Op 16 november 1979 vierde Vrij Nederland columniste Renate Rubinstein (1929- 1990) haar vijftigste verjaardag. Van de toespraken bleken bandopnamen te bestaan, gemaakt door haar vijftienjarige neefje Maurits. Voor Hans Goedkoop aanleiding om in Iedereen was er een klein voorschot te nemen op de biografie die hij aan het schrijven is over Rubinstein.

Nadat ze in september 1955 in Propria Cures had gedebuteerd met een essay tegen het zionisme schrijft Renate Rubinstein een maand later al haar eerste bijdrage als vaste redacteur van het studentenweekblad. Dat eerste stuk had meteen indruk gemaakt op de redactie. Het ‘in twijfel trekken van vanzelfsprekendheden’, dat zal ze als redacteur gaan doen. Dat deed ze al de hele dag tijdens het praten en lezen, nu kon ze dat op een aardige manier schrijvend ‘preciseren’, schrijft ze. En verder zullen haar ‘twijfels zich moeten trainen’ in discussie met goede en slechte verstaanders.

Rubinstein heeft het meteen in haar eerste bijdrage als redacteur van Propria Cures over het ‘trainen’ van haar twijfels. Trainen wil zeggen dat ze haar twijfels zoveel spierkracht probeerde te geven dat ze veranderden in iets wat op zekerheden ging lijken waarmee ze voor de dag kon komen. Het ging om columnistische of essayistische ideeën, geen in de tijdgeest, de traditie, de mode, partijprogramma’s of ideologie klaarliggende zekerheden, maar ontstaan uit zelf nadenken. Dat leverde geen betonnen waarheden op, maar soepele, consistente redeneringen die een tijdje meegingen.

Een column kan niet gevuld zijn met twijfels, een column is ‘stelligheid in kort bestek’.

Die te trainen twijfels waren nog op een andere manier opmerkelijk in die eerste bijdrage: Renate Rubinstein ging bekend staan om haar geduchte polemische columns door de jaren heen in Vrij Nederland, en juist niet om haar twijfels. Ook al is Rubinstein allerminst vrij van paradoxen, in dit geval is er toch geen sprake van tegenstrijdigheid. Dat had met haar werkwijze te maken. Haar manier van denken begon altijd met vage intuïties en twijfels, met niet-weten, met te weinig weten. Daar moest iets voor in de plaats komen. Als ze niet op eigen kracht te weten kwam wat ze moest weten, belde ze vrienden of kenners van het onderwerp tot ze haar intuïtie voldoende had gevoed met kennis om haar eigen mening te kunnen vormen. Zo ging dat trainen van haar twijfels in zijn werk, wat haar biograaf Hans Goedkoop ‘het bedenken van de waarheid’ noemt. Want een column kan niet gevuld zijn met twijfels, een column is ‘stelligheid in kort bestek’.

In Propria Cures was die stelligheid nog in de maak, getuige het gedicht ‘Afterthought’ dat ze in februari 1956 publiceerde en waarin zinnen voorkomen als ‘Beslissers willen/Toekomst dwingen, schreeuwen dictatortje/tegen de wind in’, om te besluiten met ‘Besluiten, denk ik/zijn amuletten/tegen Chaos/noodmaatregelen van ons tekort.’ Hier wordt de twijfel in bescherming genomen en krachtig afgezet tegen de ruwe besluiters. Besluiten nemen, voor zekerheid zorgen, is voor Rubinstein een noodmaatregel om ons menselijk tekort op te heffen. Hoe stellig ze ook zal worden, dat tekort zal blijven, want ze zal altijd eerst op dertien manieren naar iets kijken voordat ze iets besluit.

Op het feestje, staande: Joop Goudsblom, op de achtergrond Aad Nuis en Renate. Op de voorgrond nog zichtbaar: Huyck van Leeuwen. Foto: uit de privécollectie van Maurits Rubinstein en Jan en Els Rubinstein.

Het interessante aan Iedereen was er, het boekje waarin Hans Goedkoop het feest in herinnering brengt ter gelegenheid van Rubinsteins vijftigste verjaardag op 16 november 1979, is dat hij het niet laat bij een reconstructie van de avond aan de hand van de bandopnamen die haar toen vijftienjarige neef Maurits Rubinstein maakte. Vooruitlopend op zijn ooit te verschijnen biografie, grijpt Goedkoop het in de vorm van foto’s en toespraken van Karel van het Reve, Joop Goudsblom, Norbert Elias, Maarten Biesheuvel en Rinus Ferdinandusse bewaard gebleven feest aan om iets substantieels te schrijven over de verhouding van haar ‘centrale opdracht’ als columniste tot de werkelijkheid van dat moment.

Volgens Peter Vos was Renate Rubinstein het meisje dat aan de kant staat en zich hardop laat ontvallen dat de keizer geen kleren aan heeft. Haar ‘centale opdracht’ was volgens Goedkoop het bedrog achter het mooi-weer-spelen te tonen. Onderdeel van die opdracht was dat ze ook over het mooi-weer-spelen van zichzelf zou moeten kunnen schrijven, op een persoonlijke manier zonder particulier te worden. Dat was haar originaliteit. ‘To write for a wide public and to write personally’, dat was het bijzondere aan haar, zoals de socioloog Norbert Elias in zijn toespraak zei.

Maar juist met dat mooi-weer-spelen en het objectiveren van het persoonlijke was ze de laatste tijd zelf in de problemen gekomen. Over wat haar in 1979 elk moment van de dag bezighield, de voortschrijdende ziekte multiple sclerose, kon ze niet schrijven. Ze wilde het niet over al die narigheid hebben. Ze kon er geen vorm voor vinden. En ook over iets anders kon ze niet schrijven en moest ze een façade ophouden: haar geheime liefde met Simon Carmiggelt. Ook dat was in tegenspraak met de ‘centrale opdracht’ van haar schrijverschap. Ze pleegde zelf een soort bedrog.

De redding uit deze paradox vond ze in de geest van Hans Magnus Enzensbergers boek Lof van de inconsequentie: je moet geen gevangene worden van rechtlijnigheid. ‘IJzeren consequentie was Renates stijl niet’ schrijft Goedkoop. ‘Ze zocht juist de tegenstrijdigheden op, de dubbelzinnigheden, ze was als persoonlijkheid groot genoeg om onderdak te bieden aan meer dan een waarheid. Ja, de werkelijheid moest worden gezien. Maar als die zo ontstellend bleek te zijn dat ze het leven bedreigde, dan schoot je je doel voorbij.’ Rubinstein zou toch over haar ziekte schrijven in Nee heb je schrijven (1985) en over de tien geheime jaren met Carmiggelt in Mijn beter ik, maar dat verscheen na haar dood in 1991.

In al zijn beknoptheid weet Goedkoop naar aanleiding van dit bewaard gebleven feest toch de kern van Rubinsteins schrijverschap uit de doeken te doen: ze was de onthuller die tijdens haar leven haar eigen geheim niet kon onthullen. Ze koos voor ‘een vitale dosis zelfbedrog.’ Of, om het te zeggen in de woorden in het nawoord dat Goedkoop schreef voor Mijn beter ik: ‘Ja, de waarheid was dat het geluk soms even niet gediend is van de waarheid.’

Iedereen was er. Feest voor Renate Rubinstein, door Hans Goedkoop is uitgegeven door Augustus/Atlas Contact.