij ooit zei: “Als je later groot bent, zul je wel inzien hoe gemeen je moeder is.— Ik vrees dat hij dan oneindig veel langer aan het woord zou zijn. Dus dat sla ik maar over.

Best mogelijk dat hij het helemaal niet zo leuk zou vinden dat zijn zoon hem in het schrijven voorbij is gestreefd. Maar misschien doe ik hem daarmee enorm onrecht. Vaders zijn vaker trots op hun zoon dan dat ze jaloezie voelen. Mijn moeder stierf net voordat mijn eerste boek uitkwam. Zij zou het ook geweldig hebben gevonden dat ik hun dromen inlos.
Weet je, ik zou tijdens dat kwartier dat ik nog met hem heb liever helemaal niets zeggen. Ik zou met hem gaan wandelen. En dan zou ik zijn hand vasthouden. Dát zou ik wel willen. Gewoon, omdat me dat prettig lijkt. Dan weet ik hoe zijn hand aanvoelt. Van onze aanraking zou ik zeker meer leren dan van onze woorden.’

Twee dagen na ons gesprek, een e-mailbericht: ‘Vanochtend werd ik wakker met toch nog een paar aardige herinneringen aan mijn vader, zoals de speurtochten die hij elke zomer voor mij uitzette in het bos bij Rhijnauwen, en hoe we samen in de Haarlemmerhout speelden dat we twee eekhoorns waren… Daar ben ik blij om. Het zijn dingen waar ik anders nooit meer aan gedacht zou hebben.’