Noem de Citotoets en er ontstaat prompt discussie. Alleen wordt deze toets helemaal niet zo gebruikt als bedenker Adriaan de Groot het had bedoeld.
Een ontmoeting met de Zwitserse psychoanalyticus Carl Gustav Jung, die hem over zijn schroom voor vrouwen heen hielp, was voor Adriaan de Groot in 1937 aanleiding om na zijn kandidaats wiskunde over te stappen naar filosofie met als hoofdvak psychologie. Psychologie als zelfstandige studie bestond toen nog niet. De Groot was echter meer geïnteresseerd in cognitieve denkprocessen dan in de psychoanalyse. Hij was lid van het Nederlandse schaakteam, bevriend met schaakgrootmeester Max Euwe, en hij versloeg schaakwedstrijden voor de radio. Zo kwam hij op het spoor van het onderwerp van zijn proefschrift Het denken van de schaker, waarop hij na de oorlog cum laude promoveerde. De Groot observeerde en ondervroeg zijn collega-schakers en concludeerde dat met name de snelheid van denken, het doorzien van patronen en de vele uren oefening in de vroege jeugd de grootmeesters maakten tot wat zij waren. Het is een onderwerp waarover in zowel de psychologie als in het onderwijsonderzoek nog steeds veel wordt geschreven: is het intelligentie of zijn het de omstandigheden? De Groot concludeerde dat het een niet zonder het ander kan. Zijn onderzoek wordt nog veel geciteerd.
In 1948 werd De Groot hoogleraar aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Daar ontpopte hij zich als een groot voorstander van zuivere methodologie in zijn vakgebied. Naar zijn mening werd er te veel gespeculeerd en werden beweringen niet of nauwelijks empirisch gestaafd. Hij schreef het standaardwerk Methodologie dat door meerdere generaties studenten in verschillende gedragswetenschappen is gebruikt en waarin de regels voor onderzoek glashelder worden beschreven. Psycholoog Vittorio Busato, auteur van een biografische schets van De Groot, pleitte naar aanleiding van de affaire Stapel voor het opnieuw verplicht stellen van het standaardwerk van De Groot. Maar wie denkt dat De Groot louter behoort tot de school van harde cijfers en statistiek, heeft het mis. Hij pleitte juist voor het voortdurend onderling bediscussiëren van stellingen en bevindingen. Het geloof in zogenaamde harde resultaten in de psychologie was in zijn ogen te groot.
Dat was ook de opmaat naar zijn werk als onderwijspsycholoog: hij twijfelde zeer aan het onafhankelijke oordeel van de leerkracht over leerlingen. In 1966 verscheen zijn pamflet ‘Vijven en zessen’ waarin hij het onderwijs als een onderdrukkend systeem beschrijft waar leerlingen op basis van een twijfelachtige manier van vaststellen van cijfers worden geselecteerd. Hij pleitte voor een onafhankelijke en democratischer manier om leerlingen voor deze selectie te behoeden.
Bestseller
In de kelder van zijn huis aan het Vondelpark begon De Groot een eigen bedrijf voor onderwijstoetsen. Hij ontwikkelde in opdracht van de gemeente Amsterdam de Amsterdamse Schooltoets die uitgroeide tot een toets voor heel Nederland. Voor zijn werk reisde De Groot veel naar de Verenigde Staten en daar kwam hij in aanraking met het Educational Testing Service, het voorbeeld voor het uiteindelijke CITO (Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling) dat in 1968 werd opgericht. Vooral kinderen uit armere milieus zouden baat hebben bij de Citotoets: de leerkracht schatte ze vaak te laag in.
Zijn pamflet uit 1966 was een bestseller en leest nog steeds als een actuele aanklacht tegen het afrekenen van leerlingen in het onderwijs. De Groot pleitte ervoor dat leerkrachten juist het hele kind zien. Met de door hem ontwikkelde toets zouden leerlingen ook in een breder perspectief worden gezien: hoe staan ze ervoor na zoveel jaar onderwijs? Daarnaast moest de toets een onafhankelijk oordeel geven over hun capaciteiten ten opzichte van hun medeleerlingen.
Dat de Citotoets tegenwoordig behalve als toelatingsexamen voor het voortgezet onderwijs ook gebruikt wordt om de prestaties van scholen te vergelijken, is helemaal niet waar hij voor bedoeld was. Een grote misvatting die maakte dat De Groot aan het eind van zijn leven, teleurgesteld, twijfelde aan het nut van zijn eigen toets.
Adriaan Dingeman de Groot (1914-2006) was geestelijk vader van de Citotoets. Van 1950 tot 1980 was hij hoogleraar psychologie in Amsterdam. Internationaal brak hij door met zijn proefschrift Het denken van de schaker, dat ten grondslag lag aan de cognitieve revolutie in de psychologie.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.