Met zijn woeste, felrode haardos (géén pruik) en zijn enthousiast uitgedragen voorliefde voor cannabis was de donderdag overleden Armand een boegbeeld van de hippiegeneratie. In de laatste jaren van zijn leven wist hij ook de jonge generatie voor zich te winnen.

‘Wat de dood betreft,’ zei Armand in mei dit jaar in Vrij Nederland, ‘sta ik op het standpunt van de Noord-Amerikaanse Indianen: today would be a perfect day to die. Je kunt beter gaan als de zon schijnt dan als het regent, en gaan doe je toch.’ Dat zonnetje was hem niet vergund. Herman George van Loenhout, al ruim een halve eeuw bekend als zanger en liedjesschrijver Armand, overleed op een regenachtige donderdag in november, op 69-jarige leeftijd.

Zeker achteraf bekeken was de dood een voornaam thema tijdens de lange ontmoeting die we met hem hadden in zijn flat op de achtste etage in een Eindhovense buitenwijk. Armand vond het raar dat ‘de enige zekerheid die we hebben’ zo’n taboe was. Hij vertelde uitgebreid hoe hij, zwaar astmapatiënt, als kind talloze keren in het ziekenhuis lag, en een paar keer werd opgegeven door de doctoren. ‘Ik zou niet ouder worden dan twintig.’ Toen hij die leeftijd toch bereikte, besloot hij dat vanaf dat moment ‘elke dag een bonus’ was. ‘Ik heb al 49 jaar extra gekregen,’ zei hij nu. ‘Dus ik mag niet klagen.’

Met zijn woeste, felrode haardos (géén pruik) en zijn enthousiast uitgedragen voorliefde voor cannabis was Armand een boegbeeld van de hippiegeneratie. Dat zijn roem voor een groot deel dreef op dat ene liedje uit 1967, ‘Ben Ik Te Min’, nota bene opgenomen als B-kantje – hij kon er niet mee zitten. Het nummer was een voor die tijd ongekend felle aanklacht tegen kleinburgerlijkheid en de kloof tussen arm en rijk, en leverde hem het stempel ‘protestzanger’ op – een titel die hij met trots droeg.

En wat nou, one hit wonder? ‘De meeste mensen hebben helemáál geen hit. Het is ook mijn pensioen, ik beur er nog steeds geld voor. Maar bovenal: het nummer is nog steeds relevant. Dat is mooi voor mij, en mooi kut voor de maatschappij. De mensen zijn nu nog veel gemener tegen elkaar, en de kloof tussen rijk en arm is alleen maar groter geworden. Dus het is nog veel relevanter dan toen.’

Volstrekt onverstoorbaar hield Armand vast aan de sixties-idealen die de meeste van zijn generatiegenoten allang overboord hadden gegooid. Hij besefte dat hij daarom soms een beetje lacherig bekeken werd, als een relikwie, maar haalde er zijn schouders over op. Zoals hij zong in het nummer ‘Comeback’: kleineren is in/ het mensdom doet graag naar/ maar niemand zal me ontmoedigen/ ik ga voort, ik ga voort, ik ga vo-o-o-o-rt! Stille getuigen waren de tientallen cd’s in zijn kast met honderden onuitgebrachte liedjes, die niettemin geschreven en opgenomen moesten worden. Zoals hij ook nog altijd optrad, waar ze hem maar vroegen.

Maar natuurlijk deed het Armand goed dat hij de afgelopen jaren opnieuw ontdekt werd door een jongere generatie. Zoals Dave von Raven, zanger/gitarist van The Kik. ‘In de sixties streed iedereen voor love, peace en happiness,’ zei Von Raven. ‘Nou, volgens mij is Armand de enige die zich aan die afspraak gehouden heeft.’ Ook singer/songwriter Lucky Fonz III betoonde zich een fan. ‘Voordat ik met muziek begon,’ zei hij, ‘stond hij voor alles wat ik wilde: rebellie, tegencultuur, vrijheid – alle dingen die ik romantisch vind. Ik wilde muziek maken met net zoveel vuur, en net zoveel gebrek aan angst voor de werkelijkheid.’

Drie jaar geleden nodigden Von Raven en Lucky Fonz Armand uit om gezamenlijk zijn oude nummer ‘Want Er Is Niemand’ opnieuw op te nemen. Dit jaar verscheen het succesvolle album Armand & The Kik, uitgebracht op Excelsior Recordings, in samenwerking met TopNotch. Het slotnummer van de plaat, ‘De weg naar Isfahan’, schreef Armand toen hij twee jaar geleden in het ziekenhuis werd opgenomen met een verwaarloosde longontsteking. En ik hoor het kuchen en het moeilijke hoesten/ Menigeen komt hier niet levend vandaan/ Als er weer een bed voor een kist verruild wordt/ Met de dood op de hielen/ Daar denk je dan aan.